Prostitutie is  een onderwerp dat uitnodigt tot het innemen van uitgesproken standpunten. Het gaat om maatschappelijke verschijnselen die zich, zonder dat deze dat per se wil, aan de beschouwer opdringen. Het morele appèl dat van een onderwerp als prostitutie uitgaat, brengt het wetenschappelijk onderzoek ernaar in een lastige positie. Men kan eigenlijk niet over prostitutie schrijven zonder bedoeld of onbedoeld een standpunt in te nemen. Men is voor of tegen legalisering. Voor of tegen het strafbaar stellen van klanten. En iedereen verwerpt mensenhandel. Maar wetenschappelijk onderzoek vraagt dat men de wereld niet vooringenomen tegemoet treedt zonder onuitgesproken aannamen, zowel die van anderen als van de onderzoeker zelf. Hoe is het gesteld met het wetenschappelijk onderzoek naar prostitutie in Nederland?

Teneinde de stand van zaken van prostitutieonderzoek in Nederland te beschrijven bekijken we een breed spectrum aan onderzoeksrapporten en beleidsnota’s die gebaseerd zouden zijn op wetenschappelijk verkregen data. Daarbij  valt op dat vrijwel al het onderzoek een expliciete of impliciete beleidsagenda heeft. Weinig onderzoek heeft slechts tot doel het verschijnsel prostitutie zo objectief mogelijk te beschrijven of te analyseren. Het onderzoek dient meestal het ondersteunen dan wel het verwerpen van een bepaald ideologische standpunt. Deze morele agenda heeft grote invloed op de vraagstelling, opzet en uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek naar prostitutie; zeker als het gaat om het ondersteunen of verwerpen van gangbaar beleid. Het resultaat is dat een onbevangen, niet-vooringenomen analyse van prostitutie ver te zoeken is. Sterker nog, zoals wij zullen laten zien, elementaire feiten zoals het aantal prostituees dat in Nederland werkt, blijken onbekend.

Installatie P. Greenaway en S. Boddeke in het Maritiem Museum Rotterdam 2013

Installatie P. Greenaway en S. Boddeke in het Maritiem Museum Rotterdam 2013

De aanleiding van ons artikel is gelegen in gesprekken met onze Amerikaanse collega Ron Weitzer. In een aantal recente artikelen laat hij op overtuigende wijze zien dat Amerikaans prostitutieonderzoek sterk ideologisch is gekleurd. In zijn woorden:

“In no area of the social sciences has ideology contaminated knowledge more pervasively than in writings on the sex industry. Too often in this area, the canons of scientific inquiry are suspended and research deliberately skewed to serve a particular political agenda.” (2005, 934)

Weitzer doelt op de radicaal abolitionistische standpunten van sommige feministen die het Amerikaanse debat over prostitutie beheersen. In vergelijking hiermee is onderzoek in Nederland minder uitgesproken anti-prostitutie. Dat neemt echter niet weg dat ook in Nederland prostitutie-onderzoek vaak lijdt aan stilzwijgende aannames en stelselmatige methodische problemen die resulteren in misleidende conclusies; conclusies die overigens wel weer naadloos aansluiten bij gewenste beleidsopvattingen. In het Nederlandse prostitutieonderzoek worden de wetenschappelijke standaarden weliswaar zelden doelbewust opgeschort, zoals Weitzer in de VS constateert. Maar, zoals we zullen laten zien, dicteert ook in Nederland de gewenste uitkomst dikwijls opzet en uitvoering van het onderzoek; echter op een meer onopvallende, stilzwijgende wijze dan in de VS.

