Bordeel voor Duitse soldaten in de Eerste Wereldoorlog

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was België officieel neutraal, maar de Duitsers bezetten het land toch. Het lukte de Duitse troepen echter niet de rivier de IJzer over te trekken waardoor het achterland betrekkelijk vrij bleef, weliswaar onder Brits beheer. Nederland bleef buiten de strijd maar kon zich niet geheel aan de oorlog onttrekken. Zo kwamen er een miljoen vluchtelingen uit België. De meesten werden in Nederland in kampen ondergebracht.

De oorlog had ook gevolgen voor de werkgelegenheid van vrouwen. Onder andere in België was er door de afwezigheid van mannen een tekort aan arbeidskrachten ontstaan, waardoor vrouwen buitenshuis gingen werken. Ze combineerden fabrieksarbeid vaak met prostitutie. Dat was minder ongezond dan fabriekswerk en werd beter betaald. Veel sekswerkers vertelden destijds dat hun echtgenoten het land dienden. Hoewel, bij het minste vermoeden van prostitutie werd de toch al karige uitkering van de vrouwen ingetrokken.

Sekswerk wekte onrust. Men maakte zich druk over vrouwen die gratis seks of prostitutiecontacten met Duitse soldaten hadden. Later moesten ze dat bekopen met de straf van het kaalscheren van het hoofd. Er  werd  ook een soort stoppersprogramma opgezet. Het Duitse Rode Kruis en de keizerin richtten bijvoorbeeld het Oorlogscomité voor Warm Ondergoed op; een werkverschaffingsprogramma.

De Duitse bezetter voerde draconische maatregelen in tegen prostitutie. Maar voordien was het er ook niet leuk voor sekswerkers. Hun rechten werden ernstig geschonden door de bestaande reglementering.

Reglementering in België

Net als Nederland kende België vanaf het begin van de negentiende eeuw reglementering van prostitutie met de bijbehorende registratie. Die bleef ook in de Eerste Wereldoorlog van kracht, zowel in de bezette als in de niet- bezette gebieden.

Het reglement mocht niet in strijd zijn met bestaande Belgische wetgeving, maar toch werd de handelingsvrijheid van sekswerkers en exploitanten van bordelen beknot. Zo werden bordeelhouders uitgesloten van kiesrecht. Hun beroep was ook reden om uit de ouderlijke macht ontzet te worden. Wanneer een sekswerker een abortus had gehad, onderging ze hetzelfde lot. Dat is voor zover bekend twee keer voorgekomen in de tijd voor WO I en II. Openbare dronkenschap werd voor bordelen zwaarder bestraft dan daarbuiten. Het was strikt verboden om alcohol in het bordeel te verkopen. Wanneer bordeelhouders eenmaal waren gepakt op alcoholverstrekking in het bordeel mochten ze daarna ook nergens anders meer drank verkopen.

Registratie maakte ook deel uit van het pakket. Een vrouw van wie het algemeen bekend was dat ze in ontucht leefde kon wat wij – ambtshalve noemen- worden geregistreerd. Met andere woorden, ze kon zich moeilijk verdedigen tegen registratie. Bij groot besmettingsgevaar moest zij worden opgesloten. Ook buiten de prostitutie kon dit worden opgelegd,  bijvoorbeeld aan besmette mannen. Dat kon echter alleen wanneer hun echtgenoten een klacht tegen hen hadden ingediend. Vrouwen die konden bewijzen dat ze drie maanden eerzaam hadden geleefd konden een verzoek indienen om uit het register te worden geschrapt. De gemeente moest de medische kosten betalen van de vrouwen die er werkten. Het was dus voordelig voor een gemeente om niet alle vrouwen te registreren.

De reglementering legde nog meer beperkingen op aan sekswerkers: ze mochten niet met vriendinnen in hetzelfde huis wonen.  Het was hen niet toegestaan om samen te wandelen, of met een ‘souteneur’, vaak hun partner, op straat te lopen en het was hen verboden naar schouwburgen, concerten, danszalen, koffiehuizen en plaatsen te  gaan waar drank werd geschonken. Ze mochten geen betrekkingen aangaan met mensen van onder de 18. Ook was het hen verboden na 21 uur nog de openbare weg te betreden. Tippelende vrouwen werden in bordelen afgeleverd zodat ze onder controle konden worden gehouden. Sekswerkers mochten alleen onder begeleiding naar een kapper. Ze moesten ook in de huizen intern verblijven.

Daarnaast moesten ze instemmen met onverwachte medische controles. In de tijd van de reglementering was schelden tijdens het medisch onderzoek strafbaar. Er was altijd wel een reden om een sekswerker op te pakken. De stadsbesturen in de bezette gebieden verloren een deel van hun zelfstandigheid aan de bezetter.

Belgisch bordeel in de eerste wereldoorlog

De Duitsers waren bang voor soa als strijdmiddel. Niet zonder reden; in 1870 hadden Franse bladen opgeroepen zoveel mogelijk Duitse soldaten te infecteren. Duitse soldaten hadden twee keuzes: preventie of desinfectie. De Gesellschaft  zur Bekaempfung von Geslechtskrankheiten verspreidde een pamflet waarin stond dat de soldaat de heilige plicht had gezond te blijven. Soldaten die tijdens de medische keuring werden betrapt op een ziekte moesten voor de krijgsraad verschijnen.

Belgische soldaten hadden geen aparte bordelen. Gewone bordelen ofwel vlooikotten waren herkenbaar aan de rode lampjes die er waren opgehangen. De duurdere bordelen, gereserveerd voor officieren, waren voorzien van blauwe lampjes. Een bekend bordeel in het bezette Beveren was De Veertien Billekens waar zo’n zeven vrouwen werkten.

