Of een maatschappij prostitutie nu verbood of juist reguleerde, het fenomeen  mensenhandel werd vaak apart en strenger dan (illegale) prostitutie bestraft. Keizer Justinianus (waarschijnlijk 527-565) verbood het in de volgende termen:

‘Ons is te ore gekomen dat veel van onze onderdanen, aangezien ze de inkomsten van prostitutie te gering vinden door het hele rijk reizen en profijt trekken uit de armoede en onervarenheid van jonge meisjes, door ze te verleiden met beloften van mooie kleren en vergelijkbare zaken, ze vervolgens in huizen op te sluiten, ze een contract laten tekenen waarin staat dat ze in een bordeel zolang de eigenaar het goeddunkt, moeten verblijven, dat deze behoeftige vrouwen slecht gekleed en gevoed worden, van hun vrijheid beroofd worden en zich moeten prostitueren met iedere klant, zonder dat ze onderscheid mogen maken. Pooiers pakken al hun geld af. Deze handelaren hebben in hun sluwheid zekerheid ingebouwd, waardoor mensen die ze vrij willen kopen, hoge bedragen moeten betalen.’

De koppelaar. J. Vermeer

De koppelaar. J. Vermeer

De middeleeuwse steden die het Romeinse recht in hun lokale verordeningen lieten doorklinken namen dit over. De klassieke vrouwenhandel/mensenhandel praktijk, zoals bedoeld door Justinianus werd bijvoorbeeld ‘Gheertruut van Floers’ aangewreven omdat zij ‘vrouwenaems ofte deernen uter stat voerde in enighen andren landen ofte steden om zonden te doen met horen live’. (Berents, 1976)

De termen mensenhandel of vrouwenhandel bestonden toen echter nog niet. Het was strafbaar als ‘koppelarij of gelegenheid geven en er financieel voordeel uit halen’. Een bordeel houden viel officieel ook onder koppelarij, maar werd in de late middeleeuwen vrijwel overal in Europa getolereerd. In het Engelse taalgebied werd het ‘procuring’ genoemd. ‘Procuring’ en bordeelhouden werden vaak met elkaar in verband gebracht maar waren bijvoorbeeld in de dertiende eeuw onderhevig aan heel verschillende wetgeving. (Otis, 1985) [I]Nog steeds worden al deze elementen genoemd in Wikipedia als onderdeel van ‘procuring’. Om het nog ingewikkelder te maken viel het bij elkaar brengen van mensen die geen ‘vleselijke conversatie’ (seksueel contact) met elkaar mochten hebben, zoals priesters en vrouwen en joden en prostituees, ook onder koppelarij. Tevens zorgden koppelaars ervoor dat mensen die niet met elkaar mochten trouwen elkaar konden treffen. Vooral wanneer koppelaars in een huwelijk gingen stoken of onbezoedelde dochters verleidden, werden ze zwaar gestraft. (Schuster, 1992) Dit lijkt de laatmiddeleeuwse versie te zijn van de onduidelijkheid die inmiddels eeuwenlang om de term mensenhandel of vrouwenhandel hangt.

Koppelaarster met kenmerkende hoed

Koppelaarster met kenmerkende hoed

Koppelaars voorzagen ook de illegale bordelen van vrouwen en hielden er soms praktijken op na die wij nu mensenhandel zouden noemen. Vaak waren die koppelaars vrouwen. Ze hadden meestal een beroep ernaast. Dat blijkt bijvoorbeeld uit hun namen: Bate de Uutdraghester en Goedekiin de Appelcoopster. Dat andere beroep maakte het gemakkelijk om contacten te leggen. (Berents, 1976). Deze vrouwen werden vrijwel altijd afgebeeld als lelijke oude vrouwen, een soort heksen. Buiten de Lage Landen werden zij vaak – net als prostituees- gedwongen in achterbuurten te gaan wonen en bepaalde kentekenen te dragen.  [II]Dit gaat nog niet over de tijd van de grootscheepse heksenvervolgingen. Als ze het waagden jonge maagden in te palmen, werden ze hard aangepakt, over het algemeen harder dan mannen die hetzelfde delict pleegden.

De stad Amsterdam dreigde souteneurs levend te begraven. In Den Briel zouden ze de galg krijgen. In Dordrecht moesten ze met het zwaard berecht worden. In Haarlem werden ze vogelvrij verklaard. Maar die zware straffen werden zelden uitgevoerd.

