‘Is het niet beter het bordeelverbod van 1911 ongedaan te maken’, zo vraagt de sociaal bewogen journalist Herman van Dijkhuizen zich in 1925  af in een juweeltje van onderzoeksjournalistiek:  Rotterdamsche Roofholen en hun Bewoners dat hij schreef voor het socialistische dagblad Voorwaarts. De prostitutie was namelijk na het instellen van het bordeelverbod onder de wet Regout niet verdwenen, maar had criminele vormen aangenomen.

Omslag

Omslag

Naar aanleiding van de vele krantenberichten over berovingen in vooral de Tweede Lombardstraat in Rotterdam, ging Van Dijkhuizen op onderzoek uit. Hij had al ontdekt dat deze straat zich in een buurt bevond waar meer dan tien publieke huizen en roofholen (klappers) waren gevestigd.

Een klapper ontstond als volgt: een paar mannen palmden verhuurders van vervallen pakhuizen en zieltogende winkeltjes in en huurden de panden. Ze kwamen weldra met een rol behang. Zo werden deuren die niet gezien mochten worden bedekt met een behangetje. Vervolgens werden er mannen heen gelokt die daar beroofd werden.

De boevenbendes waren vooral actief op marktdagen. De pooiers spraken een man aan op een moment dat een ‘aardig meisje’ heel toevallig passeerde. Zo’n souteneur vertelde de niets vermoedende marktbezoeker dat het aardige meisje zijn nichtje was. Hij legde het contact en vervolgens gingen ze met zijn drieën iets drinken. De souteneur ontdekte na enige tijd dat hij plotseling weg moest en vroeg het slachtoffer in spé het meisje even thuis te brengen –  lees –  haar naar de klapper te vergezellen. Het slachtoffer ging mee naar binnen, nauwlettend in de gaten gehouden door de criminelen. De bezoeker wist niet beter of hij bevond zich in een kleine kamer. De andere ruimte achter het behang kon hij niet zien. Hij besefte niet dat  daar lieden zaten die via een gat in het behang in zijn jaszakken konden komen. Bij het weggaan merkte hij dat zijn portefeuille weg was. Hij kon niet aantonen dat de vrouw de portefeuille had gejat, want zij was niet uit het zicht geweest.

Dit soort praktijken kwamen niet alleen in de tot klappers omgebouwde pakhuizen voor maar ook in de gewone bordelen, die overigens ten gevolge van de wet Regout illegaal waren. Voor de politie was dit moeilijk aan te pakken, want zodra de interesse van de politie was gewekt, verkaste men. De politie gaf hoog op van het zogeheten ‘verdrijvingssysteem’, waarbij de ongewenste sujetten uit de woning of de buurt werden verdreven. In de praktijk betekende dit echter dat het probleem alleen maar werd verplaatst.

Van Dijkhuizen legde een deel van het probleem bij de eigenaren van krotwoningen en pakhuizen die werden verleid door de hoge huren die de souteneurs hun boden. Hij tekende ook een verhaal op uit de mond van een ‘onschuldige’ huisbaas.

Hij woonde op stand in de Jonker Fransstraat en bood een leegstaand bovenhuis te huur aan. Twee keurige heren, waaronder een leerhandelaar uit Den Haag kwamen per auto zich als huurder melden. Als referentie gaven ze een andere ‘keurige’ heer op die, zoals achteraf bleek, ook in het complot zat. Bij toeval zag echter de politie de twee ‘keurige heren’ het pand binnengaan die ze niet als ‘keurig’ kenden en nam contact op met de eigenaar. De verhuur was meteen van de baan.

De Tweede Lombardstraat

De Tweede Lombardstraat

De sekswerkers waren volgens Van Dijkhuizen vooral als ‘slavinnen van dergelijke meedoogenloze sujetten’ bij die berovingen betrokken. Veel van deze vrouwen waren immers door bedrog van mannen in het ‘leven’ gekomen. Niet zelden werden ze door de souteneur tot medeplichtigheid gedwongen. Dat bleek voor Van Dijkhuizen uit het feit dat ze vaak door een bezwarende verklaring af te leggen meewerkten aan het ‘opgaan’ van de man in ‘de pooiergevangenis in Veenhuizen‘. Niettemin voerden sommige vrouwen zelfstandig de berovingen uit. Maar over het geheel genomen streken de souteneurs het leeuwendeel van de winst van deze rooftochten op.