De vrouwen werkten tevens op straat, in hun eigen huis, of in herbergen. Een deel combineerde het werken op de openbare weg met hotel -of herbergbezoek. Tijdens WO I maakten  “herbergmeiden”  de helft van het aantal sekswerkers uit. Verdachte herbergen werden toen opengehouden.

De officiële Duitse bordelen lagen aan het IJzerfront. Volgens soldaat Stefan Westmann waren er te weinig van die zogeheten Feldpuffs (Puff is bordeel in het Duits) en ze waren ook nog eens te ver van het front verwijderd. Repressie werd in tegenstelling tot tolerantie van ‘het kwaad’ steeds meer het doel van het beleid. Liever wilden de Duitsers de soldaten weerhouden van seksueel verkeer en ze in plaats daarvan zedelijk opvoeden. Ze drongen er bij de soldaten op aan dat ze hun vrouw trouw bleven. Niet alle soldatenvrouwen waren het daar mee eens.  Een Britse vrouw had naar haar soldaat geschreven dat zij het geen probleem zou vinden als hij naar de hoeren ging. Dat was uitzonderlijk. Aan de andere kant verwachtte men door getolereerde prostitutie minder problemen met overspel en verkrachtingen. Bordeelbezoek bleef doorgaan, ook al moest men naar oude vrouwen, die soms ook nog eens aan hoofdluis leden.

Erwin Blumenfeld beschreef een Duits bordeel in Feldfreudenhaus 209 in Valenciennes, pal aan de grens met België. Er werkten 18 sekswerkers; van wie zes voor officieren waren bestemd. Het Duitse Rode Kruis inspecteerde dit relatief dure bordeel regelmatig. Iedere vrouw had er 25 tot 50 klanten per dag. In elk Duits bordeel was een hospitaalsoldaat die op de hygiëne toezag. Er zouden rijen soldaten voor de bordelen hebben gestaan. De vrouwen werden ’s morgens onderzocht door een Feldunterartzt. De militairen van het medische corps noteerden naam en eenheid van de klant en medische certificaten. Zij moesten ook profylactische (ontsmettende) middelen uitdelen, vooral zalfjes. Het condoom was betrekkelijk duur. Pas in 1918  werden condooms gratis verstrekt. Per bezoek betaalden de soldaten vier mark. Een mark voor de sekswerker, een voor de bordeelhoudster en twee voor het Rode Kruis, dat het medisch- morele toezicht over het bordeel had.

Soldaten hielden bij welke soldaten het bordeel betraden. De leiding van het bordeel werd gevormd door een (Belgische) vertegenwoordiger van het gezag. (dame de maison). De Duitsers openden gespecialiseerde hospitalen, zoals het Bedelaarsgesticht. De souteneur werd gelijkgesteld aan de landloper, net als in Nederland.

In Brugge konden bijvoorbeeld Duitse soldaten in bordelen in twee straten terecht. Op affiches stonden richtlijnen voor het bezoek. Zowel mannen als vrouwen moesten vooraf hun geslachtsorganen door de Sanitateroffizier laten onderzoeken.  Bruggenaren waren ook klant in zo’n herberg aan de Beenhouwerstraat. Duitse soldaten gingen zich er te buiten door bijvoorbeeld naakt te marcheren.

Gent was een rustplaats voor soldaten. Er zouden zo’n 5000 sekswerkers actief zijn geweest. Ze waren niet allemaal beroeps want ook vrouwen en dochters van de soldaten waren in het vak gestapt. Ze zaten vooral in de Veldstraat, in fel gekleurde huisjes. Zelfs in de salon van bonbon producent Leonidas was prostitutie. Later werd niet meer over prostitutie gesproken.

De behoeften van soldaten

Veel soldaten hadden echter helemaal geen seksueel contact en zagen bijna geen vrouwen; ze kregen alleen in revues als vrouw verklede mannen te zien. Dat betrof het soort travestie dat oudere Nederlanders kennen als Snip en Snap. De mannen wilden echter niet als maagd sterven. Indien de soldaten gewond raakten of ziek werden, kregen ze te maken met de verpleegsters. De verpleegsters opleiding was iets nieuws. Voordien was verpleging in handen van vrouwelijke religieuzen. Verpleegsters werden als prostituee beschouwd omdat ze de man ook onder de gordel moesten verzorgen. Dat veranderde toen ze als moederfiguren werden gezien.

Scriptieschrijver Luc de Munch schreef dat sommige Belgische verpleegsters zo getraumatiseerd waren geraakt dat ze na de oorlog niet meer in een ziekenhuis wilden of konden werken. Deze heldhaftige verpleegkundigen wisten nog niet dat er in 1918 een nieuw gigantisch probleem aan kwam: de Spaanse griep.

Bronnen:

Soms genezen, dikwijls verlichten, altijd troosten)) ((KU Leuven, Campuskrant 3-1-2019 en  KU Leuven, Campuskrant 3-1-2019)

Nieuwsblad België  9-11-2013

Leo van Bergen op www.wereldoorlog 14 18.

Voorde, V. van de, 2006-2007, Prostitutie te Brugge tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog, proefschrift Universiteit van Gent, vakgroep Nieuwste Geschiedenis, Faculteit Letteren en Wijsbegeerte.

Boncquet, Piet, Lief en leed, prostitutie in de eerste wereldoorlog, uitgeverij Davidsfonds. (p 153)., foto’s bordelen) / Wandt, Heinrich.

Soetens, E. (2017),  Prostitutie in de Eerste Wereldoorlog, Brave New Books, Amsterdam