In Amsterdam kregen koppelaarsters en ‘gemeene’ (ontuchtige) vrouwen die onschuldige vrouwen en kinderen verleidden na een waarschuwing een geldboete. Net als in andere middeleeuwse steden vond men het later belangrijker om ze schandstraffen te geven. Zo werden ze te schande gemaakt tijdens een rondgang door de stad met een zware steen en ketting om de nek. Daarna konden ze alsnog verbannen worden. (Slobbe, 1937)

Iets vergelijkbaars was het geval in Brugge. Aldaar trad de schout tot ver in de 15de eeuw alleen tegen koppelarij op als het slachtoffer een jong meisje was. In 1467 gaf schout Clais Fierins een bescheiden straf toen bordeelhoudster Bleke Perone een 12-13 jarig meisje had misleid en tot prostitutie had gedwongen. Het meisje was van goeden huize. Vijftien jaar later had Cornille Thieri met actieve medewerking van bordeelhoudster Dove Nele een 15 jarige maagd verkracht. Maar vooral haar klant werd bestraft. (Dupont, 1996)

Tot 1480 stond op het misleiden van minderjarige meisjes nog een geldboete. Daarna paste men – net als in het noorden- schandstraffen toe zoals steen dragen. De reden van de veroordeling werd in het geval van een vrouwelijke koppelaarster op haar voorhoofd geschreven.

In het Proosse in Brugge, een bekende bordelenbuurt, werd tijdens de ‘doorgaande waarheid’ (een soort openbare hoorzitting voor het volk met het gerecht) bordeelhoudster Jhane, weduwe van Clement Happe schuldig bevonden aan maagdenverleiding. Jhane Happe werd veroordeeld tot verbanning  (Dupont, 1996)

Georganiseerde vrouwenhandel was aan het eind van de vijftiende eeuw een realiteit. De verhandelde vrouwen waren bestemd voor de stedelijke bordelen. Bleke Perone (1467), Dove Nele (1485) en Pierone van der Heyde (1511) bleken herhaaldelijk meisjes en gehuwde vrouwen naar het bordeel in Brugge te hebben gelokt. Bleke Perone moest haar in bordeel in de Witte Louwerstraat steeds van vrouwen voorzien door ze ‘met smekende woorden en bedrieglijke beloften’ in zonde te brengen. Het was vooral een probleem als het een meisje uit een gegoede familie betrof. De gehuwde vrouw Pierone, vrouw van Lieven van der Heyde, had getracht een ‘goeder lieden kind’ met geschenken ‘te vertweefelen’. Dove Nele zou hardvochtig de maagdelijkheid van een jong meisje aan de meest biedende hebben verkocht.

Heel vaak was de eigen moeder de vrouwenhandelaar. In 1481 werden Schotse Bette en Lysbeth Moreels daarvan beschuldigd. De slachtoffers deden meestal geen aangifte. Een enkele keer handelde de moeder niet uit hebzucht maar uit pure wanhoop. Een Spaanse edelman beschreef hoe nadat de pest had toegeslagen een vrouw die nauwelijks meer te eten had, hem haar dochter aanbood. Hij gaf haar wat geld maar ging niet op het aanbod in.  (Dupont, 1996)

Degenen die onder de een of andere vorm van dwang werkten, moesten voltijds in het bordeel aan de slag. De vrouwen die in de illegale prostitutie actief waren konden gemakkelijker de boel de boel laten en het werk weer oppakken wanneer ze wilden.

Pooiers

Wat wij pooiers zouden noemen was toen ook een bekend verschijnsel. In Nederland heetten zij poytiers. Een poytier (puteur) of ruffiaan was strafbaar. Zo werd Jan van der Goude gestraft omdat hij een ‘licht wiif gecoft  hadde’. De rechtsboeken bevatten veel namen van putiers die hadden gewillekeurd (dat wil zeggen aan het gerecht hadden beloofd) dat ze het nooit meer zouden doen, en dat als ze het wel deden,  bereid waren hun leven te geven. Officieel was de straf 100 jaar verbanning, maar in de praktijk was dat 3 tot 5 jaar.

