Een elfjarige prostituee in de negentiende eeuw

Een elfjarige prostituee in de negentiende eeuw

In 2013 stond de behandeling van de Wet Regulering Prostitutie op de agenda van de Eerste Kamer. Bij de beantwoording van vragen van de senatoren bij een eerdere behandeling baseerde minister Opstelten zich op cijfers van de organisatie Comensha, die een stijging van het aantal meldingen door de marechaussee (KMar) rapporteerde.  Betekende dit dat er meer vrouwen en mannen onder de een of andere vorm van dwang in de prostitutie werkten?

Wel of niet in de prostitutie?

Volgens Comensha heeft de Kmar in 2012  over 1177 vrouwen en 37 mannen die mogelijk slachtoffer van seksuele uitbuiting waren meldingen gedaan. Dat zou een forse toename zijn ten opzichte van 2011. In 2011 was zij verantwoordelijk voor 2 procent, maar in 2012 voor 25 procent van de meldingen.

De marechaussee heeft een taak in de grenscontrole. Comensha vermeldt niet of de marechaussee de mogelijke slachtoffers heeft teruggestuurd of toegelaten. Indien ze werden teruggestuurd of tegengehouden, zal dus een groot deel van de mensen die door de marechaussee is ‘ontdekt’ niet in Nederland aan het werk zijn gegaan. Daarnaast schrijft Comensha zelf: ‘Opvallend is dat  het aantal minderjarige vrouwen dat nog niet heeft gewerkt relatief hoog is, namelijk 78. 69 meerderjarige slachtoffers hebben evenmin gewerkt. Ze werden wel aangemerkt als slachtoffer van mensenhandel omdat er sprake was van een geringe aanwijzing van mensenhandel.‘

Wat is prostitutie?

Comensha heeft een poging gedaan om te noteren waar de gemelde slachtoffers werkten, bijvoorbeeld achter het raam of in de escort. Maar van heel veel slachtoffers weet Comensha alleen dat ze ‘in de prostitutie’ actief zijn geweest. Dit betreft 780 vrouwen en 11 mannen. De vage categorie ‘werken in een particulier huis’. (124 bij de vrouwen en 21 mannen).

De ernst van de melding

Opsporingsdiensten zijn verplicht bij de geringste aanwijzing of vermoeden van mensenhandel een melding te doen bij Comensha. Ook opvangorganisaties moeten dat. Comensha geeft echter geen nadere invulling van het concept ‘het geringste vermoeden ’dat bij zowel harde als zachte aanwijzingen rijzen. Met name de zachte aanwijzingen voor mensenhandel zijn discutabel. Dit kunnen zaken zijn als ‘te mager zijn’ of geen contact met veldwerkers willen. In 2014 is in Alkmaar bijvoorbeeld het doorwerken tijdens menstruatie al als zacht signaal genoemd.

Wie zijn de melders?

Het ligt voor de hand te veronderstellen dat opsporingsdiensten en advocaten harde aanwijzingen van mensenhandel kunnen krijgen zoals dat er in zeer slechte werkomstandigheden wordt gewerkt en dat de werkers geen bewegingsvrijheid hebben. Maar hulpverleners en veldwerkers hebben meestal geen toegang tot die ‘harde’ informatie. Het is ook niet bekend wat de aard en de duur van het contact met het mogelijke slachtoffer was. Was het een kortstondig contact tijdens het folders uitdelen bij de ramen of ging het om langdurige gesprekken? 13 procent van de meldingen zijn gedaan door ‘overige organisaties’. Comensha laat het in het midden welke organisaties dat zijn. Zijn dat religieuze organisaties of organisaties voor opvang van daklozen? Welke criteria hanteren zij om tot een ‘gering of groot’ vermoeden van mensenhandel te komen? Bovendien kan een mogelijk geval door meerdere personen of organisaties worden gemeld. Het is dus niet ondenkbaar dat er dubbeltellingen zijn verricht.

Aangiftebereidheid

Het is opvallend dat niet één mogelijk slachtoffer zichzelf heeft aangemeld. Comensha constateert dat hoewel het aantal mogelijke slachtoffers is toegenomen, de aangiftebereidheid gelijk is gebleven. Uit dit gegeven kunnen geen harde conclusies worden getrokken. We hebben al gezien dat niet alle mogelijke slachtoffers aan het werk zijn gegaan. Waarom zou je aangifte doen als je niet hoeft te werken?

Sietske Altink, april 2013