De problemen die wij tegenkwamen zijn van tweeërlei aard: conceptueel en methodologisch. In het eerste geval gaat het om problemen rond de begripsvorming die voortvloeien uit ideologische en morele aannamen die op hun beurt  voortkomen uit het stigmatiseren van prostitutie. In het tweede geval gaat het om veel voorkomende tekortkomingen in de opzet en de uitvoering van onderzoek naar prostitutie. Om ons betoog kracht bij te zetten, illustreren we iedere valkuil met citaten uit divers onderzoek. Daarbij gaat het er ons uitdrukkelijk niet om de betrokken auteurs te bekritiseren maar om  problemen die in feite boven de individuele onderzoeker uitstijgen. Vooringenomenheid is een sociologisch verschijnsel en niet noodzakelijk een individuele tekortkoming van de onderzoeker. Deze kleine exercitie moet dan ook in de eerste plaats worden gezien als een oefening in wetenschapssociologie. We zullen ook voorbeelden geven van onderzoek dat ons inziens wel aan de normen voor goed onderzoek voldoet. Onze conclusie luidt dat onderzoek naar prostitutie een apart ambacht is met specifieke valkuilen.

Tendentieuze begripsvorming

Met tendentieuze begripsvorming bedoelen we dat begrippen meer worden bepaald door publieke verontwaardiging dan door wetenschappelijke of bestuurlijke zorgvuldigheid. Tendentieuze begrippen roepen sensationele associaties op die een nuchtere beschrijving in de weg staan. Belangrijke voorbeelden daarvan zijn het huidige prostitutie onderzoek naar illegale prostitutie, loverboy en vrouwenhandel. Het probleem met tendentieuze begripsvorming is dat het het zicht ontneemt op het zeer reële probleem waarnaar het verwijst.

Tendentieuze begripsvorming is niet noodzakelijk  (en daarmee verschilt het van begripsinflatie) een doelbewuste overdrijving door de onderzoeker, maar is onderdeel van een bepaald maatschappelijk vertoog dat integraal wordt overgenomen in de onderzoeksvraag. Een goed voorbeeld is het onderzoek naar de niet legale prostitutie. Het begrip illegale prostitutie wordt zelden helder gedefinieerd maar fungeert eerder als een containerbegrip.

In de literatuur worden minstens vier verschillende betekenissen van illegaliteit gehanteerd: 1) Illegaal vanuit het gemeentelijk perspectief: een bordeel zonder vergunning. 2) Illegaal vanuit het vreemdelingenperspectief: prostituees zonder de juiste papieren. 3) Illegaal vanuit de fiscus: ‘zwart’ werken. 4) Illegaal vanuit het perspectief van het strafrecht: mensenhandel en of andere vormen van zware criminaliteit. Deze definities overlappen elkaar gedeeltelijk. Bovendien verschillen ze aanzienlijk in ernst, omvang en vergen ze zeer uiteenlopende bestuurlijke interventie, uiteenlopend van een administratieve mutatie tot een strafrechtelijke vervolging.

Onduidelijke begripsvorming maakt het moeilijk om de omvang, de aard en de ernst van dit fenomeen te beschrijven. Een op zichzelf zorgvuldig uitgevoerd onderzoek naar niet-legale prostitutie in het kader van de tweede WODC evaluatie, lijdt bijvoorbeeld aan dit euvel. De auteurs zien het begrip als een “een overkoepelende term ” waarmee de volgende niet-legale vormen van prostitutie worden bedoeld: “Het exploiteren van prostitutie zonder een gemeentelijke vergunning, terwijl het lokaal beleid dat wel vereist; het werkzaam zijn als prostituee zonder een daartoe vereiste verblijfsvergunning; exploitatie van prostitutie door minderjarigen (sic); en uitbuiting. (Biesma e.a. 2006,1)  Het nadeel van het op een dergelijke wijze overladen van het begrip ‘niet legaal’ geeft inconsistenties in de uitkomsten van het onderzoek. Er is bijvoorbeeld een groot verschil in mate van ernst van te weinig inkomsten bij de Belastingdienst opgeven door een sekswerker en het slachtoffer zijn van mensenhandel. Een administratief vergrijp is iets anders dan een ernstige schending van de mensenrechten.