In Duitsland stonden pooiers en ‘Lotterbuben’ (luiwammessen) al in de 14de eeuw ongunstig bekend. In 1306 mochten ze de stad Regensburg niet in. In de stad Speyer werd in 1383 bepaald dat herbergiers en koks ruffianen niet als klant mochten toelaten. (Schuster, 1992)

Soms was zo’n ruffiaan ook de geliefde van de prostituee. In bijvoorbeeld sommige streken in Duitsland was het voor de vrouwen in de officiële stadsbordelen verboden om er een persoonlijke minnaar op na te houden.

Schuldslavernij

In de wetgeving van Justinianus zien we dat -wat wij nu schuldslavernij zouden noemen- ook onderdeel is van dit ‘koppelen’. Dit betekende dat de vrouwen moesten werken om allerlei ‘fictieve’ schulden af te betalen. ‘Kleding’  speelde daarin een sleutelrol. De vrouwen die in 1471 in de Duitse stad Noerdlingen gingen werken moesten bij aankomst in het vrouwenhuis hun kleren afgeven die aan een joodse spullenbaas werden verkocht. De vrouwen kregen slechts de meest noodzakelijke kledingstukken.Zelfs een onderhemd kreeg ze niet. Bij feesten, als ze bijvoorbeeld naar een bruiloft gingen, moesten ze tegen een bepaald bedrag een rok lenen. De waarden werden boos wanneer klanten de vrouwen kleding schonken. In Ulm kreeg een vrouw bijvoorbeeld een mooie doek van een klant. De klant werd daarop de toegang tot het huis ontzegd.

De deernen dienden eten, kleding en andere levensbehoeften tegen veel te hoge prijzen van de waard af te nemen. In de laat middeleeuwse verordeningen waren dit soort praktijken vaak expliciet verboden. Officieel mochten de vrouwen geen schulden hebben aan de waard, maar die overtrad die regel vaak. Zo had de Duitse prostituee Anna von Ulm een zaak tegen de bordeelhouder die deze verboden overtrad. Haar zaak speelde in Noerdlingen. In haar stad van herkomst, Ulm, was de situatie in 1510 als volgt:

Alleen als een vrouw kon aantonen dat zij slachtoffer was van het misdrijf dat wij mensenhandel zouden noemen, kon zij vrijelijk het huis verlaten. Anderen moesten volgens de regels van de stad een afkoopsom betalen. De stad wilde namelijk geen onderbezetting van het bordeel en een te groot verloop onder de vrouwen riskeren. Deze regel werd echter twee jaar later verzacht.

Een vergelijkbare dubbelzinnige situatie heerste in de stad Augsburg. In 1428 stond deze stad de aankoop van vrouwen uit andere bordelen toe. De vrouwen moesten daar ook heel veel voor wijn betalen en een hemd van twee gulden moest zes gulden kosten. Maar in 1488 was de prostituee in de praktijk bij betaling van een klein bedrag van alle schulden aan de officiële bordeelhouder af. En als de vrouwen dat geld niet hadden, betaalde de stad de schulden. De stad schonk teens kleren aan vrouwen die uit het vrouwenhuis waren ontsnapt. Ook in Konstanz bestond tussen 1504 en 1505 de regel dat hoe hoog de schulden ook waren, de vrouw ze met een gering bedrag kon aflossen. (Schuster, 1992).

Niettemin verhinderden die schulden de vrouwen om het huis te verlaten. In de praktijk bepaalde de waard wanneer een vrouw voldoende van haar schuld had betaald en dus het bordeel mocht verlaten. Clas Dress bijvoorbeeld die in 1518 met een vrouw uit het vrouwenhuis wou trouwen moest daar flink voor dokken.  In 1466 vluchtte Barbara van Werdenburg in Konstanz een kerk in, waar ze met geweld door de waard uit werd gehaald. Er was één uitzonderlijk geval in Duitsland. Dat speelde in Noerdlingen in 1471 toen Els van Eystett een abortus wou ondergaan. De waard en zijn vrouw probeerden haar te bewegen de stad te verlaten. (Schuster, 1992)

 

Sietske Altink

Nadere informatie over gebruikte bronnen

 

 

Noten   [ + ]

I. Nog steeds worden al deze elementen genoemd in Wikipedia als onderdeel van ‘procuring’.
II. Dit gaat nog niet over de tijd van de grootscheepse heksenvervolgingen.