In de jaren zeventig van de twintigste eeuw herleefde het negentiende- eeuwse luxe bordeel in ‘de seksclub’. Door een grotere welvaart ontstond er in een nieuwe markt: die van de zakenman die een alternatief zocht voor de achterkamertjes waar hij mee naartoe werd genomen na een bezoek aan een bar. (Heuft, 2009)  De clubs richtten zich vooral op die mannen die een zakendeal wilden beklinken. Dit in tegenstelling tot de parenclubs, waar aanvankelijk alleen stellen kwamen.

Het Lido in Rotterdam

Het Lido in Rotterdam

Clubs waren een welvaartsverschijnsel. Hun opkomst paste in de schaalvergroting die de seksindustrie in de jaren zeventig onderging. Ook was er vraag naar seks in combinatie met horeca, met shows en waar seksfilms werden vertoond, met de uitstraling van de klassieke nachtclub. De clubs kregen vaak namen die verwezen naar (internationale) glamour: Mayfair, Lido, Pigalle en Moulin Rouge. Geld om erin te investeren was er ook. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig hadden bepaalde mensen geld uit handel in soft drugs en van goktenten dat nodig moest worden witgewassen. Theo Heuft van Yab Yum kwam bijvoorbeeld uit de gokwereld.

De clubs ontstonden bijna tegelijkertijd in alle grote steden. De oudste club in Rotterdam zou in de Osseweistraat hebben gezeten. Reeds in 1972 werd die gesloten. In de jaren tachtig had ene Leyten zes clubs in Rotterdam. In 1969 begon Jan Bik zijn club in Amsterdam.

Het was nog pionieren. Theo Heuft vertelde in De Tijd over zijn aanvankelijke gebrek aan inzicht op het gebied van inrichting. In het begin had hij op de plaats van de bar een groot bed: ‘Daar wou ik de meisjes dan liggend met de klanten laten converseren, een beetje sexy. Na een half jaar heb ik dat ding gesloopt. Als een meisje naar een klant toe moest, moest ze kruipend over het hele bed heen. Hollandse vrouwen kruipen niet leuk.’  (Theo Heuft in De Tijd, 12 maart 1982)

Filmkeuring als middel om clubs te sluiten

Een extra attractie in de clubs waren de floorshows en de pornovertoningen. De overheid, bijvoorbeeld die in Rotterdam greep die vertoningen aan om de opmars van de clubs te stoppen. Men haalde de bioscoopwet van 1926 van stal waarin stond dat alleen films die eerst aan de filmkeuring waren aangeboden vertoond mochten worden. De exploitanten negeerden dit echter massaal. In zo’n 300 clubs werd illegaal films vertoond en in 100 werden zonder vergunning floorshows gegeven. Exploitanten richtten een actiegroep op en begonnen een proefproces. In 1976 werd de verplichte filmkeuring echter afgeschaft. Naar aanleiding van de rel die ontstond toen Deep Throat in de bioscopen werd vertoond, kwam de toenmalige minister van Justitie, Van Agt met het compromis dat porno vertoond mocht worden in zaaltjes met minder dan vijftig stoelen.

De leegloop bij de ramen

In 1991 vertelde een sekswerker over de tijd van de opkomst van de clubs, die een alternatief leken voor raamprostitutie.

De ramen liepen leeg, mijn collega’s gingen in die clubs werken. Ik denk dat daardoor de meiden ook makkelijker van raam tot raam verkasten. Je zette je af tegen de ene hoerenbazin en je ging naar een ander, die door de opmars van de clubs allang blij waren dat het raam weer was verhuurd. De bordeelhouders gingen ook minder eisen stellen. Er werd nu gewoon huur gerekend en niet het ‘halfje’ (50 procent van de omzet). Het verloop werd groter en daardoor is het wereldje wel meer uit elkaar gevallen. De pooiers kregen minder greep op de situatie. In de clubs stonden pooiers er helemaal buiten.’