Hoewel de auteurs zorgvuldig zijn in hun conclusies – behoudens over de escort sector waarover weinig bekend is, komt niet- legale prostitutie relatief weinig voor – vergeten ze een andere belangrijke vorm van illegaliteit, namelijk die illegaliteit die niet vanuit het openbare gezag maar vanuit de positie van de prostituee wordt gedefinieerd, te weten: de grove schendingen van het arbeidsrecht. De door de auteurs gehanteerde begripsomschrijving sluit deze categorie uit. Het probleem is dat de auteurs streven naar een soort formele, encyclopedische volledigheid. Begripsafbakening dient echter een afgeleide te zijn van het beleidsdoel. Het beleidsdoel bestaat uit de verbetering van de arbeidspositie van prostituees in de sector als geheel en het tegengaan van dwang. Het vergunningenstelsel is een centraal beleidsinstrument om deze doelen te bereiken. Illegaliteit dient dan ook te worden gezien als het ontstaan van prostitutievormen die zich bewust onttrekken aan de vergunningsplicht en de aanwezigheid van aperte dwang. Gezien deze beleidsdoelen hebben we het begrip illegaliteit niet nodig. De betreffende problemen worden nauwkeuriger omschreven met de termen: schending van arbeidsrecht, belastingontduiking, schending van mensenrechten en het overtreden van een APV.

Het probleem van het Essentialisme.

De problemen in het prostitutieonderzoek beginnen al bij de afbakening van het object van onderzoek. Die lijkt voor de hand te liggen: vrouwen en (enkele mannen) die seksuele diensten verkopen voor geld. Maar hier dienen zich meteen de eerste problemen aan. Het is bijvoorbeeld aan te bevelen om de onderzoeksgroep te vergelijken met een controlegroep. Op die manier heeft men een referentiepunt om beter onderbouwde uitspraken te doen over de prevalentie van een verschijnsel. De vraag is echter, welke controlegroep kiest men? In de eerste plaats moet de controlegroep conceptueel relevant zijn in het licht van de onderzoeksgroep en de onderzoeksvraag. (Het heeft in het bovenstaande voorbeeld geen zin om psychiatrische patenten te vergelijken met bijvoorbeeld haringvissers.) Maar daarnaast zegt de keuze van de controlegroep iets over de manier waarop men de onderzoeksgroep ziet.

Hoe zit dit in het prostitutieonderzoek? Als er al sprake is van een controlegroep dan komt die meestal uit de algemene bevolking. Neem het onderzoek naar de incidentie van geweld in het prostitutiebedrijf. Geweld neemt in veel onderzoek naar prostitutie een centrale plaats in. (De keuze van de onderzoeksvraag is een apart probleem, waar we later op terugkomen.) Weitzer klaagt dat voor radicale feministische onderzoekers prostitutie equivalent is met geweld. In Nederlands onderzoek lijkt dit op het eerste gezicht nauwelijks het geval. Onderzoek naar de geweldsincidentie onder prostituees tracht het verschijnsel in perspectief te willen plaatsen door het af te zetten tegen een controlegroep. Maar welke? Dit lijkt een methodisch probleem, maar zoals eerder betoogd, de keuze van de controlegroep heeft begripsmatige consequenties. Prostituees worden bij voorkeur vergeleken met de algemene bevolking. Dat lijkt voor de hand te liggen, maar wie prostituees automatisch vergelijkt met de ‘normale’ bevolking zet ze onwillekeurig apart als een bijzondere categorie, waarbij men gemakkelijk uit het oog verliest dat het om een beroepsgroep gaat. Dit apart zetten van prostituees noemen we essentialisme. Daarmee bedoelen we dat alle aspecten van de activiteit of het beroep prostitutie gezien worden in het licht van de (negatieve) morele categorie prostitutie hoewel veel van die aspecten vergelijkbaar zijn met andere beroepen.

