Eind jaren tachtig en begin jaren negentig, toen twee grote vrouwenhandelzaken in Rotterdam speelden, was de aanpak van het fenomeen geheel afhankelijk van de persoonljike inzet van de politiemensen in kwestie. Voor velen onder hen was het een nieuw fenomeen, waardoor ze zich genoodzaakt voelden te pionieren. Vaak waren er twee politiediensten bij betrokken: de zedenpolitie en de vreemdelingendienst, die het niet altijd met elkaar eens waren.

In de periode dat  de zaak tegen de (Belgische)8-bende-van-de-miljardair  speelde, had ik nogal eens contact met de politie. Poolse slachtoffers van die bende wilden aangifte doen. Maar de politie zag daar niets in. Volgens de Rotterdamse vreemdelingendienst betrof het een arbeidsgeschil binnen het half legale circuit. Het niet nakomen van contracten, slechte betaling van de vrouwen, kortom arbeidsgeschillen vormden geen reden voor politie-optreden. Een politieman die toen op de zaak zat: ‘Iedere werkgever manipuleert mensen die afhankelijk van hem zijn. Dat is zijn idee van management. We grijpen alleen in als een exploitant te ver gaat, bijvoorbeeld als hij de paspoorten te lang inhoudt. Dat kan ook heel subtiel gaan. Ze zeggen niet ”Ik neem je paspoort in”, maar: ”Meid, ik moet naar de ambassade en daarvoor heb ik je paspoort nodig”. Een week okay, maar drie maanden…’ ( In 2019 zou dit geen punt van discussie meer zijn; het niet zelf kunnen beschikken over de papieren, is één van de meest overtuigende signalen van mensenhandel.)

Voor de politie speelden ook problemen inzake de bewijsvoering. ‘Het is de vraag of de Belgen van de Miljardair een contactpersoon in Polen hadden geïnstrueerd de

De rechtbank aan de Noordsingel waar een groot deel van de zaak van de MIljardair werd behandeld.

vrouwen werk als serveerster of receptioniste aan te bieden. We kunnen moeilijk bewijzen dat het brein in Nederland zit. De strafrechtelijke kant van de zaak ressorteert onder de zedenpolitie. Die wil eerst harde feiten, voordat ze er een hoop manuren tegenaan gooit. De Poolsen werden niet opgesloten en mishandeld. Ze mochten hun paspoorten houden en kregen een arbeidscontract. Inderdaad, ze kregen wel te weinig betaald. Manipulatie om in de prostitutie te gaan werken is in dit geval moeilijk aan te tonen. De contacten met de Poolse politie zijn ook niet bepaald optimaal.’

Dat laatste was niet helemaal waar. In de periode dat de kwestie met de Poolsen speelde, was er een commissaris van de zedenpolitie uit Warschau in Rotterdam. Zij nam het initiatief tot een gesprek met de Rotterdamse politie. Achteraf vertelde deze Wieslawa me: ‘Ik ben nog steeds kwaad dat ze in Nederland de pooiers gewoon laten doorlopen. Ik vond het heel vreemd dat de Rotterdamse politie me niet aansprak voor verdere samenwerking. Ze liepen alleen om mij heen. Ik heb een slechte indruk aan Rotterdam overgehouden’. (1994)

Impresario’s mochten alleen ‘buitenlandse artiesten’ in tijdelijke dienst nemen als zij ze keurig bij de vreemdelingenpolitie aanmeldden. Sinds dit was ingevoerd, wierpen veel exploitanten zich plotseling op als impresario, opdat zij ‘buitenlandse artiesten’ tijdelijk in dienst konden nemen.

In Rotterdam speelden in 1988-1989 en van 1988- 1997 een paar grote zaken waaronder die van de zaak van de Bende van de Miljardair. Deze zaak is door diverse auteurs beschreven. (Fijnaut, 1993, Altink, 1993, 1995 en 1998, De Stoop, 1992) Het boek van De Stoop heeft veel stof doen opwaaien en was in België aanleiding voor een parlementaire enquête. [ii] De zaak van de Miljardair ging om een Belgisch/ Nederlandse bende met contacten in vele landen, die minstens honderd vrouwen in een uitbuitingssituatie in Nederland, België en Denemarken aan het werk hield. De bende stond voor het eerst terecht in 1991, maar de zaak werd geseponeerd omdat de OVJ had toegestaan dat de belangrijkste getuigen werden uitgewezen. Volgens Fijnaut (1993) speelde de onduidelijkheid van de delictsomschrijving een rol in dit sepot. Pas in 1997 werden enkele kopstukken veroordeeld.

In 1993 bleek dat Rotterdamse politiemensen in deze zaak in verwarring verkeerden over de relatie tussen werving en uitbuiting. Uit een niet gepubliceerd interview naar aanleiding van het volgende contract:

 

Contract met dhr. M J. V. van Stage International.

