De laatste jaren is er veel aandacht voor mannelijke sekswerkers of payboys, zoals zij zich tegenwoordig wel noemen. Soms komt die aandacht tot uiting in specifieke publicaties over deze groep, maar meestal wordt dit thema ‘meegenomen’ in publicaties over prostitutie (Eysink Smeets, 2007).[i]

Het taboe

In 2010 het enige jongensbordeel in Nederland

In 2010 het enige jongensbordeel in Nederland

Vrijwel alle auteurs die over prostitutie van mannen schrijven, beweren dat hun schatting van aantallen jongensprostituees, een topje van de ijsberg is. Men veronderstelt dat jongensprostitutie ten gevolge van een dubbel taboe- op prostitutie en op homoseksualiteit- een verborgen wereld is. Van Gelder en Van Lier (2011) nuanceren dit echter in hun publicatie. Het internet zou homoseksualiteit meer bespreekbaar hebben gemaakt, ook bij de heteroseksuele mannelijke sekswerkers die zich alleen beroepshalve op homoseksuelen richten. Inderdaad valt op de bovengenoemde internetsites weinig te merken van dit specifieke taboe.

Bij prostitutie van vrouwen benadrukt men het begrip stigma in plaats van taboe. Homoseksualiteit lijkt bij vrouwelijke sekswerkers geen punt van discussie te zijn. Het opvoeren van een lesbisch trio wordt openlijk als mogelijkheid geboden en veel vrouwen schromen niet hun seksuele geaardheid in hun profielen en/of in hun presentatie op de sites van de bedrijven te vermelden.

Omvang

Sinds 1994 (Van Horn) circuleert het getal van 3000 als de geschatte omvang van de mannelijke prostitutie in Nederland. Ook Van Gelder noemt in 1998 dit aantal. Schaapman en Asante herhalen in 2005 het door Sari van der Poel in 1989 geschatte aantal van 1000 mannelijke sekswerkers in de hoofdstad. Het is niet bekend of die cijfers de aantallen op jaarbasis of op dagbasis behelzen. Teneinde een reële schatting van het aantal mannen te maken dat via internet seksuele diensten aanbiedt, moet men profielen analyseren. (Zie jongens op internet)

Definities

Men hanteert bij jongens een ruimere definitie van prostitutie dan dat over het algemeen het geval is bij vrouwenprostitutie. Een informele en mogelijke incidentele vorm van ruilseks wordt bij jongens ook als prostitutie beschouwd, maar bij vrouwen in het algemeen niet. Die ruime definitie van mannenprostitutie uit zich in de typologieën die bijna altijd in onderzoeken naar mannelijke sekswerkers naar voren worden gebracht. Die zijn over het algemeen gebaseerd op die van Van der Poel, (1989) die volgens huidige onderzoekers nog steeds voldoen. (Korf et al, 2009). Van der Poel onderscheidde:

  1. Professionele jongens
  2. Gelegenheidssekswerkers: zij doen het af en toe als een vorm van recreatie
  3. Scharrelaars: jongens die gefaald hebben in andere illegale praktijken, weglopers die het bijvoorbeeld voor een slaapplek doen.
  4. Pseudo’s: jongens die zich voordoen als prostituee om mannen te beroven of af te persen.

Korf  (2009) noemt de pseudo’s niet maar voegt er de categorie slachtoffers aan toe. Zijn versie van gelegenheidsprostituee heet weekendamateur en de categorie scharrelaar vervalt bij hem ten gunste van die van de avonturier.

