Het stigma op prostitutie straalt af op allen die met sekswerker  te maken hebben. Zo vormen sekswerkers de enige beroepsgroep waarbij de man als afgeleide van de vrouw wordt gezien. In alle andere gevallen is het andersom en heet de vrouw doktersvrouw, domineesvrouw of First Lady. De partner van een sekswerker wordt echter in denigrerende termen beschreven. Hij – men denkt dat het alleen om mannen gaat- is lui, afkerig van werk, kleedt zich ordinair en vertoont opzichtig consumentengedrag. Dit zijn echo’s van dezelfde vooroordelen die ten aanzien van de sekswerker leven. Zij is niet geschikt voor een ‘gewone’ baan, kleedt zich ordinair en vertoont een grote hang naar luxe.
In sommige landen zijn familie en partners nog steeds strafbaar als ze van de inkomsten van prostituees profiteren. Deze wetten zijn bedoeld als bescherming van sekswerkers, maar keren zich in de praktijk tegen hen. Ze bemoeilijken namelijk de relaties van sekswerkers met anderen. Uit Engeland komen bijvoorbeeld verhalen over ouders en kinderen die geen cadeautjes, zelfs niet een kop thee van een sekswerker mogen aannemen zonder van pooiergedrag beschuldigd te worden.
Een meewerkende partner die zakelijke adviezen geeft, is bij andere kleine bedrijven normaal en geaccepteerd, maar is in het geval van prostitutie al verdacht. Als een mannelijke partner een vrouw bijvoorbeeld stimuleert om voor een hoge omzet onder slechte omstandigheden te werken of veel uren te maken, is er al dwang in het spel. Dit maakt de grens tussen samenwerking en zachte dwang tot prostitutie flinterdun.
Na de wetswijziging van 2000 is het in Nederland alleen strafbaar geworden om door middel van dwang en geweld als derde partij inkomsten van sekswerkers te verkrijgen. Overigens doen sekswerkers die (seksueel) mishandeld worden, net als hun lotgenoten die niet in de prostitutie zitten, zelden aangifte tegen hun partner. Een aangifte betekent immers een breuk met degene die de vrouw het meest nabij staat.

Terminologie en geschiedenis

Straf voor koppelaars en prostituee in Frankrijk: onderdompeling tot hoed van suiker is gesmolten

Straf voor koppelaars en prostituees in Frankrijk: onderdompeling tot hoed van suiker is gesmolten

In ieder tijdvak heerst er, afhankelijk van de visie op seksualiteit en prostitutie een bepaald beeld van de pooier. De vraag, wat nu precies een pooier is, is daarom niet zo eenvoudig te beantwoorden. Over één punt zijn alle auteurs het echter eens is: een pooier trekt voordeel uit het sekswerk van een ander. Tegenwoordig associëren we pooiers ook met uitbuiting en geweld, maar dit is niet altijd zo geweest. Behalve in de huidige betekenis van (gewelddadige uitbuiter) van sekswerkers zien we de pooier ook opduiken als koppelaar tussen klant en sekswerker of als organisator van prostitutie.

Het woord pooier komt pas in 1901 voor het eerst in een tekst van Justus van Maurik voor in de betekenis van iemand die voordeel trekt uit de prostitutie van een ander. Het gaat om een geschrift met de titel Toen ik nog jong was. Van Maurik beschrijft het pooierschap als een verachtelijk beroep van een man die het geld van blanke slavinnen verbrast die hij gruwelijk mishandelt. Het  woord ‘pooien’ zou afkomstig zijn uit zigeunertaal waarin het ‘zuipen’ betekent. Een andere mogelijkheid is dat het een verbastering is van het middeleeuwse: poytiers of puthiers.

Pooiers avant la lettre

De koppelaarster, Heinrich Vogtherr de Jongere

De koppelaarster, Heinrich Vogtherr de Jongere

In de meeste steden in het middeleeuwse Europa werd prostitutie (ofwel hoererij) geaccepteerd mits het onder streng toezicht plaatsvond. Het beheer van de bordelen –ook wel vrouwenhuizen genoemd-  was in handen van de dienaar van de schout die tevens de belastingen inde. Een koppelaar leverde de vrouwen, door ze bijvoorbeeld uit families of uit andere bordelen weg te kopen. De deernen zaten bijvoorbeeld ‘opgehokt’ in Duitsland en mochten er geen minnaar op na houden. In veel landen werden ze daarvoor geslagen, of zelfs de neus en de oren afgesneden. Men dacht dat de aanwezigheid van een ‘Lieber Mann’ zoals het in Duits heette de vrouw op het idee zou brengen te huwen en voor zichzelf te beginnen.