Opgemaakt, 03-03-92

Contract is voor drie maanden. Artiest zal basisbetaling krijgen. Voor iedere dag 50 gulden voor optredens, 30 gulden per dag. Men dient minimaal 30 optredens te verzorgen.

10% van de provisie op rekening van de klant en verder krijgen ze nog enkele bonussen. Stage betaalt de reis terug. Stage zorgt voor onderdak en werkvergunning en belastingafdrachten. Artiest verklaart gezond en niet zwanger te zijn en accepteert medisch onderzoek door Stage.

Artiest krijgt in volgende gevallen boete:

150, gulden bij contractbreuk, wanneer de termijn is verstreken.

-500 gulden bij weglopen uit de club onder werktijd.

-500 gulden bij absentie van werk.

Uit een interview met een Rotterdamse politie- agent (1992)

De politieman: Het is heel makkelijk om mensen die afhankelijk zijn te manipuleren. Dat doet iedere werkgever. Hij ziet dat als een stuk management. Alleen dit is niet aanvaardbaar. In hoeverre kun en mag je gaan in het manipuleren van mensen binnen je bedrijfsvoering?  Het zijn natuurlijk wel bedrijven. Wanneer is het ontoelaatbaar en wanneer is het strafbaar?  Dat is het grote dilemma, met die contracten voor de Poolse meisjes heb je het eerder over een arbeidsgeschil, dat ze te lange werktijden hebben, en zijn ze het niet eens met de percentages.

De politie gaf de Poolsen een gedoogstempel’ voor drie maanden. De Rotterdamse vreemdelingendienst over deze zaak: ‘Behalve dat we die meiden in Rotterdam oogluikend voor drie maanden toelaten, zijn er verder geen duidelijke regels. We verlossen ze zo drie maanden van de illegaliteit. Bovendien kunnen wij zo contact met hen leggen. We laten ze bij voorkeur zonder de baas naar het bureau komen. Komt hij toch mee dan vragen wij of hij buiten blijft, maar we kunnen niet altijd voorkomen dat hij bij het gesprek blijft. We schrijven dan de paspoorten in en vragen of er problemen op het werk zijn. Op het moment dat een meid vanuit een privéhuis naar de Stichting tegen Vrouwenhandel, naar Humanitas of naar mijn collega’s loopt, kan blijken dat daar onder onze ogen vrouwenhandel heeft plaatsgevonden. Terwijl wij die meiden in hebben gestempeld en een drie maanden termijn hebben gegeven. Soms krijg ik het verwijt van een slachtoffer, je hebt nog een stempel in mijn paspoort gezet ook. Dat is niet leuk. Dan denken ze: ‘Die politiemannen liepen rond, daar ga ik niet heen, die heb ik zien praten met de bazen. Die gasten zijn net zo corrupt als die in ons land. Hier zitten ze ook een glaasje te drinken met de eigenaar’. Het is voor hen moeilijk te bepalen aan welke kant we staan. Ze weten dat wij weten dat zij in de prostitutie zitten. Dan zegt er nog zo’n agent, ik kom wel even bij je langs, wat moet zij er dan van denken? (…) Als je een te innig contact met de meiden krijgt, gaan de exploitanten je daarin manipuleren. Tegen dat soort verwijten kun je je indekken door helemaal te stoppen met die ‘impresario’s’. (NB Exploitanten traden toen vaak op als impresario’s voor erotische danseressen, SA) Dan loop je wel het risico dat er straks tientallen meiden komen via types die hen uitnodigen en zich voor hun levensonderhoud en medische verzorging garant stellen. Voor ons wordt het dan heel erg onoverzichtelijk omdat we mensen moeten vragen naar een handtekening voor zo’n garantstelling die zij bijvoorbeeld een half jaar geleden hebben gezet. Nu hebben we er nog zicht op.’

De politie is vaak gevraagd waarom ze die clubs van de Belgen niet heeft gesloten op grond van artikel 250bis, Wetboek van Strafrecht, oftewel het verbod op het exploiteren van bordelen dat toen nog van kracht was. Het antwoord luidde dat in de periode dat de rechtszaken speelden weliswaar het’ gelegenheid geven tot prostitutie verboden was’, maar dat het sluiten van clubs in de praktijk niet haalbaar was. Het was nu eenmaal het beleid om ‘seksinrichtingen’ te gedogen. Sterker nog, binnenkort zouden seksclubs worden gelegaliseerd’, zo meende de politie. Maar we weten nu dat dit nog heel lang zou gaan duren. De politie moest het stempelen om te weten ‘waar ze zaten’ opgeven door de wetswijziging in 2000 opgeven. ‘Illegalen’ mochten niet meer in de prostitutie werken.

Enkele politiemensen zijn in die periode wegens grensoverschrijdende activiteiten ontslagen.

(Bronnen: eigen archief)

Sietske Altink

Terug naar de inhoudsopgave van het boek