Leeftijd

Jongensprostitutie rond 1900

Jongensprostitutie rond 1900

Het is opvallend dat alle recente publicaties over jongensprostitutie prominent aandacht schenken aan minderjarige sekswerkers. Schaapman en Asante (2005) beweren dat de helft van de 1000 mannelijke sekswerkers in Amsterdam voor hun zestiende in sekswerk is gestapt. Rafael Beth liet in 2003 via het expertisecentrum Transact weten dat er in Amsterdam 900 minderjarige jongensprostituees werken. Repetur et al. (2011) hebben zich in hun onderzoek alleen op minderjarigen gericht. Van 208 jongens zijn er 49 begonnen toen ze nog minderjarig waren. Twee waren op hun dertiende, drie op hun veertiende, zes op hun vijftiende en 33 tussen de 16-18 toen ze met prostitutie begonnen. Repetur et al (2011) citeren ook Amoc, een welzijnsinstelling voor mannelijke migranten in de prostitutie, waar men heeft geconstateerd dat 49 van 208 jongens voor hun achttiende  in de prostitutie zijn begonnen.

Van Gelder en Van Lier (2011) kunnen dit beeld niet bevestigen. Van de groep die zij hebben onderzocht is 41 procent tussen de 23-29 jaar; 24 procent is tussen de 18 en 22. Zij wijzen er echter wel op dat veel jongens, lang voordat ze daadwerkelijk sekswerker werden, een vorm van ruilseks hebben gekend. In de literatuur is het niet altijd duidelijk of die vroege ervaringen als prostitutie of als misbruik moeten worden geduid. In de literatuur over belastende ervaringen uit het verleden bij vrouwelijke prostituees noemt men dit niet ruilseks, maar seksueel misbruik.

Een van de redenen om te veronderstellen dat er veel minderjarige jongens in de prostitutie werken, is de aanname dat alleen jonge jongens wat kunnen verdienen. ‘Voor de jongen die de 25 is gepasseerd zijn de vooruitzichten mager’, zo schrijven Schaapman en Asante letterlijk. (2005)

Afkomst

In het segment mannen voor mannen zijn de meesten van Nederlandse of Antilliaanse afkomst. (55, resp. 13%). Gelder en Van Lier (2011) stellen het percentage Latino’s op acht procent. Het is ons opgevallen dat de Latino’s op de meeste sites die we hebben bekeken Brazilianen zijn. De Marokkanen maken bij Gelder en van Lier zeven procent van het bestand uit. Dat is betrekkelijk weinig, gezien de ophef die er in 2006 ontstond over de oververtegenwoordiging van Marokkanen op dit gebied. Van 1500 minderjarige sekswerkers (Horn et al, 1994) zou 10 tot 30 procent van Marokkaanse afkomst zijn. Dit percentage was gebaseerd op cijfers uit 1994. Oebele Kooistra is  door Amsterdams Centrum Buitenlanders gevraagdhier een verklaring voor te geven. Hij weet het aan het taboe op seksueel misbruik in de eigen kring en het gebrek aan toezicht van de ouders. Ook hadden ze te kampen met een geringe acceptatie van homoseksualiteit. (Kooistra 2008) De indruk van over-representatie kan ook versterkt worden door het feit dat veel jongens zeggen dat ze Marokkaan zijn- omdat die populair zijn bij klanten- maar dat in feite niet zijn. (Kooistra, 2006, Korf, 2009)

Vooral in Amsterdam werft een kleine groep Roemenen hun klanten niet via internet. In 2012 sprak ik een van hen:

Ik ontmoette in Nederland een paar Roemenen. Zij vertelden me dat er voor Roemenen drie manieren waren om in Amsterdam te kunnen verblijven: bedelen, stelen of de bisnis ingaan. Ik wilde niet gaan stelen en/of bedelen en besloot de bisnis in te gaan. Ik zocht eerst klanten via internet en in bisnisbars. (Daar zijn er een paar van in Amsterdam). Ik adverteerde ook in kranten en later ben ik folders gaan maken. (hij overhandigt me een visitekaartje waarop hij zich aanbiedt als verhuizer, sterke jongen en klusjesman.) De folders stopte ik bij de gratis ansichtkaarten in gaybars of ik plakte ze op mijn fiets. (…) Ik bezocht de klanten meestal thuis, soms ontmoette ik ze in een sauna, soms ook wel in een cabine bij een gay club.