Geweld door klanten is ook iets waar ambtenaren van de sociale dienst, treinconducteurs en docenten in het voortgezet onderwijs te maken hebben. Echter in tegenstelling tot deze beroepsgroepen is in het geval van prostituees de constatering dat zij soms slachtoffer zijn van geweld aanleiding tot het stigmatiseren van het slachtoffer. (…)  Anders gezegd, ‘geweld’ dient om het beroep te diskwalificeren. Dit komt zelf weer voort uit de stigmatisering van prostitutie die zelfs de prostitutie toegenegen auteurs als van Wesenbeeck parten speelt. In het genoemde boekje staat bijvoorbeeld een opsomming van gruwelijke voorbeelden van geestelijk en lichamelijk geweld tegen prostituees. Al deze voorbeelden zullen ongetwijfeld hebben plaatsgevonden maar door ze achter elkaar te plaatsen wordt de suggestie gewekt dat deze extreme geweldsuitingen de dagelijkse praktijk van het werk van prostituees kenmerkt. Dit voor de prostitutie kenmerkende geweldslandschap, wordt vervolgens gekoppeld aan ‘gangbare seksualiteitsopvattingen’, die zowel vrouwen ertoe brengen in de prostitutie te gaan als mannen om geweld tegen prostituees te gebruiken. Hiermee zijn we ver afgedwaald van een meer onbevangen behandeling van de incidentie en betekenis van geweld in de prostitutie. Geweld tegen prostituees in Nederland komt weliswaar voor, maar in veel mindere mate als doorgaans wordt verondersteld. Over het probleem van het cijfermateriaal komen we verderop in dit stuk nog te spreken, maar uit de ervaringen van medewerkers van De Rode Draad die vrijwel dagelijks met prostituees spreken, blijkt niet dat geweld door klanten voorkomt in de top tien van problemen. De nadruk op geweld plaatst prostituees onbedoeld in een slachtofferrol. Dit versluiert het zicht op de vele praktische technieken en tactieken die prostituees toepassen om het niet tot een gewelddadige situatie te laten komen.

Ons inziens is essentialisme de betonrot van het prostitutieonderzoek. Essentialisme is om verschillende redenen problematisch. In de eerste plaats omdat objecten of verschijnselen om de verkeerde redenen tot dezelfde categorie gerekend worden. In bovenstaand voorbeeld zagen we dat geweld als de doorslaggevende factor, de essentie, werd gezien die prostitutie tot een homogene categorie bestempelde. Zoals we verderop zullen zien wordt meestal stilzwijgend aangenomen dat seksualiteit de grootste gemene deler is van de maatschappelijke categorie “prostitutie”. Bij weer andere auteurs is dat “uitbuiting” of “slachtofferschap”. Het probleem van dergelijke toeschrijvingen is dat deze het zicht ontnemen op valide kenmerken die een verschijnsel definiëren. Prostitutie is in de eerst plaats een beroep. Misschien geen gewoon beroep, maar wel een vorm van (in Nederland) legale broodwinning. De “essentie”van prostitutie bestaat dan ook eerder uit die kenmerken die deze activiteit plaatsen in de categorie “beroepen”, en misschien in de subcategorie “bijzondere beroepen” (zoals balletdanser, masseur of gynaecoloog). Meestal loopt een discussie over wat de essentiële kenmerken van een object of fenomeen zijn al snel vast. De vraag of die essenties werkelijk bestaan en te bepalen zijn doet hier niet ter zake. In dit artikel richten we ons op wat de gevolgen  zijn voor prostitutie- onderzoek van de essentialistische benaderingswijze.

Een tweede probleem is dat min of meer stilzwijgend wordt aangenomen dat de eigenschappen die een verschijnsel kenmerken of onderscheiden van andere verschijnselen ook automatisch geacht worden dit verschijnsel te determineren – met uitsluiting van andere kenmerken. Zo’n kenmerk heet “generatief” te zijn. Zij maken het verschijnsel tot wat het is en tot niets anders. Maar veel onderscheidende “essentiële” kenmerken zijn helemaal niet zo bepalend. We merkten al op dat seksualiteit doorgaans wordt gezien als de essentie van prostitutie. Seksualiteit bepaalt het verschijnsel. Zonder seksualiteit geen prostitutie. Seksuele activiteiten zijn inderdaad een kenmerk waarin prostitutie zich onderscheidt van andere beroepen.  Maar het is de vraag in hoeverre het bepalend is voor de dagelijkse beroepsuitoefening? Bij navraag blijkt dat prostituees in clubs en privéhuizen slechts een fractie van hun werktijd seksuele handelingen verrichten. Dan spelen zaken die wezenlijk zijn voor de categorie “beroep”, zoals arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden, een adequaat inkomen, individuele rechten en dergelijke, een veel grotere rol.