Van Dijkhuizen stelde de huisbazen ook verantwoordelijk voor een andere misstand. Rotterdamse publieke vrouwen woonden namelijk op kamers waarvoor ze veel te hoge huren moesten betalen. Ze zaten er ook min of meer gevangen. Hij kwam daar terecht toen hij een vrouw in de buurt van de Meent vroeg of hij met naar haar kamer in een steegje meemocht. Bij het huis aangekomen sprak het meisje kort met een man en nam de schrijver mee een verrotte trap op naar een schamel gemeubileerd en stinkend kamertje. In dit hok van twee bij twee meter waar alleen ruimte was voor een tafeltje en waar een fonteintje met een kraan de enige voorziening was, werkten twee meisjes. Op de bedstede lagen vodden. Het was afgetimmerd met een dun houten wandje.

Wanneer ze een klant hadden, moesten ze dat bij de eigenaar melden want hij ving geld voor iedere transactie. Wanneer hij inschatte dat een klant maar een gulden voor tien minuten ging betalen, mocht  de vrouw hem niet langer dan die tien minuten binnen houden. De eigenaar hield het op zijn horloge bij. Wanneer de tien minuten om waren liet hij een gewicht tegen de deur knallen. Voor iedere vijf minuten langer moest de vrouw vijftig cent boete betalen. Als de vrouw zich na het signaal niet snel genoeg meldde moest ze hem ook extra betalen. Ze diende hem ook altijd vijftig cent vooruit te geven. Voor een heer met een dikke winterjas, een rijke klant dus, moest de vrouw al bij voorbaat extra dokken. Een man met bontjas werd al geacht minimaal 2, 50 te gaan betalen, waarvan 1,50 voor de kamerhuur afging. Heel vaak kon de vrouw haar klant niet binnen tien minuten bedienen, zodat ze zelf moest bijpassen. Zij verdiende dan niets omdat de klant niet voor de extra tijd had betaald. Om maar iets te kunnen verdienen moest de vrouw wel gaan stelen.

Bij een tweede vrouw kreeg de schrijver ook verhalen over grove uitbuiting  te horen. In dat huis moesten de vrouwen de baas om verlof vragen als ze de straat uit wilden lopen. Gingen ze de stad uit, dan bedroeg de boete tot tien gulden per dag. Iedere vrije dag  moest vooruit worden betaald. De vrouw met wie hij sprak was mishandeld door de eigenaar. De vrouw was  gestraft omdat ze de boete van 10 gulden per dag voor afwezigheid niet wilde of kon betalen. En ze was wel vier dagen weg geweest! Zij had aangifte gedaan. Maar niemand durfde te getuigen. Uiteindelijk kwam het tot een rechtszaak waarin de eigenaar werd veroordeeld. Toen hij weer vrij was, zette hij zijn praktijken gewoon voort. Van Dijkhuizen maakt ook melding van seksueel misbruik van de vrouwen door de eigenaar.

Schuldslavernij

Van Dijkhuizen spoorde in de Lombardstraat een wantoestand op die wij schuldslavernij zouden noemen. Hij vernam bijvoorbeeld dat een vrouw 3 gulden per dag moest betalen. Daar kwam nog vijftig cent per week voor het beddengoed bij. In dat huis woonden 4 a 5 vrouwen, dus de huur leverde per dag ongeveer 12-15 gulden op. Zo’n zelfde woning zou normaal 10 gulden per week moeten opbrengen.

Vrouwen op zoek naar klanten

Vrouwen op zoek naar klanten

De eigenaar deed aan verplichte winkelnering door de vrouwen geld te lenen. Een vrouw vertelde Van Dijkhuizen dat ze naast de weekhuur van 21,50 nog schulden aan de eigenaar moest aflossen. Daarnaast  was zij wekelijks 40 gulden kwijt voor alleen een dak boven haar hoofd. De kosten voor de kapper en het cafébezoek om klanten te ontmoeten, kwamen daar nog bij. Om dit alles te kunnen betalen moest ze per week wel 100 gulden verdienen.

Als de vrouwen de huur niet op het vastgestelde uur konden betalen, moesten ze weer geld lenen, tegen een rente van 50 cent per gulden, dus de helft. Daar kwam nog bij dat de eigenaar flessen drank kwam brengen die de vrouw niet had besteld maar toch moest betalen. Tevens verkocht hij schoenen, pantoffels, ondergoed en handdoeken tegen forse bedragen.  In een gewone  winkel waren die spullen immers alleen tegen contant geld te koop, wat de vrouwen niet hadden, dus lieten ze het maar door de baas op de rekening zetten. En daar werd weer rente over berekend. Bij een conflict over de hoogte van de rekening had de baas altijd gelijk, want bonnetjes kregen ze nooit.