Werkplekken

In tegenstelling tot prostitutie van vrouwen, kwam – afgezien van de escort- homoprostitutie alleen maar voor in de grote of middelgrote steden. Anno 2012 bestaat er nog maar één klassiek jongensbordeel. Voorheen waren er in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag -nog afgezien van de sauna’s -twee tot vijf van deze inrichtingen. Alle auteurs geven aan dat tot ongeveer 2000 jongens in jongensbordelen, in het uitgaanscircuit, op homo-ontmoetingsplaatsen in de buitenlucht en/of op stations te vinden waren. In 1990 en 1991 sprak ik twee van hen.

1991 : Toen ik begon, was dat op het Centraal Station. Daar heb ik een jaar of zes gewerkt. Ik ben al die tijd op het Centraal Station gebleven. Ik heb ook wel eens in den Haag op gewerkt. In Den Haag heb ik het een jaar of twee gedaan. Dat was in het Haagse bos. Dat is vier jaar geleden. Vroeger, in het begin, was het beter hiero, op het Centraal Station. De Haagse Bosjes zijn niet zo prettig, er kwamen vaak jongens, die je rippen of in elkaar slaan omdat ze denken dat je homo bent. Het is me niet overkomen. Maar ik weet dat het gebeurt. Op het station vind ik het prettigst, op het Haagse bos heb je er niets omheen, eer je bij een winkel bent, moet je twee kilometer lopen. Het lijkt me gevaarlijker daar. Waarschijnlijk is dat zo. Zomers ging ik overdag in het Haagse bos werken, tot het een beetje donker werd. Op het station voel ik me wel eens op mijn gemak, maar niet al te veel.

Tweede interview 1990: Dat was om het geld voor de dope. Ik ben nooit zo goed geweest in inbreken en stelen. Ik kwam in contact met mensen die op CS rondlopen, en dan maak je een praatje met die andere jongens, en dan zeggen ze, zullen we even een kerel afrukken en dan heb je twee geeltjes. Dan denk je, dat is gauw verdiend, dan ga je het ook proberen. Het is niet echt, en nu ga ik dat doen, het is meer uitproberen. Ik deed het niet om iemand aan dope te helpen. Dope was de belangrijkste reden om het te gaan doen. De enige reden, zeg maar.

Het oude Centraal Station van Rotterdam, waar vroeger jongens aan de achterkant werkten.

Het oude Centraal Station van Rotterdam, waar vroeger jongens aan de achterkant werkten.

Tot voor een paar jaar geleden werkten jongens ook in de zogenaamde bisnisbars, uitgaansgelegenheden waar ze klanten konden ontmoeten. De meeste bisnisbars waren in Amsterdam, en wel in de buurt van het Rembrandtsplein. (Paardenstraat). Nu is het aantal bisnisbars landelijk nog op één hand te tellen. De jongens zijn niet of nauwelijks meer op de grote stations te vinden en slechts nog een handjevol werkt  – en dan alleen in de zomer- in de buitenlucht. (Van Gelder en Van Lier, 2011 Eysink Smeets telde in 2007 in Amsterdam één escortbureau waar alleen jongens werken. Deze onderzoeker meldt ook dat het aantal zelfstandig werkende escorts explosief is gestegen. Alle onderzoekers, insiders en hulpverleners zijn het met hem eens dat het overgrote deel van sekswerk van mannen via internet verloopt.

Handhaving

Zo streng als vrouwelijke sekswerkers worden gecontroleerd door de politie en de Belastingdienst, zo afwezig zijn die diensten in het segment mannen voor mannen. De Belastingdienst heeft – zo is mij in 2013 verteld- alleen enkele mannelijke raamprostituees en transgenders die achter de ramen werken in het bestand opgenomen. De laatsten worden echter door veel onderzoekers tot de vrouwen gerekend.

In 2012 vertelde een uitbater van een homosauna dat de Belastingdienst door zijn provocerend gedrag afzag van controles.