Het essentialisme in het prostitutieonderzoek kent vele verschijningsvormen. Bijvoorbeeld prostitutie wordt in veel studies niet als een beroep gezien en als zodanig onderzocht, maar als een deviante subcultuur. Twee voorbeelden ter illustratie. In het eerste korte voorbeeld citeren we uit Paul van Gelder over jongensprostitutie:

 “Al met al vormt het geld-voor-seksbeginsel een keurslijf waarin transacties in de jongensprostitutie zich vaak niet voegen. Daarom benadrukte ik in paragraaf 1.4. zo sterk de sociale dimensie in de contactlegging tussen jongens en klanten.” (1998, 174)

In dit geval zien we dat de beroepsmatige aspecten uit de maatschappelijke categorie weggeschreven worden en dat het accent valt op de subcultuur. Iedere groep van beroepsbeoefenaren ontwikkelt na verloop van tijd een bepaalde gedeelde cultuur. Dit geldt voor treinconducteurs, politieagenten, beurshandelaren, hoogleraren, als ook voor sekswerkers. Is daarmee de subcultuur het cruciale, zelfs “generatieve” kenmerk van prostitutie? Treedt men toe tot het gilde van beurshandelaren omdat men behoort of wil behoren tot een bepaalde subcultuur ? Gevolg wordt hier verward met oorzaak. En deze verwarring leidt tot wonderlijke constructies waarin betaling voor werkzaamheden – een wezenlijk kenmerk voor iedere beroepsgroep- gezien wordt als een keurslijf. Met andere woorden, de auteur probeert op krampachtige wijze seksuele dienstverlening door jongens niet als prostitutie te beschouwen. Maar daarmee valt hij in de valkuil van begripsinflatie waarin vrijwel elke seksuele handeling tussen jongeren en iets ouderen of ander spectaculair seksueel gedrag als semi-prostitutie wordt gezien. Daarmee wordt een nieuw maatschappelijk probleem op de agenda gezet.

In het tweede wat langere voorbeeld uit het essentialisme zich in de stilzwijgende aanname dat prostitutie een beroep is dat zich geen enkele wijze met andere beroepen laat vergelijken. Met curieuze gevolgen zoals we zullen zien. Ook al hebben onderzoekers oog voor het feit dat het om werk gaat, waar verdiensten tegenover staan, dan nog behandelt men prostitutie anders dan andere beroepen. In welk onderzoek naar de arbeidsomstandigheden en  van een beroepsgroep beperkt men zich tot het registreren van de mening van de beroepsbeoefenaren? Maar dit is precies wat er gebeurt in de eerste WODC evaluatie van het prostitutiebeleid na de opheffing van het bordeelverbod. Het  vaststellen van de inkomenspositie van prostituees berust geheel op de vraag of de beroepsbeoefenaren tevreden zijn met hun inkomen en of ze het vervelend vinden om belasting te betalen? Wij citeren:

Bij het bevragen van de arbeidsvoorwaarden bij prostituees is er voor gekozen naar sommige aspecten niet rechtstreeks te vragen. Zo is, bijvoorbeeld, niet naar de feitelijke verdiensten gevraagd, aangezien rapportage daarvan in het verleden onbetrouwbaar is gebleken. Wel is gevraagd naar de tevredenheid met de verdiensten (‘voor het werk dat men doet’). Vanuit dezelfde overwegingen van betrouwbaarheid is niet rechtstreeks gevraagd of men belasting betaalt. Wel is gevraagd of al eens een belastingaangifte is gedaan en of men bezwaar heeft tegen het betalen van belasting. (‘nu je werk legaal geworden is’) (Vanwesenbeeck).

