In de late middeleeuwen kenden veel landen een prostitutiebeleid. Aan ieder prostitutiebeleid ligt een beleidsregime ten grondslag. Zo ook in de late middeleeuwen. Er waren toen drie beleidsregimes: verbieden, tolereren en reguleren.

Verbod

Ten eerste is er het beleidsregime van het verbod op prostitutie. In 1254 decreteerde de Franse koning, Lodewijk de Negende (de Heilige) bijvoorbeeld dat alle hoeren van de velden en uit de steden moesten worden verwijderd.  (Rossiaud, 1984) Ze dienden al hun kleren en eigendommen achter te laten. In 1256 herhaalde hij dit bevel. In 1269, voordat hij op kruistocht ging (1270) gaf hij nog eens nadrukkelijk de opdracht prostitutie met wortel en tak uit te roeien. Hij keerde zich ook tegen dobbelen, woekeren en blasfemie.

Tolerantie

Kopergravure: een bordeel, daarboven een theater en helemaal boven: aediles

Kopergravure: een bordeel, daarboven een theater en helemaal boven: aediles

In de dorpen was er toen enige kleinschalige prostitutie en in de ‘velden’ trokken prostituees met legertjes rond. Dit veranderde toen er door de groei van de steden een geldeconomie ontstond. De steden trokken allerlei mannen aan die op zoek naar werk of een leermeester waren. Over het algemeen konden deze mannen pas trouwen als ze voldoende middelen van bestaan hadden om een gezin te kunnen onderhouden. Er deden in die periode veel verhalen de ronde over deze jonge gezellen die zich niet konden beheersen en eerbare vrouwen lastigvielen of verkrachtten. (Karras in Vern en Bullough, 1996). In veel landen en steden bedacht men dat ‘het noodzakelijk kwaad’ van de prostitutie, een uitlaatklep voor al die lustgevoelens moest bieden. Tolerantie en zelfs regulering – dus niet alleen erkennen maar actief regelen- achtte men de geëigende oplossing voor dit probleem. Het bezoeken van prostituees werd voor mannen derhalve niet meer als een doodzonde beschouwd. Ter verdediging van dit standpunt werden de geschriften van kerkvader Augustinus en de scholasticus Thomas van Aquino aangevoerd. [i]De verbodsbepalingen verdwenen daarmee echter niet geheel uit beeld. Soms was het bijvoorbeeld voor bepaalde groepen verboden om een huis van plezier te bezoeken. Het bleef echter een zwaar vergrijp iemand tot prostitutie te dwingen. De tolerantie was dubbelhartig: prostituees werden als groep als een oplossing gezien, maar bleven gestigmatiseerde vrouwen.

Gereguleerde tolerantie

In de Lage Landen hanteerde men in de meeste steden een beleid van gereguleerde tolerantie. Prostitutie mocht onder bepaalde voorwaarden. Het moest vooral tot bepaalde plekken beperkt blijven en liefst zo ver mogelijk uit de buurt van ‘eerbare vrouwen’ plaatsvinden. In de Lage Landen (Nederlandse steden en Brugge) vaardigde men verordeningen uit aangaande plaatsen waar en tijden waarop het mocht. In de Lage Landen zorgde men er ook voor dat bordeelhouders belasting gingen betalen. In Dordrecht, Amsterdam, en Den Haag was het bordeelhouden het privilege van de schoutsknechten. Ook in Brugge was de prostitutie gefiscaliseerd. In de Lage Landen hoefden de oneerbare vrouwen zich niet door middel van kledingvoorschriften en uiterlijke kenmerken van de eerbare te onderscheiden. Dat kwam wel in meer regulerende beleidsregimes in vooral de zuidelijke landen voor.

Regulering

Vooral in Zuid- Europa, werd er verregaand gereguleerd. In veel steden werden er officiële stadsbordelen gesticht, die in (Zuid) Duitsland vrouwenhuizen heetten. Prostituees moesten in die steden in een bordeel wonen dat door de stad werd bestuurd. In enkele gevallen waren kerkelijke autoriteiten of de beul bij de exploitatie betrokken.

Dit was geënt op het Romeinse systeem, waarin zogeheten aediles de orde in en rond de bordelen handhaafden en de belastingen inden. De Zuid-Europese steden stelden ‘hoerwaarden’ aan die het dagelijks beheer op zich moesten nemen. Elders waren kooplieden of in de zuidelijke landen, edellieden, de officiële eigenaren.

Het idee van het noodzakelijk kwaad kwam uit het Romeinse recht. (Dupont, 1996) In de zuidelijke landen, waar het Romeinse recht meer invloed had dan in de Lage Landen, kopieerde men ook het Romeinse systeem van de aediles, gespecialiseerde ambtenaren, die toezicht moesten houden op het bordeelwezen. Soms waren er kledingvoorschriften of bepalingen dat alleen vrouwen van buiten de stad die elders als prostituee hadden gewerkt in de stedelijke bordelen mochten werken.

In zuidelijke landen (Italië, Spanje en Zuid-Frankrijk) gaven de stedelijke overheden direct opdracht om stadsbordelen met een voorgeschreven aantal kamers te bouwen. De waard moest ook aan eisen op het gebied van voedselverschaffing en zelfs aankleding van de prostituees voldoen. (Schuster, 1992, Otis, 1985). In Zuid- Spanje bemoeiden de koning(en), bijvoorbeeld de Katholieke Koningen zich met het reglement van het bordeel. Maar op het Iberische Schiereiland bestond er een anomalie: in Baskenland had men geen officiële stadsbordelen maar waren er wel voorschriften voor de plaats waar de minnehandel plaats mocht vinden en aangaande de wijze waarop de prostituees zich moesten uitdossen. (Lacara Lanz, 2002)

Het paard van de bisschop

In sommige Duitse steden moest de waard diensten voor de stad verrichten zoals als brandweer fungeren, een hachelijke onderneming. De burgers vonden dat dit soort taken naar lagere lieden als kolendrager gedelegeerd moest worden. De hoerwaarden moesten een eed afleggen en kregen meer plichten opgelegd dan andere burgers. Tegenover deze gevaarlijke en dure plichten stonden weinig rechten. In niet één Duitse stad kon de waard burger worden, dus burgerrechten verwerven.

In het Duitse Wuerzburg leidde de eis dat de hoerenwaard een paard voor de (mannen van de) bisschop beschikbaar moest houden tot een conflict. Waard Hans Beck (1496) protesteerde in 1496 tegen de hoge kosten van het paard. De stadsraad vroeg de bisschop herhaaldelijk van die eis af te zien. De nieuwe vrouwenwaard Jacob van Lutzenburg wist deze regel te veranderen in het betalen van een bedrag. (Schuster, 1992)

Ten tijde van de reformatie nam de tolerantie van prostitutie af. In de zuidelijke landen hield de gereguleerde prostitutie het langst stand. Maar de regulering kon niet voorkomen dat de illegale sector een enorme vlucht nam.

Sietske Altink

Bronnen

[i]
Augustinus (354-430):
‘Laat de hoeren uit de menselijke aangelegenheden en gij zult alles in verwarring brengen”
Thomas van Aquino (1225-1274)
‘Verwijder hoeren uit de wereld en daardoor zult gij die met sodomie vervullen.’ (in een aan hem toegeschreven geschrift)