Veel vrouwen vonden het werk in clubs aanvankelijk wel aantrekkelijk: beschermd werken in  een (soms)  luxueuze omgeving: ‘een beetje gekleed, je hoefde niet in die korte broekjes te gaan zitten’. (een vrouw in 1987). De gezelligheid met de collega’s onderling was voor sommigen ook een pré. (1987) Helaas verdween die gezelligheid al gauw als de baas zijn handen niet thuis kon houden.

En wat deed die eigenaar, als zijn vrouw weg was, liep hij al die wijven te naaien. Ik kon er niet tegen. Ten eerste liet ik het niet toe. Toen zei hij, je bent preuts. (…) Hij heeft me nooit gedwongen. Maar al die wijven vonden dat wel makkelijk, want hij zei gewoon, joh, dan geef ik je wel een meiertje (100 gulden, SA)  extra af en toe. (Interview 1988, in verband met onderzoek naar hulpzoekgedrag)

Dat gebeurt nu ook nog wel, maar in de jaren tachtig kwam het vaker ter sprake dan na 2000. Wanneer het De Rode Draad ter ore kwam, werd de Vereniging Exploitanten Relaxbedrijven ingeschakeld, die een lid dat zich daaraan schuldig maakte terecht wees.

En niet iedereen vond het prettig lang met klanten te moeten praten, die niet altijd mee mee naar boven gingen.

Ik was er altijd op tegen om als een koe naast een klant te zitten zodat hij overal aan kon zitten. En dan moest ik nog lachen ook. Dat ging er bij mij niet in. Daar heb ik vaak ruzie over gehad met mijn baas. Klanten betaalden zestig of vijftig gulden entree. Voor dat geld kregen ze shows en dranken. Dus dan zeiden ze ik heb die entree al betaald. Maar dat wil niet zeggen dat je van negen tot twaalf uur met een meisje aan de bar kan zitten en hele rare vragen kan stellen.

Daarnaast waren er vaak conflicten met de baas over extra schoonmaakwerk dat de vrouwen gratis moesten verrichten, over de plotselinge-  voor sekswerkers ongunstige-  veranderingen in de percentageregelingen (het aandeel van wat de vrouw krijgt van wat de klant betaalt) en het opnemen van vrije dagen. Ook was de klantenkeuze niet altijd vrij. Voor veel vrouwen was dat een reden om (weer) voor raamprostitutie te kiezen of voor een andere vorm van zelfstandig werken. In de jaren tachtig en negentig vulden de ‘bazen’ de clubs met migranten, die ze vaak gezeglijker vonden.

Een aflopende zaak?

Bord bij club in aanbouw

Bord bij club in aanbouw

De eerste generatie exploitanten heeft inmiddels de leeftijd bereikt dat ze aan pensioen gaan denken. De clubs gaan in dit geval over op zonen en dochters. (Bananas Den Haag, Jan Bik). De seksclubs zijn echter op hun retour. We weten niet precies hoeveel er nog zijn omdat ze altijd samen met de privéhuizen worden geteld. In ieder geval weten we wel dat er in 2000 nog ongeveer 800 clubs en privéhuizen waren. In 2011 waren dat volgens de Vereniging Exploitanten Relaxbedrijven er nog 370.

Klanten raken uitgekeken op het pluche en zijn ook niet meer bereid hun rijbewijs op het spel te zetten door het consumeren van grote hoeveelheden champagne. De Belastingdienst heeft ook eisen gesteld aan de facturering van representatiekosten. Het afboeken van ‘zakendiners’ via fictieve horecabedrijven is ook niet meer zo gemakkelijk. Veel clubs hebben bovendien niet aan innovatie gedaan. Het interieur maakt nogal eens een aftandse indruk: ‘de vloerbedekking tegen het plafond’. En last but not least: de zakenrelaties die moeten worden geëntertaind zijn steeds vaker vrouwen.

Sietske Altink