Het lukte echter niet alle prostituees in de bordelen in te kwartieren. De vrouwen die in de geheime prostitutie werkten, hadden behoefte aan de steun van een souteneur. Over het algemeen waren dat afgedankte soldaten en verlopen geestelijken die de sekswerkers op hun zwerftochten vergezelden. Uit angst voor vervolging en bestraffing bleven zij niet lang op één plek. Mogelijk ligt hierin de verklaring voor het feit dat souteneurs als landlopers strafbaar waren. (Bloch, 1912)

Naarmate de reformatie vorderde werden de straffen op hoererij steeds strenger. Souteneurs zouden in Amsterdam levend worden begraven. In Den Briel zouden ze worden veroordeeld tot de galg. In Dordrecht moesten ze met het zwaard berecht worden. In Haarlem werden ze vogelvrij verklaard. In Toulouse werden hoeren en hoerenwaardinnen in een kooi gestopt en ondergedompeld tot de hoed van suiker die ze op hun hoofd hadden was gesmolten. Die straffen werden echter niet altijd opgelegd in de praktijk.

In Nederland werd prostitutie tijdens de reformatie ofwel de Alteratie – zoals het in Amsterdam heette- verboden. Maar al spoedig bleek dat een koopmansstad als Amsterdam, met de vele bezoekers, niet zonder prostitutie kon, althans dat stond te lezen in een keur uit, een soort bestuursmaatregel uit 1413. Op veel plaatsen waren er hoerhuizen, stille knippen (geheime bordelen) en speelhuizen te vinden. De overheid ging toen over op het gedogen van hoererij op aangewezen plekken. Hoe het er in de zeventiende eeuw aan toeging, kunnen we lezen in een curieus boekwerk: (1681) Amsterdamsch Hoerdom, Behelzende de listen, daar zig de Hoeren en Hoere-waardinnen van bedienen, benevens dezelve manier van leven, Politique Streeken en in ’t algemeen alles ’t geen bij deze Juffers in gebruik is.

Amsterdam was toen een belangrijke stad voor prostitutie, maar den Haag had ook een functie, en wel als plek voor de wat duurdere prostitutie. In den Haag  hadden  beschermers veel macht over de vrouwen die in het Haagse Bos tippelden. (Van de Pol, 1996) De vrouwen werden (in Amsterdam) soms ondersteund door zogeheten kocchels of pollen, die er discreet voor zorgden dat een klant ‘zijn gelag’ betaalde. Deze kocchels bleven vaak op de achtergrond en konden hun invloed op de werkvloer niet echt doen gelden. Het was namelijk bijvoorbeeld in Amsterdam een regel dat zolang er een echtgenoot of partner in het hoerhuis aanwezig was, de vrouw geen omgang met andere mannen mocht hebben. De hoerenwaardin controleerde de vrouwen. De hoerwaard verzorgde slechts de dranken, maar de hoerwaardin deed het eigenlijke regelwerk. Dat kwam omdat het bestieren van zo’n huis als typisch vrouwenwerk werd gezien. Overigens zijn er gevallen bekend dat zo’n hoerwaardin anderen tot prostitutie dwong. De vrouwen waren ook niet vrij: ze hadden vaak grote schulden voor de kleding.

Hoewel de bordelen in de achttiende eeuw groter werden en mannen steeds vaker de bordelen gingen exploiteren, bleven vrouwen belangrijke organisatoren van de prostitutie. Dat veranderde

turksche-mamaDe bordeelhouders waren in de negentiende eeuw bijvoorbeeld in Amsterrdam  voornamelijk mannen, maar leunden sterk op vrouwen. Een berucht voorbeeld aan het eind van de negentiende eeuw was Van Os in Amsterdam. In zijn bordeel werden Franse meisjes onder misleiding aan het werk gezet. Hij maakte ook vaak gebruik van de diensten van Turksche Mama, een zogenaamde besteedster, de toenmalige variant van de koppelaar. Zij ving meisjes die in de stad aankwamen op. Ze liet ze grote schulden maken voor bijvoorbeeld een japon, wat ze presenteerde als een vereiste om een goed inkomen te verwerven.

Dergelijke praktijken leidden mede tot het einde van de gereglementeerde bordelen. In 1911 werd het bordeelverbod afgekondigd; de organisatie van de prostitutie werd verboden. De prostitutie ging ondergronds, en pooiers gingen weer een grote rol spelen. Dit ging nogal eens gepaard met andere vormen van criminaliteit. De journalist Van Dijkhuizen (1926) beschrijft bijvoorbeeld hoe in de jaren twintig georganiseerde groepen pooiers prostituees dwongen hun klanten te beroven. Ook Groothuyse (1993) schrijft dat sommige pooiers hun vrouwen verboden vaste klanten te nemen omdat het hun belangrijkste taak was hoerenlopers te bestelen.

Lees verder over de twintigste eeuw.

Bronnen

Sietske Altink