Het zeventiende – eeuwse Schiedam was een pleisterplaats voor varensgezellen. De straten werden toen bevolkt door soldaten en zeelieden op zoek naar werk en vertier. Dat laatste moet er ruimschoots aanwezig zijn geweest want in de eerste helft van de 17de eeuw waren er in Schiedam 33 herbergen en vele illegale tapperijen. In die periode was de jeneverindustrie in opkomst. Maar ook zeevaart was nog een bron van inkomsten, althans voor de mannen maar in mindere mate voor de vrouwen. Veel echtgenoten van zeelieden kampten namelijk met het probleem dat ze vaak lang op de gage van hun man moesten wachten. Schiedamse mannen waren immers vaak jarenlang van huis. Een kleine groep zeemansvrouwen verviel tot bedelarij maar belandde ook wel in de prostitutie. Annetge Jans uit Schiedam bijvoorbeeld sloop in Hellevoetsluis regelmatig aan boord van oorlogsschepen. Vrouwen waren niet handelingsbekwaam – dus mochten officieel  niet werken-  maar daar waren uitzonderingen op. Zo konden sommige vrouwen een tapperij drijven die op naam van hun man stond.

De Lange Achterweg in Schiedam anno 2016

De Lange Achterweg in Schiedam anno 2016

Die Schiedamse tapperijen waren nogal eens het toneel van vechtpartijen. Vooral bij Maertge Claes was het regelmatig hommeles. Ook bij ‘Aeltge’ achter de Molenstraat was de rust vaak ver te zoeken. Bij haar logeerden veel mannen die van hun reis naar de Oost terug waren gekeerd. Bij volkshoudster (iemand die in ruil voor een voorschot op de gage zeelieden onderdak bood) Teetge Pieters, uitbaatster van herberg Batavia, logeerden veel zeelieden. Het bleef niet altijd bij logeren en drinken; veel tapperijen en herbergen fungeerden tevens als hoerhuizen.

Berucht was het huis van Jannitjen Hubrechts aan de Achterweg. In 1645 had zeesoldaat Bernardt van de Linde dit huis op Tweede Kerstdag met acht maten bezocht. Hij was ’s nachts teruggegaan maar werd door een van de vrouwen ‘begekt’ en sloeg de ruiten in. [i]

Waar op de Achterweg dat bordeel zich bevond, valt niet meer te achterhalen. Volgens Annette de Wit, auteur van het proefschrift waarop dit stukje grotendeels is gebaseerd, moesten er vele steegjes in de buurt zijn. Inmiddels is een groot aantal steegjes verdwenen, maar er zijn er nog een paar overgebleven. We weten ook niet of het een groot of een klein bordeel was. Volgens Lotte van de Pol (1996) waren bordelen in die periode vaak kleinschalige bedoeningen met soms maar één kamer.

Maar een Schiedammer heeft Jannitjen in een andere bron gevonden, dit keer onder de naam Tanneken. Zij was om de een of andere reden  in het Pesthuis een kamer gaan huren.

Deze Robert Hijmans stuurde me het volgende: van de Feijst [ii] schrijft in zijn opus:

HET PEST- OF BLAUWHUIS

Sedert 1571 stond het Pesthuis aan de westzijde van het huidige Spinhuispad.

Reeds in 1600 komt de andere benaming voor, wanneer aan eene Tanneken Hubrechts

van Vervoorden wordt gegund ‘een camerken in des Stedes blauwhuys’. In

margine staat bij de op 16 december door de Weth verleende vergunning aangetekend:

‘Camerken int pesthuys’.

Meer informatie over het Blauwhuis

Met dank aan Annette de Wit en Robert Hijmans

Sietske Altink

 


[i] De Wit, A. (2008), Leven, werken en geloven in zeevarende gemeenschappen, Schiedam, Maassluis en Ter Heijde in de 17de eeuw, proefschrift verschenen bij Aksant, Amsterdam.

 

 

 

[ii] Feyst, G. van, (1975), Geschiedenis van Schiedam, Interbook International, Schiedam