De delictsomschrijving en haar componenten

Vrouwen te koop

Vrouwen te koop

In 1910, aan de vooravond van de instelling van het bordeelverbod, werd in Parijs, op een internationale conferentie alleen de werving voor prostitutie strafbaar geacht. Het strafbaar stellen van bijvoorbeeld het gevangen houden in een bordeel vond men een aangelegenheid die op nationaal niveau moest worden aangepakt. In datzelfde jaar begonnen de voorbereidingen voor het invoeren van het bordeelverbod. Toch wilde men naast het bordeelverbod (250 bis Wetboek van Strafrecht) vrouwenhandel strafbaar stellen in 250 ter Wetboek van Strafrecht. Het toenmalige art. 250 ter Sr. (het vrouwenhandelartikel) luidde: ‘Vrouwenhandel wordt gestraft men een gevangenisstraf van ten hoogste vijf  jaren’. Wat vrouwenhandel daadwerkelijk behelsde, vermeldde de wetgever niet. (Otten, 2006) Sindsdien is er veel discussie geweest over wat er in de delictsomschrijving moest worden opgenomen. Men hield zich bezig met vragen als ‘is afhankelijkheid’ essentieel in de delictsomschrijving? (Haveman, 1997)

De kwestie kwam in 1949 in een stroomversnelling. In dat jaar werd tijdens de vergadering van de Verenigde Naties inzake het anti-vrouwenhandelverdrag een discussie gevoerd over de vertaling en interpretatie van het woord  ‘exploitation’.[i]  Moest dat vertaald worden als ‘uitbaten’ of als ‘uitbuiten’? De vergadering verkoos echter iedere vorm van exploitatie van prostitutie als uitbuiting te beschouwen. Nederland heeft dit verdrag overigens niet mede ondertekend. (Haveman, 1995). Vrouwenhandel bleef tot 2000 strafbaar onder 250 ter Wetboek van Strafrecht. Tot 1993 luidde de tekst van dit artikel: ‘Elke daad die ertoe strekt een vrouw over te leveren aan de prostitutie onverschillig of zulks met haar toestemming geschiedt en onverschillig of zij als prostituee werkzaam is.’ Deze formulering kwam tot stand naar aanleiding van een uitspraak van De Hoge Raad uit 1983.

Deze delictsomschrijving voldeed niet. Men vond dat ‘dwang en geweld’ er een plaats in moesten krijgen. In 1993 heeft men de delictsomschrijving vernieuwd tot: een persoon in de prostitutie brengen onder (bedreiging) met geweld, onder misleiding en misbruik van overwicht. In de aanloop naar de wetswijziging van 2000 heeft de vergadering van Procureurs- Generaal  in 1988 een delictsomschrijving gemaakt die als volgt luidde: ‘Als schuldig aan vrouwenhandel kan worden beschouwd degene die een ander door geweld of een andere feitelijkheid dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding tot prostitutie brengt dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handelingen onderneemt waarvan hij of zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een ander daardoor in de prostitutie belandt. Een dergelijk misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht wordt verondersteld indien de prostitué( e) in een situatie verkeert of komt te verkeren, die niet gelijk is aan die, waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren.’  [ii]Maria Koers, de voorzitster van de Werkgroep Vrouwenhandel van de Procureurs- Generaal, gaf in 1993 de volgende verklaring voor het noemen van de mondige prostituee in Nederland in de Richtlijnen van de Werkgroep:

‘De term mondig moet verduidelijken dat vrouwen niet slechts vanuit rationele overwegingen handelen, maar ook vanuit cultureel bepaalde omstandigheden. Zo voelen veel vrouwen zich genoopt hun families in de landen van herkomst te onderhouden. Wij hebben dat voor vrouwen gevat in het begrippenpaar mondig/onmondig. Ook worden vrouwen door de handelaren in een onmondige situatie gemanoeuvreerd, onder andere doordat de handelaren hun paspoorten afpakken. Die vrouwen zelf kunnen heel mondig overkomen en niet als het zielige vrouwtje dat in het beeld van het slachtoffer past.’ (Geciteerd in Altink, 1993)

De ‘mondige prostituee‘ in Nederland werd echter in het spraakgebruik verhaspeld tot ‘mondige Nederlandse prostituee’, waarmee werd gesuggereerd dat migranten in de Nederlandse prostitutie niet mondig zijn. (Interview met Wijers in Altink, 1993). In de latere versies van de delictsomschrijving is deze ‘mondige’ prostituee verdwenen. Dit begrip riep namelijk te veel vragen op als: ‘Zijn slachtoffers niet mondig en hoe bepaal je precies de mondigheid van een prostituee die in Nederland werkt?’

