Vanaf de late Middeleeuwen proberen overheden sekswerk in de eigen woning te beperken of te verbieden. Dat lukte in het verleden niet goed; vrouwen bleven alleen of in kleine groepjes ruimtes huren omdat ze zelfstandig wilden werken. In veel steden in de Lage Landen werd thuiswerk onder voorwaarden getolereerd, maar later werd het weer verboden.

Toen in de 14de eeuw de prostitutie in Utrecht toenam, besloot de stad het te gaan reguleren. Men bepaalde dat de ‘lichte wiven, te verstaen die dies men om ghelt minnet’ na elf uur ’s avonds geen bezoek meer mochten ontvangen. (Wurf-Bodt, 1988).

In Leiden werd er in 1450 een verbod op thuisprostitutie uitgevaardigd. Dat werd in 1561 herhaald. Gouda beboette thuiswerk in 1468 en onderwierp de thuisprostituee aan ‘verbeterprogramma’s’, die waarschijnlijk verplicht werken in het een of andere gesticht inhielden. Haarlem stelde in 1407 dat thuisprostituees beboet moesten worden en als dat niet hielp moesten ze uit de stad worden verbannen.

Thuiswerk in Amsterdam

In Amsterdam bijvoorbeeld werd thuiswerk toegestaan mits de vrouw geen geestelijken ontving en geen overlast gaven, destijds ‘kijflickheit, by vechtelicheit, by grote rumoir’ genoemd. Het probleem was dat buurvrouwen de ‘stille hoeren’ op oneerbaar gedrag moesten betrappen. Vrouwelijke buurtgenoten bepaalden dus wat wel en wat niet door de beugel kon, wat vaak tot spanningen leidde. Protesteren was namelijk een vrouwenzaak omdat de echtgenoten meestal vaarden en derhalve afwezig waren. (Pol, van de, 1996)

Pijlsteeg in Amsterdam

Pijlsteeg in Amsterdam

Volgens een andere Amsterdamse Keur (een soort verordening) van 1413 mocht een lichte vrouw alleen in de Pijlsteeg en de Halsteeg ‘mit heurselffs lijf werken’, dus als zelfstandige opereren. De Pijlsteeg bestaat nog steeds en de Hallesteeg is de huidige Damstraat. (Groen, 1910). Wanneer de vrouwen weigerden naar de ‘gedoogzone’ te verhuizen, werden ze onder begeleiding van fluitspel en tromgeroffel ‘tot heurder beschaemptheyt’ door andere ‘gemeene’ vrouwen opgehaald en naar genoemde stegen gebracht. Collega’s werden dus ingezet om een spektakel te maken van het op de plaats houden van de prostitutie.

Wanneer een vrouw weigerde mee te gaan verbeurde ze haar bed en tabberd, haar belangrijkste kledingstuk. Ze werd bovendien uit de stad verbannen. (Slobbe, 1937) Deze praktijk bleef tot in de zeventiende eeuw bestaan. Een huis aan een prostituee verhuren werd eind zestiende eeuw bestraft met in beslagname van het huis.

Hoewel het vaker voorkwam in Den Haag, met zijn vele diplomaten en ambassadeurs, blijkt uit confessieboeken dat er ook in Amsterdam ‘gekamerde hoeren’ ofwel maintenees te vinden waren. Soms verliet een vrouw namelijk het hoerhuis om zich te laten mainteneren, of zich door een man te laten ‘lossen’, dat wil zeggen dat hij haar schulden afbetaalde. Als ze ‘gekamerd’ waren, werden ze niet meer als publieke vrouwen beschouwd. Ze werden in dat geval alleen gestraft voor gemeenschap met getrouwde mannen of joden. Sommige ‘kamerkatjes’ ontvingen meer dan ‘één man, vaak aanleiding tot fikse ruzies. Zij waren over het algemeen duur. (Pol, van de, 1996)

Publieke vrouwen zag men als een gevaar, maar deze ‘Kaemerkatjes’, ‘camernumphies’ of ‘stilbehuisde Kippies’ vond men een nog grotere bedreiging. Zij voldeden niet aan het klassieke beeld van de publieke vrouw die ‘openlijk opereerde’ en alle mannen – zonder onderscheid- bediende. Deze vrouwen meden de openbaarheid en waren niet voor Jan en Alleman toegankelijk.

