In 1987 heb ik op Katendrecht samen met een Thaise onderzoekster getracht respondenten te werven voor een onderzoek. Bij deze gelegenheid zagen we hier en daar meerdere vrouwen achter één raam. Ze zaten op tuinstoelen. We hebben toen kort met een paar vrouwen uit De Dominicaanse Republiek kunnen spreken. Ze wilden of konden niet veel vertellen. Ze zaten er pas drie dagen. Of we na het eten terug konden komen. We werden naar het naburige café gestuurd waar iets ‘gezelligs’ stond te gebeuren. De gezelligheid bestond uit het ten gehore laten brengen van liedjes met teksten als ‘Als ik bij jou naar binnen vaar’. Toen we terugkwamen kregen we te horen dat de vrouwen nu lagen te slapen. We zijn maar vertrokken….

Het Chinese restaurant is er nog steeds. (2015)

Mijn een na het laatste bezoek aan De Kaap in die periode was in 1988. Ik was met een vrouw van De Rode Draad – de belangenorganisatie van sekswerkers- op pad gestuurd om BlackLights –het orgaan van De Rode Draad – aan de vrouw te brengen. Erg ver kwamen we niet. Reeds tijdens onze eerste sanitaire stop in een café kwam een agressief ogend heerschap ons vertellen dat het niet de bedoeling was dat vrouwen ‘boekies’ gingen lezen achter het raam. Ze moesten werken. We zijn maar weer eens ‘uit Rotterdam vertrokken’, maar hebben toch een melding achtergelaten bij de politie. Een jaar later bleek er een grootschalige mensenhandel – toen nog vrouwenhandel genoemd – bende actief te zijn die Dominicaanse 6-kunstfamilies vrouwen in Rotterdam afperste.

Herinneringen van de Laatsten der Dominicaansen

In 1991 werkten nog zo’n tiental vrouwen op Katendrecht, allen migranten. Een van hen, een Colombiaanse, sprak ik een jaar later. Zij was uit Utrecht gevlucht waar ze grote problemen had met exploitanten. Ze hadden haar paspoort en kleren verbrand. Een Dominicaanse had haar aan een werkadresje geholpen in ‘een comfortabel appartementje’ aan de Atjehstraat. Ze betaalde maar 300 gulden per week. Andere vrouwen werkten ook nog wel eens op straat maar zij niet. Ze bleef liever binnen. Ze haalde voor een hele week eten en stopte dat in de koelkast. Ze nodigde soms haar collega’s uit om mee te eten. ‘Andere vrouwen moesten zich verstopt houden. Met mij hadden ze geen probleem, ik had geen sociale dienst. Ik had mijn rechten. De politie zou me wel helpen.’

Een Dominicaanse vertelde me in 1991 dat het beroemde Chinese restaurant meer klanten trok dan zijzelf. Zij herinnerde zich dat een klant zijn vrouw alvast naar het Chinese restaurant had gestuurd om een tafeltje te bemachtigen. Hij zou intussen een parkeerplaats voor zijn auto gaan zoeken. Dat was zijn excuus om haar nog een bliksembezoek te brengen.

Sietske Altink

Terug naar de inhoudsopgave van het boek