Vanaf 1989 krijgt de term ‘misleiding’ een prominente plaats in de concepten delictsomschrijving. Maar deze term riep nogal wat discussie op. Is het strafbaar stellen van het aanwerven niet een ontkenning van het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen? Wat is misleiding en heeft niet iedereen overwicht op ‘arme vrouwen’ die uit een andere cultuur komen?’ zo luidden de vragen van de PvdA tijdens de behandeling van de richtlijnen in De Tweede Kamer. Vooral de zinsnede in de delictsomschrijving dat het gaat om ‘overwicht of een andere feitelijkheid’  als (mede) oorzaak van vrouwenhandel, wordt vaak uitgelegd als ‘naïviteit’ of ‘onwetendheid’ van een persoon uit een andere cultuur. (Haveman, 1992)

Teneinde vrouwenhandel te voorkomen, wilde minister Hirsch Ballin sekswerk van vrouwen van buiten de Europese Unie verbieden. [iii ](Haveman en Wijers,1992) Brouwer van Groen Links vroeg de minister daarop: ‘Het is uitgesloten, begrijp ik uit uw uitleg, dat als een vrouw of man vrijwillig meegaat en in de prostitutie terecht komt op grond van dit artikel over kan gaan tot vervolging?’ De minister antwoordde: ‘Als het over dit artikel gaat, is dat juist’.

Hoewel de term ‘uitbuitingssituatie’ op dat moment niet in de delictsomschrijving voorkwam, werd het steeds belangrijker als kenmerk van mensenhandel. Het is de verdienste van Hirsch Ballin, minister van Justitie (1989 tot 1994 en 2006-2010) geweest dat hij de uitbuitingssituatie als concreet gevolg van misbruik uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft beschreven. Vanaf dat moment is ‘een uitbuitingssituatie’ een centraal kenmerk van het delict geworden. Het Amsterdamse Hof ontkoppelde zelfs in een uitspraak de werving en de uitbuiting, maar De Hoge Raad bestreed dit; de samenhang was essentieel. Deze visie werd overgenomen na de verschijning van de evaluatie van de richtlijnen. (Boer, M. de, 1994). De Boer stelde dat de werving en de uitbuiting verband met elkaar moesten houden. Zij voerde hiervoor de volgende reden aan:

‘Uit het onderzoek blijkt dat de bestanddelen die in de eerste richtlijn worden genoemd onbedoeld een eigen leven gaan leiden. Zo is de uitbuitingssituatie bedoeld als indicatie voor vrouwenhandel, op basis waarvan (verder) onderzoek nodig is. Het wordt echter door sommigen geïnterpreteerd als noodzakelijk onderdeel van de vervolging: als een vrouw aangifte doet van vrouwenhandel maar volgens het oordeel van de politie en het openbaar ministerie zij niet in een uitbuitingssituatie verkeert, dan is er een kans dat deze vrouwenhandelzaak niet verder wordt onderzocht’  (p, 138 in De Boer)

De discussie stokte omdat de afschaffing van het bordeelverbod in het slop raakte, waardoor de nieuwe delictsomschrijving, de nieuwe 250 ter Sr., in de wacht werd gezet. De tekst die uiteindelijk in 2000 in de wet terecht kwam, lijkt echter sterk op het voorstel van Procureurs -Generaal: “Als schuldig aan mensenhandel wordt met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of een geldboete van de vijfde categorie gestraft: degene die een ander door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over een ander heeft, werft, vervoert, overbrengt, huisvest, of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen. (….)  Lid 2: Uitbuiting omvat ten minste uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij en met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken.“ [iv]

De centrale elementen van de Nederlandse wettekst komen ook terug in het Protocol van de VN die in November 2000 zijn aangenomen. In 2004 zijn deze door 117 landen, waaronder Nederland,  geratificeerd. Mensenhandel wordt in dit zogeheten Palermo Protocol omschreven als:

“The recruitment, transportation, transfer, harbouring or receipt of persons, by means of threat or use of force or other forms of coercion, of abduction, of fraud, of deception, of the abused of power or of a position of vulnerability or of the giving of receiving of payments or benefits to achieve the consent of a person having control over another person, for the purpose of exploitation. Exploitation shall include, at a minimum, the exploitation of the prostitution of others or other forms of sexual exploitation, forced labour or services, slavery or practices similar to slavery, servitude or the removal of organs”.

Vanaf 2005 wordt de term vrouwenhandel vervangen door mensenhandel en is de term niet meer uitsluitend gereserveerd voor werk in de prostitutie. Teneinde mensenhandel voor de seksindustrie te onderscheiden van mensenhandel voor andere branches werd in Nederland de term ‘overige uitbuiting’ geïntroduceerd.

De componenten van mensenhandel: transport en ontvoering

Transport: Davies (2003) en Werson (2012) wijzen er op dat de huidige generatie slachtoffers niet snel meer met onrealistische beloften misleid zal worden. Ze weten immers dat er in West- Europa niet zo gemakkelijk heel veel geld kan worden verdiend. Andrijesevic (2004) beweert dat een discours die gebaseerd is op misleiding de vrouwen teveel afschildert als naïeve mensen zonder agency. James (2011) noemt dit de ‘Natasha- discourse’, naar het beeld dat de sensatieschrijver Malarek (2011) schetst van vrouwen als objecten van medelijden.