En toen kwam de belastingdienst. Die vroeg: ‘Waar zitten de hoeren?’ Ik zei ‘nergens’. Na twee dagen kwamen ze weer terug. Er was toen niemand. In december 2007 kwamen ze weer. (…) Toen vroeg de Belastingdienst weer: ‘Waar zitten de hoeren. ‘(…) Maar hier zitten alleen klanten.(…) Ze gingen weg want het was geen haalbare kaart. (…) In de zomer 2008 had een amateurvereniging hier geboekt. (…) Toen stonden er twee kerels voor de deur. Ze stamelden, we zijn van de be be belasting. Ik zei: ‘Kom binnen lekkertjes’. Ze zeiden daarop, we zijn weer vlug weg. Ik zei: ‘Wat jammer’. Het is net hoe je het aanpakt. (NB: Naar mijn weten bezigt de belastingdienst de term ‘hoeren’ niet, maar heeft het altijd over prostituees of sekswerkers. SA).

Tijdens het veldwerk voor het vergelijkend onderzoek naar prostitutiebeleid zijn ook enkele mannelijke sekswerkers gesproken. Een van hen die in een homosauna werkte, zei dat hij nooit had meegemaakt dat de politie kwam controleren. Een andere die vrij openlijk adverteerde met erotische massage was nooit naar zijn vergunning gevraagd. Er is hier dus sprake van een duidelijke gender-bias. Hoe komt dit? Volgens Pheterson (1995) is de rol van mannen in sekswerk anders dan die van vrouwen. Bij vrouwen wordt sekswerk als deel van de persoonlijkheid gezien. Bij mannen is het een (tijdelijk) gedrag, dat alleen aan het licht komt wanneer ze betrapt worden. Dit zou voor zowel sekswerkers als hun klanten opgaan.

Mensenhandel en misstanden

Een paar jaar geleden, toen de jongens nog in georganiseerde vormen van prostitutie zoals clubs en escortbureaus werkten, hadden zij regelmatig te maken met wat wij endemische misstanden noemen. In 1997 klaagden zij bij De Rode Draad dat zij gedwongen werden tot onveilig werken. Ook waren er klachten over seksueel misbruik van jongens door exploitanten en over wurgcontracten bij escortbureaus. (Project Jongensprostitutie, 2000, Rode Draad). Tegenwoordig regelen de jongens hun zaken zelf. Dit betekent voor hen wel een grote tijdsinvestering en lange reistijden. De verdiensten zijn echter niet hoog. Er worden weliswaar hoge bedragen op internet gevraagd maar een contact levert in de praktijk volgens een insider gemiddeld 75 euro op. Uit de publicatie van Repetur et al (2011) blijkt dat veel jongens slechts enkele klanten per week of zelfs per maand hebben.

Volgens Comensha zijn in januari tot juli 2010 27 gevallen van gedwongen prostitutie van mannen/ jongens gemeld. Er wordt ook opvallend vaak onveilige seks op internet aangeboden, bareback zoals dat in het jargon heet. Het druggebruik is relatief hoog in deze kringen en sommige jongens bieden naast seks ook drugs aan. Transgenders en travestieten rapporteren vaker geweldsincidenten door klanten dan vrouwelijke sekswerkers. [I]Janssen 1997,  Latijns Amerikaanse travestieten in de Rotterdamse prostitutie en Bezoeknotities van De Rode Draad In 2010 kwamen er berichten naar buiten (insider, politie) dat vooral Roemeense jongens in het Amsterdamse uitgaanscircuit zich als prostituee uitgeven met als doel de klanten te beroven/ af te persen.

Bronnen

In 1998 voerde De Rode Draad een polemiek met de onderzoeker Paul van Gelder. Klik hier voor de recensie in de BlackLight. Klik voor het antwoord van Paul van Gelder.

 

 

[i] Dit bericht gaat alleen over mannen die seksuele diensten verlenen aan andere mannen.Transgenders, gigolo’s en travestieten komen in een ander bericht aan de orde.

 

Noten   [ + ]

I. Janssen 1997,  Latijns Amerikaanse travestieten in de Rotterdamse prostitutie en Bezoeknotities van De Rode Draad