De attestatie over Barber en de slodderige paap

De herbergen in het zeventiende eeuwse Rotterdam boden veelsoortig vertier. Uit de volgende ‘publicatie’ van 24 juli 1663 blijkt dat de toenmalige Rotterdammers nogal flink innamen, wat ontucht bevorderde: ‘Alsoo d’Heeren Schout, Burgermeesteren ende Schepenen der Stads Rotterdam hoe langer hoe meerder in ervaring komen, dat de voorsz. Stadt met ontallijke kelders ende wijnkroegen wert vervult, streckende ‘tselve niet alleen tot debauche  (SA: ontucht) ende ruïne van vele onvermogende luijden die haer gelt ende verstant in de wijn verdrinken, maar oock tot een geheel verval van ’t importante middel (lees belasting) op de bieren geheven werden.  [I]Murray, 1944 p.10 En wijndrinkers benadeelden de stad; het ging ten koste van de belasting die op bier werd geheven.

Hoe het eraan toeging in die herbergen en kroegjes leren ons de zogeheten ‘attestaties’, verklaringen die mensen bij een notaris aflegden en die in een akte werden vastgelegd om eventueel later in een proces gebruikt te kunnen worden. Het ging meestal om een voorval in herbergen zoals dat kort daarna door getuigen en andere belanghebbenden werd beschreven. Het moest zo ‘vers’ mogelijk zijn. [II]Pitlo,A., 1940 ‘Hoererije’ en verwante termen leveren verschillende vermeldingen op. Het leeuwendeel gaat over ordinaire scheldpartijen, die meestal onder invloed van alcohol waren aangericht. Niet zelden eindigden onze voorouders dergelijke slemppartijen met een potje matten. Daarnaast bevatten deze attestaties ook veel roddel en achterklap, waarin vrouwen nogal eens van ‘hoererije’ werden beschuldigd. Dat betrof bijvoorbeeld een echtgenoot die tijdens een ruzie zijn vrouw ‘hoer’ noemde, of een ruzie tussen buurvrouwen. In één geval was het slachtoffer van deze ‘faamroof’ een vrouw die een emmer water op de grond had neergezet. Toevallig kwam iemand met een dorstig paard langs dat tot groot ongenoegen van de vrouw de emmer leegdronk. Ze protesteerde en werd daarop voor hoer uitgescholden.

Het valt voor ons niet meer te achterhalen of die verhalen op waarheid berustten of voortkwamen uit kwaadsprekerij. Vooral die vrouwen die tekenen van besmetting met de Spaensche Pocken  (syfilis) vertoonden kregen het zwaar te verduren. Buitengewoon verdacht waren vrouwen die betrapt werden op het gebruik van ‘sevenboom’ ofwel de juniperus sabina, een plant die nauw verwant is aan de jeneverbes en die als antizwangerschapsmiddel werd gebruikt.

Daarnaast ging het over – al of niet vermeende- overspelige vrouwen. Zo ontving Anna Dircx op dinsdag, wanneer haar man op reis was, steeds een Delftenaar die haar ook nog eens gele zijden kousen had geschonken.

Ten derde werd er gewag gemaakt van vrouwen, die waarschijnlijk elders in de prostitutie hadden gewerkt en om die reden uit hun vorige woonplaats waren verbannen. Bij een vrouw zou nog de sporen van de geseling die zij elders had ondergaan op haar lichaam te zien zijn geweest. Van enkele vrouwen was bekend dat ze door een vader of een broer uit een bordeel waren gehaald.

Ten vierde werden enkele vrouwen beschuldigd die daadwerkelijk in de prostitutie leken te werken.  De vrouwen die in gezelschap van pollen – destijds de benaming voor pooiers-  verkeerden waren ook verdacht. De beschimping ‘openbare hoer’ of ‘allemanshoer’ suggereerde dat zij met meer dan één man grensoverschrijdend gedrag had vertoond. Dit was nog geen ‘harde informatie’ maar het verwijt naar een vrouw toe dat er in haar hoerhuys met ‘sluyphoeren, werd ‘geconverseerd’ lijkt er meer op. (De geslachtsdaad werd toen ‘vleselijke conversatie’ genoemd.) Helemaal bont maakte Tanneke Jans het die onderdak had gekregen bij een oude dame, maar ’s nachts allerlei jongens in huis haalde. En dan was er nog ‘de fameuze Ael’. Ze was zwanger en men had gezien dat ze met pek besmeurd en al een schip verliet. De bootsgezellen hadden haar bedreigd. Ze mocht namelijk niet vertellen wie van de bootsgezellen de vader was. Margriet de Ferte die in hoerhuizen kwam en regelmatig in Delft ging stappen dreigde haar onderkomen te verliezen omdat de hoofdbewoonster haar frequente ‘herenbezoek’ niet meer accepteerde.

Een curieuze getuigenis komt van de paardenkoper Claes Sybrantszoon die in 1636 bij de notaris vertelde over ene Barber, een vrouw die in Frankrijk tegen een zekere Niclaes had gelogen dat haar echtgenoot was overleden. Met behulp van een ‘slodderige oude paep’ was er een ongedateerde (valse) overlijdensacte opgemaakt. Deze zogenaamde weduwe was met hem getrouwd, waardoor zij bigamie pleegde. Barber woonde in Parijs in een ‘fameus’ bordeel met de naam Ville de Plaisance en leefde in ontucht.

Tussen de regels door valt er iets te ontdekken over ‘goede’ en minder ‘goede plekken’ in de stad. Net als in andere steden was de straatnaam ‘Vogelensang’ een aanduiding voor hoerenbuurt, hoewel enkele Rotterdammers een nette ‘alternatieve’ verklaring voor de naam hadden. Ook in Gouda had de Vogelensang in verband met de slechte reputatie een andere naam gekregen. In ieder geval was er vaak gedoe in de Rotterdamse Vogelensang omdat de een de ander ervan beschuldigde een hoerhuis te houden.

Er werden in de attestaties opvallend veel herbergen genoemd. Zo weten we dat het etablissement De Drie Pistooltjes een slechte reputatie had. En de herberg aan de Heerestraat had de naam een ‘hoerhuys’ te zijn. De stad probeerde herbergen uit bepaalde buurten te weren. Zo werd er op 4 augustus 1780 bepaald dat de tuinen aan de Eendragtslaan niet voor een herberg of tapnering mochten worden gebruikt. De herbergen mochten ook niet worden bezocht door ‘geringe volksklasse en voor ‘dergenen die met de tugt strijdige bedrijven uitoefenen’ dus waren ze (officieel) verboden voor prostituees. Soms waren prostituees als dienstbode ingeschreven in een herberg. In een keurige stadsherberg, buiten het Hofpoortje is Clara Jans die daar woonde – en kennelijk redelijk wat geld had- weggestuurd omdat ze als hoer bekend stond. Meerdere mannen hadden verklaard met haar geslapen te hebben. Maar er doken ook verhalen op van vrouwen die niet in het vak zaten, maar wel in de herberg verbleven.

Sietske Altink

Terug naar de inhoudsopgave van het boek

Klik hier voor informatie over de bronnen. Voor dit artikel zijn de attestaties in het Stadsarchief Rotterdam gebruikt.

 

Noten   [ + ]

I. Murray, 1944 p.10
II. Pitlo,A., 1940