Het prostitutiebedrijf kent drie partijen: de sekswerker, de klant en de exploitant. Al deze drie partijen kan men aan verbodsbepalingen onderhevig maken. Bordeel houden werd tot de Napoleontische tijd oogluikend toegestaan en daarna aan reglementen onderworpen. Het bordeelverbod uit 1911, betekende de criminalisering van de bordeelhouder. De mannelijke bordeelhouder werd toen net als de pooier met een landloper vergeleken. Hij werd steevast ‘souteneur’ genoemd. De vrouwelijke bordeelhouder heette ‘madame’.

Vanaf de komst van Napoleon was werken als prostituee legaal. De sekswerker noch de klant werd gecriminaliseerd met dien verstande dat de laatste  van 1910 tot 1911 in Rotterdam een jaartje strafbaar was krachtens het plaatselijke bordeelverbod. Door de invoering van het landelijk bordeelverbod, kwam de lokale klantcriminalisering te vervallen.

Het bordeelverbod uit het begin van de twintigste eeuw veranderde het prostitutielandschap totaal. De bordelen gingen dicht maar prostitutie bleef

Ter ere van de verschijning van een boek vieren ‘oude hoerenmadams’ een feestje in Amsterdam

bestaan. Straatprostitutie nam na de invoering van het bordeelverbod fors toe. Raamprostitutie ontstond als een combinatie van straat- en thuisprostitutie. De vrouwen gingen voor de deur staan of zitten en spraken mannen aan.  Dit heette vigileren.De politie greep in waardoor de vrouwen naar binnen moesten, dus achter het raam gingen zitten. Tot diep in de twintigste eeuw zouden straat- en raamprostitutie de gemoederen blijven bezighouden.

Een tweede belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van de prostitutie in Nederland was het weer opheffen van dit bordeelverbod in 2000.

De derde partij, de klant, is in veel Scandinavische landen strafbaar. Wel zijn in het verleden bepaalde klanten strafbaar gesteld, bijvoorbeeld getrouwde en/ of joodse mannen. Naderhand zijn mensen die een, twee of drie partijen wilden criminaliseren zich abolitionisten of neo- abolitionisten gaan noemen. Zij beweerden en beweren nog steeds dat de sekswerker in hun systeem met rust zou worden gelaten. Het is echter naïef te veronderstellen dat het criminaliseren van klanten en /of bordeel houders, de sekswerker onberoerd laat. Integendeel, hij/ zij wordt daarmee afhankelijk gemaakt van bijvoorbeeld criminelen die de verboden diensten wel willen leveren. Er ontstaat dan een tegenstrijdige situatie: voor het uitvoeren van een legaal beroep is er geen legale omgeving meer.

De laatste jaren verwart men de bordeelhouder weer met de pooier. Zonder blikken of blozen hebben medewerkers van respectabele media het over de invoering of afschaffing van het bordeelverbod als een pooierverbod. Maar de ‘pooier’ die geweld jegens een sekswerker pleegt en/of haar in een afhankelijke situatie bracht, is altijd al strafbaar geweest.

Sietske Altink

Terug naar de inhoudsopgave van het boek