Na het bombardement van 1940 vestigde het uitgaansleven zich op Katendrecht ofwel De Kaap. Het schiereiland was verboden gebied voor de Duitsers. De toegangswegen en de pont naar Katendrecht werden op de aanwezigheid van Duitsers gecontroleerd. Er prijkte een bordje met de tekst Fuer Wehrmacht verboten. Dat bood allerlei mogelijkheden; de kans dat er vijandige Duitsers kwamen, was immers klein. Zo draaide men tijdens de Duitse bezetting  – door de Duitsers verboden jazzmuziek – in de Belvedère. Ook traden er zwarte jazzmusici op. Wanneer Duitsers ondanks het verbod toch naar De Kaap kwamen werden joodse musici tijdig gewaarschuwd door de zoon van de uitbater, Daniel Troost. Hij fietste snel naar het café om alarm te slaan, waarop men steevast het lied Heimat deine Sterne ten gehore bracht. Katendrecht bleef in de oorlog een soort vrijplaats, – ook voor de enkele Duitser die er clandestien een bezoek bracht. Elders in Rotterdam ging het er echter heel anders aan toe.

Dat had onder meer te maken met het verschijnen van een nieuw personage op het seksuele toneel: de amatrice of

Bordeel in Buchenwald

wel het kantoormeisje of het fabrieksmeisje, dat zich door mannen in uitgaansgelegenheden liet fêteren. We waren haar al tegen gekomen in de Zandstraat en op de Schiedamsedijk. Net als Willem I vonden de Duitsers geslachtsziekten een gevaar voor de gezondheid van het leger. De Duitse bezetter kampte met het probleem van soldaten die door Nederlands vrouwen en meisjes die geen sekswerkers waren werden besmet.

Zo rapporteerde de politie een toename van ontmoetingen van Nederlandse meisjes met Duitse soldaten in portieken.  [I] website RUG, geraadpleegd op 3-11-2015 Ook was er een probleem met ‘moffenmeiden’ in het door de Duitsers bezette Bergwegziekenhuis. [II] Schreve, 1944 in Rotterdams Jaarboekje De politie schreef in een rapport van 1 september 1941 dat Duitse soldaten meisjes in cafés in Rotterdam en Den Haag oppikten en ze naar het spergebied, een gebied verboden voor gewone burgers, bij Hoek van Holland meenamen.  Hoek van Holland was in 1914 bij Rotterdam gevoegd. Ook moest de politie geregeld vrouwen uit De Hoek verwijderen. Zij werden meestal op kosten van hun ouders teruggebracht. Dit waren meestal geen sekswerkers, maar meisjes die de Duitse soldaten spannende partners vonden of verliefd op hen waren geworden. Later zijn deze en andere ‘moffenmeiden’ gestraft met kaalscheren. Ze werden soms harder aangepakt dan de zogeheten ‘moffenhoeren’, want voor beroepsprostituees met Duitse klanten, kon men nog wel enig begrip opbrengen. Die deden het immers om eten te kopen of om een andere dringende reden. En na de bevrijding gingen ze immers net zo gemakkelijk met de Canadezen mee als daarvoor met de Duitsers. [III]Trouw, 4-11-2016

De hoge incidentie van geslachtsziekten bij Duitse soldaten, werd vooral in Nederland een groeiend probleem voor de Duitse legerleiding.  In 1941 kondigde de Rijkscommissaris Seyss Inquart een verordening af om geslachtsziekten tegen te gaan. Voor besmette soldaten gold een Lazarettplicht, (Gedwongen opname) op een speciale geslachtsziekten- en huidenafdeling. Bij een individuele besmette Duitse soldaat moest de Sanitaeter – de gezondheidsbeambte- de politie inlichten. De vrouw werd vervolgens opgespoord, bijvoorbeeld in het café waar de soldaat haar had ontmoet. Daarna werd ze naar de gezondheidsdienst op de Baan gebracht, althans volgens de toenmalige commissaris van de zedenpolitie Lems in een interview met het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie.