In het onderzoek naar de formele beroepsstatus zien we eenzelfde subjectivistische benadering, behalve dat het onderzoekers hier vrijwel volledig afgaan op de mening van de werkgevers. In de prostitutie zijn de arbeidsrelaties, dus de verhouding tussen de prostituee en exploitant een belangrijk discussiepunt. De meeste dames zijn op papier zelfstandig ondernemer maar hebben niet de rechten die bij het zelfstandig ondernemerschap horen, zoals zelf werktijden bepalen, zelf de prijzen vaststellen en het werk naar eigen inzicht inrichten. De exploitant oefent ook vaak gezag uit. Dit betekent dat prostituees in de meeste gevallen in een feitelijke situatie van dienstverband verkeren. Dat gaat om feiten, niet om hoe de betrokkenen het zelf definiëren. Niettemin gaan de auteurs van de tweede evaluatie juist wel af op wat de betrokken prostituees ervan denken: ‘Uitspraken doen over zelfstandigheid in deze sector is ook lastig omdat er vrijwillig veel rekening met elkaar wordt gehouden.”  Wanneer de onderzoekers vervolgens loondienst in de prostitutie bespreken, herhalen ze slechts de argumenten van exploitanten: het is tegen de grondwet, er zullen veel ziekmeldingen komen en prostituees willen ook geen loondienst. Dat laatste hoort De Rode Draad ook heel vaak, maar zij merkt dat prostituees geen informatie van de exploitant over de voordelen van loondienst krijgen. Dat is  niet toevallig. Wanneer de veldwerkers van de Rode Draad deze lacune in de kennis van de prostituee proberen te dichten, wordt dat door de exploitanten als een subversieve actie gezien. (Rechten voor prostituees) Tevens praten de WODC onderzoekers de exploitant na wanneer hij beweert dat men als zelfstandig ondernemer anoniem kan blijven. Overigens is in dit gezaghebbende onderzoeksrapport de ruimte die is gereserveerd voor het bespreken van zo’n belangrijk thema in de beschrijving van een beroepsgroep, zeer beperkt.

Het verhaal wordt totaal anders wanneer een echte arbeidsrechtdeskundige zich over de materie gaat buigen. (Zuidema & Boonstra, 2006)  In dit rapport wordt de feitelijke gang van zaken onder de loep genomen zoals het hoort, afgezet tegen de relevante wet- en regelgeving. Men laat zich niet leiden door de mening van de exploitant. Een van de conclusies van dit rapport luidt dan ook: “Dit onderzoek en ook de onderzoeken die wij als bronnen hebben gebruikt, geven aan dat het soort misstanden dat het private arbeidsrecht beoogt te bestrijden, in de sector op grote schaal voorkomt. Met name het ontbreken van rechtszekerheid omtrent de aard en de duur van de overeenkomst, het afwentelen van financiële bedrijfsrisico’s op de werknemer, het niet doorbetalen van loon bij ziekte, het opleggen van allerlei regels die gericht zijn op de disciplinering van de werknemers en het uitoefenen van ongerechtvaardigd gezag, maakt dat de positie van de werknemer in deze sector als feitelijk rechteloos moet worden gekenmerkt. ” (Zuidema &  Boonstra, p. 185)

De Ziel van de Prostituee als de Essentie van Prostitutie.