De sekswerkers konden niet ontsnappen. De baas en zijn vrouw, die meerdere panden bezaten hielden hen via handlangers voortdurend in de gaten. Een vrouw vertelde dat haar vijftigjarige collega nooit weg zou kunnen komen met haar hoge huurschulden. Toen de vrouw van de baas bij deze vrouw binnenkwam, had ze net een pan bonen op de kachel staan. Dat wekte de woede van de huurbazin; de huur niet betalen en dan de brutaliteit hebben een pan bonen op de kachel te plaatsen! Een andere vrouw verwoonde drie gulden per dag, maar als ze de huur niet voor vijf uur ’s middags had betaald, moest ze vijf gulden boete betalen.

Degenen die wel goed verdienden werden soms beroofd. Zo hoorde Van Dijkhuizen dat een vrouw het volgende was overkomen. Doordat ze ziek was geworden kon ze op het kantoortje van de verhuurder zoveel jenever krijgen als ze maar wilde. Toen ze haar roes uitsliep haalde de baas en zijn familie haar tasje leeg. Zij vormde overigens een uitzondering, in andere gevallen werden zieke vrouwen gewoon op straat gezet.

Soms gaf de eigenaar een lastige vrouw als dievegge bij de politie aan om haar maar kwijt te zijn. Wanneer de vrouwen zich verzetten, kregen ze ervan langs. Zo’n rebellie was vaak de oorzaak van de vele opstootjes in de straten tussen de Goudsesingel, de Hoogstraat en de Coolsingel.

De Dijk

Prostitutie vond  ook plaats aan de Groenendaal en de Houttuin.  De schrijver werd ook  meegetroond naar een clandestiene nachtkroeg dat een bordeel bleek te zijn. Er zouden ook veel publieke vrouwen in de Schiestraat zitten. De ogenschijnlijke nette arbeiderswoningen aldaar waren  eigendom van een winkelier. De vrouwen betaalden een lage huur maar moesten hoge afdrachten doen en woekerrentes betalen voor huurschulden en investeringen in kleding.  Het fijne ervan kwam hij niet te weten;  hij moest zich onder bedreigingen uit de voeten maken.

De Schiedamse Dijk leek een soort rosse buurt te zijn. Overdag was het er rustig maar ’s avonds gingen de vele cafés en bars open. Volgens Van Dijkhuizen werkten daar vrouwen die hoewel ze onder toezicht van een pooier stonden, in  betere omstandigheden verkeerden dan hun collega’s in bijvoorbeeld de Lombardstraat. Hij knoopte gesprekken aan met de vrouwen in de bars maar moest rekening houden met de aanwezigheid van pooiers, die de vrouwen volgens hem angst inboezemden. Niettemin maakten die souteneurs het volgens hem niet al te bont, uit angst dat de vrouwen wegliepen en de politie gingen inlichten.

Dankzij het feit dat de vrouwen het op een akkoordje met de kroegbazen hadden gegooid, konden ze in de cafés klanten werven. Hoe meer zij met de klant dronken, hoe meer zij kregen. Zowel de bareigenaar als de vrouw had er belang bij dure drankjes te laten bestellen. De vrouwen liepen hier het gevaar drankzuchtig te worden. Volgens Van Dijkhuizen zaten er in de bars veel dienstmeisjes die volgens hem ‘duidelijk’  een geslachtsziekte hadden opgelopen.

Een buitenlander of zeeman kon er op rekenen platzak een bezoek aan de Dijk te beëindigen. Maar op de Dijk vonden er minder berovingen plaats dan elders. Waarschijnlijk waren de souteneurs bang voor de vele politiemannen die daar surveilleerden. Wel kwamen er veel zakkenrollers van de Diergaardekade naar De Dijk om betrokkenen op de hoogte te stellen van waar er in de stad nieuwe klappers waren gekomen. De journalist brengt ook enkele bezoeken aan Katendrecht, dat in zijn ogen gunstig afstak tegen De Dijk en andere plekken waar prostitutie plaats vond.

Meer over de Dijk

Sietske Altink