Een tweede maatregel waren de grootscheepse razzia’s in ‘verdachte cafés’ die men uitvoerde nadat de groene politie de straat had afgezet. Mannen en vrouwen werden eerst gescheiden. Vervolgens gingen vrouwen die niet in het gezelschap van een verloofde of echtgenoot waren,  in vrachtwagens van de Sicherheitsdienst (SD) naar het ziekenhuis. Op de poli werd een uitstrijkje gemaakt. Vrouwen die besmet bleken te zijn werden in het ziekenhuis opgenomen en geregistreerd. [IV]Fahnenbruck, 2015 De auteur Van Riet interviewde  W.C. Droogers die toen als rechercheur bij de razzia’s was betrokken. Droogers vertelde: ‘De vrouwen lagen op een rij met de benen wijd en dan werd er een monster genomen wat meteen onderzocht werd. Weet je wat die rotmoffen dan deden? Met de vrouwen waarvan ze wisten dat ze niet geslachtsziek waren gingen ze dan mee het nest in.‘ [V]Riet,, 2008De rechercheurs van de zedenpolitie hoefden alleen maar bij de razzia’s aanwezig te zijn. Soms zaten er op één avond wel honderden vrouwen op het bureau. In Rotterdam werden tussen 1942-1944 3341 vrouwen voor controle opgebracht. Tijdens één razzia, waarbij 305 vrouwen werden opgepakt, bleken er echter maar twaalf ziek te zijn. [VI]Fahnenbruck, 2015

De politie kreeg van de Standortsartzt een formulier, voorzien van een groot hakenkruis, waarop stond dat de rechercheurs voor hem werkten. De opgepakte vrouwen zaten meestal niet in het vak. Soms trokken soldaten een wapen opdat hun ‘schatje’ tijdens de razzia’s niet werd meegenomen. Lou de Jong schrijft dat sommige soldaten hun vriendinnen terug haalden.

De kroegen en dancings waar sekswerkers wel kwamen, werden regelmatig gesloten, maar dat hielp niet. Sekswerkers en pooiers boden hun diensten op uitgedeelde visitekaartjes aan. Het aanspreken van klanten op straat kwam nauwelijks meer voor. De Duitsers wilden dat er voorschriften kwamen voor waar sekswerkers mochten wonen. Dat is naar mijn weten nooit doorgezet.  Op 20 september 1941 werden alle bij de zedenpolitie bekende sekswerkers onder toezicht gesteld. Eind december 1941 woonden er volgens de politie officieel nog ruim 100 sekswerkers in Rotterdam. Dat is heel weinig. Het is echter niet ondenkbaar dat de politie het aantal sekswerkers kunstmatig laag hield om ze te beschermen tegen het draconische regime van de Duitsers. In het voorjaar van 1942 werden lijsten van sekswerkers opgeëist. 34 gemeenten overlegden persoonlijke gegevens van ongeveer 1000 vrouwen.

Sekswerkers kregen een controlekaart voor regelmatige keuringen. De hoogste vertegenwoordiger van de SS  Rauter wilde een registratieplicht voor sekswerkers en eiste dat ze hun Ausweis altijd bij zich droegen. Er kwam echter weinig van die registratieplicht terecht. In de herfst van 1943 werden die verordeningen uitgebreid. Sekswerkers mochten zich na besmetting niet meer poliklinisch laten behandelen, maar moesten verplicht worden opgenomen. Degenen die dat zelf niet konden betalen, kregen de ziekenhuiskosten vergoed. De Sicherheits Dienst (SD) kreeg de lijst met hun namen. Na ontslag uit het ziekenhuis maakte de SD een foto van hen en verwerkte hun gegevens in een uitvoerige rapportage. Wanneer een dwangbehandeling om de een of andere reden niet mogelijk was, plaatste men een waarschuwing op de huisdeur.