Het is gebruikelijk in het prostitutieonderzoek om de prostituee als de exclusieve informatiebron over het maatschappelijke verschijnsel prostitutie te beschouwen. Een bekende onderzoeksvorm bestaat eruit dat de onderzoeker kwalitatieve interviews houdt met prostituees, op grond waarvan hij of zij allerlei conclusies over prostitutie trekt. Los van de methodologische blunder dat je op grond van kwalitatieve gegevens geen kwantitatieve conclusies kan trekken (zoals over trends of de verspreiding van een verschijnsel in een populatie), is dit is een ander uitvloeisel van het essentialisme: namelijk door de desbetreffende categorie te beschouwen als een geïsoleerd, autonoom verschijnsel dat alle andere gerelateerde verschijnselen naar de periferie van de aandacht verdringt. In werkelijkheid is elk maatschappelijk verschijnsel ingebed in en komt voort uit een context van andere maatschappelijke verschijnselen. Adele Clarke, een specialist op het gebied van de methodologie van kwalitatief onderzoek, klaagt over de exclusieve aandacht voor het gedrag van de onderzoeksgroep als verklarend principe in sociaalwetenschappelijk onderzoek. De verklaring van maatschappelijke verschijnselen kan echter niet worden gereduceerd tot de gedragingen van individuen: “(F)resh methodological attention needs to be paid to objects in situations.” En verderop: ”What I propose is to supplement (qualitative research) with a situation-centred approach that in addition to studying action also explicitly includes the analysis of the full situation……” (Clarke 2005) Anders gezegd, uitbreiding van het onderzoek naar de maatschappelijke of institutionele context van een verschijnsel, plaatst het in een noodzakelijk breder perspectief. Een voorbeeld ter verduidelijking.

Er bestaat veel ophef over escort via 06 nummers en internet. In gemeentelijke rapporten wordt de escort branche als een verontrustend en groeiend onderdeel van de prostitutiemarkt gezien. Escort zou ook een uitwijkmogelijkheid bieden voor illegale prostituees. Dat gebeurt inderdaad, maar niemand heeft zicht op de omvang van het verschijnsel. Misschien is dit ook onmogelijk. In werkelijkheid is prostitutie via 06 nummers en internet moeilijk te onderscheiden van de hausse in internetdating. Op een groot aantal zogenaamde sexdatingsites bieden vrouwen (en mannen) zich aan voor een kortstondig seksueel contact. Achter een deel hiervan zal ongetwijfeld een sekswerker schuil gaan maar het speelt zich ook af in de privésfeer. Internet maakt dit soort contacten bijzonder eenvoudig. Miljoenen mensen doen aan internetdaten; een deel daarvan doet het voor geld. Over die laatste groep ontstaat opwinding bij beleidsmakers. En binnen dit commerciële deel van het internetdaten bevindt zich een contingent van legale en meerderjarige vrouwen die het internet zien als een alternatieve zelfstandige manier van werken, zonder gehinderd te worden door de bemoeienissen en de financiële eisen van de reguliere exploitanten.

Sekswerkers functioneren in een omgeving van exploitanten, klanten, partners, politie, gemeenteambtenaren, taxichauffeurs, enzovoorts. Prostitutie ontwikkelt zich in de context van andere maatschappelijke ontwikkelingen. Als dit uit het zicht verdwijnt, wordt prostitutie weer gereduceerd tot een of twee “essentiële” aspecten ervan: het eventuele slachtofferschap van buitenlandse vrouwen of een vermeende nieuwe, ongrijpbare en tevens alomtegenwoordige vorm van prostitutie. In werkelijkheid bestaat prostitutie uit de afwegingen en beslissingen van iedereen die op een of andere manier bij de sector betrokken is. Die afwegingen betreffen de financiële aspecten, de arbeidsomstandigheden, de mogelijkheden om potentiële klanten te bereiken, de prijs van prostitutie, de veiligheid, de relatie tot andere betrokkenen in de sector, de positionering in de markt enzovoort. Seksualiteit is slechts een onderdeel van deze bundel van afwegingen, beslissingen, regels en routines waardoor de seksindustrie kan bestaan. Dat houdt dus ook in dat de prostituee niet die exclusieve bron is voor informatie over alle aspecten van prostitutie. Dit is vergelijkbaar met het bezien van leerlingen als de enige bron van informatie over onderwijs. In het meest recente evaluatieonderzoek van het WODC worden dit keer ook exploitanten, weliswaar mondjesmaat, ondervraagd. Er is nog steeds geen groot onderzoek gekomen naar de wereld van exploitanten: hun achtergronden, hun visies op prostituees en seksualiteit, hun ideeën over bedrijfsvoering en eventuele aanvaringen met justitie. Voor zover we weten is er nooit een onderzoek gepubliceerd over de verdiensten van exploitanten, bedrijfsleiders, barpersoneel of chauffeurs in de escortsector.