Brugge

De archieven van Brugge zijn uitgebreid bestudeerd door Guy Dupont (1996). Daar stond expliciet in de boeteregisters onder de rubriek ‘quaet pleyt en ribauderie’ dat bepaalde boetes betrekking hadden op ‘cameren’ (prostitutie in eenpersoonswoningen).

Meestal werd slechts één persoon beboet hoewel er in de huisjes meestal twee tot drie zelfstandige prostituees woonden en werkten. De overheid werd echter steeds kritischer ten aanzien van het verhuren van huisjes aan prostituees. Tussen 1468-1469 werd Tanne Aernouds, bijgenaamd Speurs beboet omdat ze de waarschuwingen van de schepenen om haar huis niet langer aan prostituees te verhuren had genegeerd. (Dupont,1996)

Tussen 1469-70 werden de twee bordeeleigenaren Hendrik van den Berghe, van beroep tegeldekker en Hendrik van Pottinghen, bijgenaamd de Poot veroordeeld voor het verhuren van panden tegen exorbitant hoge prijzen. Kennelijk vond de overheid dat ondanks het verbod op thuiswerk, dat prostituees niet mochten worden uitgebuit.

Thuiswerk buiten de Lage Landen

Over andere laatmiddeleeuwse steden is bekend dat er draconische maatregelen werden genomen tegen ‘thuiswerk’. In Londen werden de thuiswerkers net als in Amsterdam onder muzikale begeleiding naar het bordeel teruggebracht met dit verschil dat ze ook nog een gestreepte muts moesten dragen. In 1301 bepaalde de stad York dat een ‘licht wief’ dat van haar huis een bordeel had gemaakt, een dag en een nacht in de gevangenis moest gaan doorbrengen. De baljuw mocht de deur en de dwarsbalk van haar verblijf in beslag nemen. De verhuurder verbeurde één termijn huur.  (Karras, 1996). De prior van The Holy Trinity in Aldgate haalde op een keer de deur en de ramen uit een huis waar prostituees zouden wonen en werken. (1305). Ook de deuren van William Cock in Cock’s Lane moesten het ontgelden. Het was kennelijk een trend om de deuren en de sponningen van de ramen van woningen waar prostituees werkten eruit te halen. Dat gebeurde bijvoorbeeld in Keulen in 1520. Het verwijderde hout werd in de woning van de vrouwen in brand gestoken.

Andere thuiswerkers kregen te maken met een bijna ‘eeuwig’ verschijnsel; ze moesten een naar verhouding veel te hoge huur betalen. Op een huizenlijst uit 1487 in Keulen staan in één straat vele huizen met huren die ver boven de marktprijs lagen. In Engeland werden mensen die aan prostituees verhuurden die elders werkten, beboet. Daardoor ging de huur wel omhoog. (Karras, 1996)

Er zijn voorbeelden bekend dat de strijd tegen het thuiswerken alle alleenstaande vrouwen trof. In het Duitse Bamberg moesten in 1471 alle getrouwde vrouwen die niet bij hun man woonden, de stad verlaten.

In 1492 vaardigde het Engelse Coventry de verordening uit dat iedereen die koppelaars of hoeren huisde, een boete kreeg.Maar men ging nog verder. Alleenstaande vrouwen mochten daar uitsluitend als dienstbode werken. Gezonde, alleenstaande vrouwen van onder de vijftig mochten niet alleen of met een andere vrouw wonen, maar moesten totdat ze konden trouwen, elders als huishoudster gaan inwonen. In 1493 kreeg iedereen een boete die het voor zo’n vrouw opnam.  (Karras, 1996)  In 1495 moest iedere alleenstaande vrouw van beneden de veertig bij iemand anders gaan wonen die voor haar zedelijkheid instond of dienstbode worden.

In Avignon mochten de autoriteiten de huizen binnentreden met de smoes dat men op onzedelijkheid kwam controleren. Hier werd misbruik van gemaakt en daarom bepaalde Paus Paulus II bij pauselijke bul van 13 december 1465 dat dit alleen nog mocht als daar een formeel verzoek voor was ingediend dat door vrienden, buren of familieleden was ondertekend. (Rossiaud, 1984))

In Catalonië moest een fembre errada of fembra que feia mal ses faenes: dat wil zeggen alleenstaande vrouw die door de buren was beschuldigd van het onderhouden van illegale relaties of van het zijn van een gelegenheidsprostituee, haar huis verlaten. (Peris, 1999)

Sietske Altink

Bronnen