In 1896 stelden leden van de Tweede Kamer aan minister van Justitie Cort van der Linden vragen over buitenlandse prostituees.  Ze wilden weten in hoeverre het vreemdelingenrecht op hen van toepassing was. ‘Voor zover de wet dat toestaat moeten vreemde prostituees worden geweerd’, zo luidde het antwoord. [I]Leeuwarder Courant 19-11-1890. Maar wat was de wet?

Schilderij van Kupka

Schilderij van Kupka

De eerste vreemdelingenwet stamt uit 1849. Krachtens die wet moest een ieder die een geldig paspoort had en voldoende middelen van bestaan had in Nederland worden toegelaten. Dat werd echter niet op alle prostituees van toepassing geacht.

Er waren toen vier groepen buitenlandse prostituees in Nederland:

  1. De vrouwen die in de bordelen woonden. Zij werden oogluikend gedoogd.
  2. Clandestiene prostituees, dat wil zeggen vrouwen die niet waren geregistreerd en niet regelmatig medisch werden onderzocht.
  3. Alleenstaande prostituees die voor een pooier werkten of iemands maîtresse waren.
  4. Vrouwen die onder het mom van kelnerin of artieste in de prostitutie werkten.

Wanneer de laatste drie groepen met de politie in aanraking kwamen, werden ze zonder pardon het land uitgezet. De eerste groep werd gedoogd omdat de bordeelhouders ervoor zouden zorgen dat de vrouwen regelmatig medisch werden gekeurd. De politie in de bordeelsteden Rotterdam, Breda, Haarlem, Maastricht en Breda vond dat ze in een behoefte voorzagen. Ze waren volgens de politie onontbeerlijk, bijvoorbeeld in een havenstad met zeelieden ‘die in het algemeen niet in staat waren een huwelijk te sluiten’ en ‘in Maastricht, een grote fabrieksstad zijnde, met een vlottende bevolking van 1400-1500 van veelal vreemde fabrieksarbeiders, is meer behoefte aan bordelen dan aan broodbakkerijen.’

Het feit dat dit ter sprake kwam in een discussie over buitenlandse prostituees had een nogal ‘nationalistische’ achtergrond. Sommige gezagsdragers zagen het als een voordeel dat ze voorkwamen dat de bordelen uitsluitend op Nederlandse vrouwen waren aangewezen. De luitenant-kolonel van de marechaussee van Maastricht vond het gedogen van deze vrouwen een goede zaak omdat dit verhinderde ‘dat er meisjes uit de streek zich aan het verderf zouden overgeven.’ Ook in Rotterdam hanteerde de commissaris van de politie een vergelijkbaar argument; door ze niet toe te laten zouden hun plaatsen door Nederlandse ‘meisjes’ worden ingenomen. Volgens hem kwam 32 procent van de publieke vrouwen uit het buitenland.[II] Leenders, Mary, (1993) Ongenode gasten: Van traditioneel asielrecht naar immigratie, 1815-1938 uitgeverij Verloren, Hilversum.

Tijdens de discussie in de Tweede Kamer over migrantenprostituees speelde dit ook. Maar men kwam niet tot overeenstemming over de stelling dat migrantenprostituees ‘Nederlandse meisjes’ konden beschermen. [III]Nieuws van den Dag 6-11-1882.

Lokale verschillen

De vreemdelingenwet werd niet in alle steden op gelijke wijze toegepast. In Maastricht, Rotterdam en Amsterdam beschouwde men prostitutie als een middel van bestaan zoals bedoeld door de wetgever. In Rotterdam werden echter wel buitenlandse vrouwen met geslachtsziekten als een gevaar voor de samenleving beschouwd en derhalve geweerd. De commissaris van de politie in Zwolle meldde aan zijn baas in Arnhem dat hij alleen die ‘vreemde prostituees toelaat die kunnen bewijzen dat zij in een andere gemeente zijn toegelaten. In Deventer was er een mild toelatingsbeleid: ‘Want als je ze uitzet zijn ze binnen een paar dagen weer terug’. In Nijmegen mochten buitenlandse vrouwen wel werken maar kregen geen officiële verblijfstitel. Dat gold ook voor Den Bosch. Ze konden dus zomaar worden uitgezet.

In 1897 bracht de politiecommissaris in Haarlem de nuance aan dat niet één vreemdeling aan alle eisen voldeed dus dat daarom migrantenprostituees gewoon aan het werk mochten blijven.

De Amsterdamse politiecommissaris was bang dat buitenlandse prostituees tot landloperij zouden vervallen als ze niet meer in de bordelen mochten verblijven. Vooral de Rotterdamse commissaris verzette zich tegen de religieuze anti-prostitutie mensen, zoals georganiseerd in de Nederlandsche Vereeniging tegen de Prostitutie. ‘Niet philantropische- morele redenen moest men aanvoeren, maar zich beperken tot wat er in de wet staat. Daar staat wie er wel en wie er niet mag werken.’

Pas in 1911 werd de wet consequent op alle vreemdelingen toegepast. [IV]Jong, R.C. de, (2011), De overheid heeft erover te waken, buitenlandse prostituees in het laatste kwart van de 19de eeuw, masterscriptie Actuele Geschiedenis, Radboud universiteit, Nijmegen.

Vrouwenhandel

In 1884 raadde Pierson, de grote man van de Nederlandsche Vereeniging tegen de Prostitutie, de minister van Justitie aan buitenlandse prostituees uit te zetten omdat dit vrouwenhandel zou tegengaan. In 1892 zijn er overeenkomsten met België, Oostenrijk en Duitsland gesloten over het terugzenden van prostituees. De vrouwen uit die landen konden alleen tot de Nederlands- Belgische grens en de Duits- Nederlandse grens overheidsbemoeienis verwachten. Vrouwen uit Duitsland of België moesten vanaf de grens worden opgehaald. Echtgenoten, voogden of ouders dienden de reiskosten op zich te nemen.[V] Leeuwarder Courant 20-6-1892

Sietske Altink

Bronnen

Lees meer : De Franse prostituees

Lees meer: Duitse prostituees in de damesbediening

Noten   [ + ]

I. Leeuwarder Courant 19-11-1890.
II. Leenders, Mary, (1993) Ongenode gasten: Van traditioneel asielrecht naar immigratie, 1815-1938 uitgeverij Verloren, Hilversum.
III. Nieuws van den Dag 6-11-1882.
IV. Jong, R.C. de, (2011), De overheid heeft erover te waken, buitenlandse prostituees in het laatste kwart van de 19de eeuw, masterscriptie Actuele Geschiedenis, Radboud universiteit, Nijmegen.
V. Leeuwarder Courant 20-6-1892