Anders dan in Amsterdam en in de diplomatenstad Den Haag kende Rotterdam in de 17de en 18de eeuw geen grote bordelen. Rotterdamse bordelen waren destijds woonhuizen die als clandestiene knipjes fungeerden. Vrouwen bestierden die gelegenheden. Door bepaalde elementen in de inrichting op te nemen, bijvoorbeeld een erotische prent aan de muur gaf de bewoonster aan wat ‘de mogelijkheden’ waren. Een andere aanwijzing voor prostitutieactiviteiten zou kunnen zijn dat iemand te boek stond als alleenwonende vrouw die niet van de bedeling leefde.[I]Wijsenbeek, 1987

De overheid waarschuwde ‘nabestaanden’ en ouders echter wel tegen de herbergen en tapperijen, waar tijdens ‘danserijen’ die nachten achtereen konden duren, waaruit veel ‘ontugtigheden’ moesten voorkomen. Het resultaat was een verbod op muziek in kroegen. [II]Murray, p.44, 1974

The harlot’s progress, van William Hogarth, een Engelse 18de eeuwse striptekenaar

Voor het overige was de Rotterdamse overheid betrekkelijk mild ten opzichte van prostituees. Tegen de zin van de Kerkeraad liet de Rotterdamse overheid prostituees die niet op straat werkten ongemoeid maar bestreed wel koppelarij. [III]Het Vaderland, 20-12-1939 In juni 1710 kwam de Kerkeraad bijeen om te protesteren tegen bordelen in Schoonderloo. Twee weken later meldden twee ’burgemeesters” (raadsleden) dat de huizen al lang waren aangepakt. [IV]Van der Heijden, 2014

Klachten van buren vormden niet voldoende reden voor ingrijpen; er moesten harde bewijzen voor prostitutie op tafel komen. Op 9 juli 1750 klaagden de Rotterdamse Ida Buijs en Kaatje Romberg over overlast van buurvrouw Kaatje van den Kasteele, haring en fruitverkoopster die ’s nachts allerlei vage figuren van bier en andere drank voorzag en tevens de hoer speelde. Kaatje van den Kasteele werd echter wegens gebrek aan bewijs vrijgesproken.

Een enkele keer greep de overheid wel in. Dat gebeurde bijvoorbeeld in het geval van Het Meusieke Nest, een huis van vermaak aan de Bergschenhoek, dat geëxploiteerd werd door Anna Maria en Dina van der Willike. In hun etablissement met ‘kwaad regiment’ huisden ongure typen zoals bedelaars, heidenen en ‘smouse ’(joden). De twee vrouwen uit Bergschenhoek werden door de ‘geweldige hand van justitie’ in het spinhuis opgesloten. [V]Rogier, L.J., 1957 Mogelijk was de aanwezigheid van joden de reden om er schaarse mankracht van de politie aan te spenderen. Christenen mochten  namelijk geen seksueel contact hebben met ‘heidenen’ als met joden en moslims. In 1752 en 1753 werden er in Rotterdam nog joden veroordeeld voor seksueel contact met christelijke prostituees, mogelijk een reden om er schaarse mankracht aan politie aan te spenderen. De waterschout die zijdelings bij de controle op prostitutie was betrokken- als inspecteur van onderkomens der zeelieden, dus ook van de bordelen- maakte zich niet bepaald sterk voor het sluiten van bordelen. Hij was onafhankelijk van het stadsbestuur. Deze zelfstandigheid was het gevolg van wangedrag in 1764 van twee substituutschouten op de kermis dat tot hun ontslag had geleid. [VI]P. Van Vooren, 1916 Bij hun aankomst controleerde hij de schepen, inspecteerde het buskruit en arresteerde matrozen die zich aan contractbreuk schuldig hadden gemaakt. En in het geval van brand moest hij de orde aan boord bewaren.))

Zeemansvrouwen waren als kostwinner zelfstandig. Ze waren soms genoodzaakt of werden ertoe verleid het wisselvallige inkomen met geld uit weinig oorbare praktijken aan te vullen. Ze werkten vaak als tapster of prostituee. Een enkele keer wordt vermeld dat sommige vrouwen ‘gegoede’ klanten hadden zoals diplomaten en kooplieden. Één vrouw zou de Franse ambassadeur een druiper hebben bezorgd.

In Rotterdam kwam in de eerste helft van de achttiende eeuw 42 procent van de vrouwelijke verdachten van buiten de stad. Sommige vrouwen waren gaan zwerven. In dit tijdsgewricht laadde een persoon- zonder een vast adres – al snel het verwijt op zich bedelaar of landloper te zijn.

Vrouwen overtraden vaak de verbanningsstraf en werden ook regelmatig aan dronkenschap schuldig bevonden. Veel vrouwen hadden een ondersteunende functie in een dievenbende of ‘leefden  in ontucht  met een dief ’. In 1798 was er een probleem met zo’n bende in Rotterdam. [VII]Egmond, 1994 Vier uit Rotterdam verbannen vrouwen waren lid van de beruchte Exaerdebende.

Klik hier voor meer informatie over gebruikte bronnen.

Sietske Altink

 

 

Noten   [ + ]

I. Wijsenbeek, 1987
II. Murray, p.44, 1974
III. Het Vaderland, 20-12-1939
IV. Van der Heijden, 2014
V. Rogier, L.J., 1957
VI. P. Van Vooren, 1916
VII. Egmond, 1994