Zonder in essentialisme te vervallen, is het daarentegen wel belangrijk om je als onderzoeker af te vragen voor welke specifieke opgaven het onderzoek naar prostitutie je stelt. (net zoals onderzoek naar de wereld van drugsgebruikers, profvoetballers, beurshandelaren of topambtenaren.) We gaan hier in de slotparagraaf uitvoeriger op in, maar wat we bedoelen is dat iedere beroepensector een eigen praktijklogica kent die het soms moeilijk maakt voor een onderzoeker – vooral een onderzoeker die weinig ervaring of affiniteit met de desbetreffende sector heeft – om wat hij waarneemt naar waarheid te schatten. Een kenmerk van de prostitutiewereld is bijvoorbeeld het bestaan van afhankelijkheidsrelaties op de werkvloer. Men interviewt bijvoorbeeld een prostituee in een club, maar heeft geen weet van wat zich op daar precies afspeelt. Zo kan het gebeuren dat, zoals de veldwerkers van de Rode Draad is overkomen, dat  de prostituee waarmee men zit te praten de gastvrouw is. Zo kan men zien dat de exploitant die op hetzelfde moment waarop hij zegt dat hij geen gezag uitoefent de dames aanwijzingen geeft. Het van binnenuit begrijpen van de praktijklogica van een maatschappelijke sector behelst een belangrijke methodologische les.

Hendrik Wagenaar en Sietske Altink  (2009, ongepubliceerd)

Lees het tweede deel van dit artikel.

 

Literatuur

Clarke, A. (2005). Situational Analysis. Grounded Theory After the Postmodern Turn. Thousand Oaks, CA, Sage.

Dekker, H., Tap, R., Evaluatie Opheffing Bordeelverbod, Regioplan, Amsterdam 2006

Dickey, Barbara & Hendrik Wagenaar (1996), “Using Health Status Measures with the Seriously Mentally Ill in Health Services Research”, Medical Care, 34, 2: 112-116

Van Gelder, Paul, Kwetsbaar, kleurig en schaduwrijk, Jongens in de prostitutie, een verschijnsel in meervoud, Amsterdam 1998.

Goderie, M., Boutelier, H,, Prostitutie in Rotterdam, Verwey Jonker Instituut, 2006

Rode Draad, ABC …….., Amsterdam, 2003  (http://www.rodedraad.nl/index.php?id=253)

Thompson, E.P., The Making of the English Working Class, Harmondsworth, 1981

Schaapman, K., Asante., A., Het onzichtbare zichtbaar gemaakt, Amsterdam, 2002

Vanwesenbeeck, I. Wiens lijf eigenlijk’, Amsterdam, 1986

Vanwesenbeeck. I. (e.a.) De sociale positie van prostituees in de gereguleerde bedrijven, een jaar na de wetswijziging, Utrecht, Den Haag, 2002

Visser, J., et al (2000) Profeit Studie, uitg Mr. De Graafstichting, Amsterdam

Zuidema, R., Boonstra, K, Arbeidsrecht voor Prostituees, Hugo Zinsheimer Instituut, Amsterdam 2006

 

 


[i] De Australische kunstcriticus en journalist Robert Hughes plaatst de volgende ironische kanttekening: ‘Als datzelfde criterium voor hoererij op het hedendaagse Londen werd toegepast, hoeveel ‘snollen’ zou een moderne Colquhoun dan aantreffen? (p.57)

[ii] Hoeveel moeite het sommige onderzoekers kost om hun vooraf staande conclusies los te laten en tot welke potsierlijke uitspraken dit leidt blijkt uit het volgende: “Besloten Lingerie party  Dit zijn huisfeesten (zeer besloten) waarbij de dress code voor de meisjes dure, pikante lingerie is. Iedereen mag met iedereen seks hebben. Een dergelijk feest is maar één keer aangetroffen en wij kunnen geen uitspraken doen over de frequentie.”

[iii] De Rode Draad meldt dat er slechts één Japanse vrouw, meerderjarig en legaal in Rotterdam thuis ontvangt. Dat doet zij al jaren.