De besmette vrouwen werden beschuldigd van sabotage. Ze zouden immers door middel van het overdragen van geslachtsziekten het Duitse leger verzwakken. Na een derde besmetting werd de vrouw eerst naar het kamp voor asociale vrouwen gestuurd, te weten de Klencke in Oosterhessen, wat de zedenpolitie soms wist te voorkomen. [VII] website De Klencke In de Klencke moesten ze Duitse soldaten bedienen en op het land ten bate van boeren werken. Het stond onder leiding van een Nederlandse vrouw. Er waren daar 30 plaatsen. Het was er echter al snel vol.

Toen in 1941 de verordeningen van kracht werden was Kamp Vught nog in de maak. Het Frauenlager in Kamp Vught werd pas op acht mei 1943 geopend. [VIII]Historisch Velsen, art. 3384228 Via het Oranjehotel in Scheveningen moesten de prostituees vanaf toen een paar weken of volgens sommige bronnen, maanden of langer naar Kamp Vught. Kamp Vught zou een doorgangskamp zonder gaskamers worden. Maar in alle andere opzichten was het een concentratiekamp: de gevangenen moesten dwangarbeid verrichten, kregen slecht eten en werden anderszins slecht behandeld. Ze werden steeds uitgescholden door de opzichters. De gevangenen moesten een bepaald kostuum dragen en hadden nauwelijks privacy- ze moesten bijvoorbeeld altijd met anderen onder de douche.

Concentratiekamp

Op 31-1-1944 zaten er 735 vrouwen, vooral verzetsstrijders in Kamp Vught. Onder de andere categorieën die er geïnterneerd waren bevonden zich de asocialen: zwarthandelaren en sekswerkers. Joodse vrouwen moesten een gele ster dragen, verzetsvrouwen en communisten een rood merkteken en de asocialen een zwart. Onder de eerste gevangenen bevonden zich circa 70 prostituees uit Rotterdam. Dankzij de dagboeken van andere vrouwelijke gevangenen weten we iets over hen en hun collega’s uit andere steden. In Kamp Vught zetten sommigen hun werkzaamheden voort en deelden het bed met onder andere de aanwezige SS’ers .[IX]Meeuwenoord, 2011, Westerhoff 2008 en Fahnenbruck, 2015 Over het algemeen keken de andere vrouwen op hen neer. Dus behalve het zichtbare zwarte merkteken was er ook nog het onzichtbare stigma. De sekswerkers hadden de bijnaam ‘stoottroepen’. Een van de stoottroepers klaagde tijdens een alcohol geïnduceerde huilbui dat ze toch niet zo slecht was dat ze zo lang moest worden opgesloten! Een van de vrouwen ging haar troosten. Maar de andere vrouwen gniffelden: ‘Ze  denkt dat ze haar moeder mist. Ze heeft niet in de gaten dat de vrouw vol met jenever zit.’ Een ander had een keer de harten gestolen van haar medegevangenen toen ze op een creatieve manier van peuken rokertjes wist te produceren. De sekswerkers slaagden er meestal in de opzichtsters te trotseren. Ze scholden ze uit of negeerden hun bevelen gewoon. Zo vertelt een andere gevangene dat de ‘stoottroepen’ een keer het bevel hadden gekregen twee barakken schoon te maken. Een groepje vrouwen ging een kijkje nemen en zag dat de opzichtster in haar eentje stond te vegen, terwijl het werkcommando (de taakeenheid van sekswerkers) de benen had genomen. Dat wil niet zeggen dat sekswerkers er over het algemeen goed van af kwamen. Sommigen werden vanuit Vught naar Ravensbrueck, het vernietigingskamp voor vrouwen, gebracht.

Terug naar de inhoudsopgave van het boek

Sietske Altink

Klik hier voor de gebruikte bronnen

 

Noten   [ + ]

I. website RUG, geraadpleegd op 3-11-2015
II. Schreve, 1944 in Rotterdams Jaarboekje
III. Trouw, 4-11-2016
IV, VI. Fahnenbruck, 2015
V. Riet,, 2008
VII. website De Klencke
VIII. Historisch Velsen, art. 3384228
IX. Meeuwenoord, 2011, Westerhoff 2008 en Fahnenbruck, 2015