Sinds de publicaties van de eerste getuigenissen over mensenhandel is er het een en ander veranderd in de wereld; het vervoer tussen nieuwe en oude EU landen is  toegankelijker en betaalbaar geworden. Dit heeft alles te maken met een exogene factor: de opkomst van goedkope vlieg- en buslijnen. Het pendelen tussen Nederland en het land van herkomst door zowel de slachtoffers als de ‘vrijwillige’sekswerkers’ is haalbaar geworden. Men kan nu een Poolse niet meer wijs maken dat een vliegticket naar Amsterdam 2000 euro kost.

Ontvoering. Tijdens of voor het transport kunnen strafbare handelingen worden gepleegd: ontvoering, verkrachting en/of mishandeling. Een van de klassieke methoden van mensenhandelaren om vrouwen in de prostitutie te brengen zou ontvoering zijn. Tijdens ons veldwerk (voor het internationaal vergelijkend onderzoek) hebben we een vrouw gesproken die slachtoffer was van een ontvoering.  Ze was niet genegen in details te treden maar wilde er wel over kwijt dat ze gedrogeerd en wel door ‘zigeuners’  – over een betrekkelijk korte afstand – van Hongarije naar Oostenrijk was gebracht. Toen ze uit haar verdoving ontwaakte, kreeg ze klappen. Ziverte (2004) beschrijft een vergelijkbaar incident. Het is moeilijk om die verhalen op waarde te schatten. Ontvoering, zeker in combinatie met drogering, ‘iets in mijn drankje gedaan’ wordt vaak gebruikt om eventuele schaamte over eigen betrokkenheid te maskeren.

De meeste verhalen over ontvoeringen komen uit Albanië. Het zou daar zodanige ernstige vormen hebben aangenomen dat ouders hun dochters uit angst voor kidnapping niet naar school laten gaan. (Onder andere Davies, 2003). In dit land worden volgens Davies (2003) ontvoeringen echter vaak in scene gezet om een gedwongen huwelijk te ontlopen. ‘Ontvoering’ biedt een goede verklaringsgrond voor een breuk met de traditionele familiebanden.

Volgens Hopkins en Nijboer, is een op de zeven slachtoffers uit het door hen geïnterviewde contingent ontvoerd. Bij Vocks en Nijboer (2000) ligt dat percentage iets hoger. Men kan zich afvragen waarom de handelaren zich van ontvoering bedienen, een toch risicovolle handelwijze, wanneer ze volgens deze zelfde Nijboer en Vocks genoeg slachtoffers kunnen vinden die wel in de prostitutie willen werken.

Mensensmokkel

Niet alleen slachtoffers van mensenhandel en migranten voor sekswerk hebben te maken met bemiddelaars. Andere groepen maken ook gebruik van agenten. Zo schakelen asielzoekers vaak reisagenten in die de tickets en de documenten regelen en hen verder begeleiden. Amnesty International en organisaties voor asielzoekers zien het gebruik van reisagenten als onvermijdelijk. Daarmee passen ze in een traditie waarin vluchtelingen van achter het Ijzeren Gordijn uit menslievendheid naar het westen werden geholpen. (Van den Brink en Hildebrand, 1996) [v] . Doornhein en Dijkhoff (1995) beweren dat een derde van de mannelijke asielzoekers die zij hebben gesproken, gebruik heeft gemaakt van reisagenten, een eufemisme voor mensensmokkelaars. Mensensmokkel is strafbaar gesteld in 197 A Sr en staat te boek als een misdrijf tegen het openbaar gezag. (Godfroid en Vinkx, 1999) [vi]

Het wordt vaak op een lijn gesteld met mensenhandel, maar het is een totaal ander misdrijf. Mensensmokkel kan tegenwoordig incidenteel een onderdeel van mensenhandel zijn om mensen van buiten de Europese Unie in Nederland te krijgen. Het kwam – vaak op kleinschalige wijze-  in verband met vrouwenhandel voor voordat de grenzen naar Oost Europa opengingen. Uit die periode dateren verhalen dat vrouwen lopend of zwemmend grenzen over moesten trekken. De visumplicht zorgde er in de jaren tachtig en negentig voor dat mensen creatieve reisroutes gingen ontwikkelen. Toen bijvoorbeeld Denemarken in de jaren negentig geen visumplicht had voor mensen uit landen die dat in Nederland wel hadden, reisden de vrouwen eerst naar Denemarken en werden vandaar naar Nederland gesmokkeld. (Altink, 1993).

Nu betreffen verhalen over ingewikkelde smokkelroutes bijvoorbeeld Nigeriaanse vrouwen voor wie geen toeristenvisum is of kan worden aangevraagd. (Afrika Studiecentrum, 2006). Tegenwoordig rijzen er vragen bij de wijze waarop jonge Chinese vrouwen in de beauty sector in Nederland en andere landen terechtkomen. Vooralsnog zijn er geen aanwijzingen dat de Chinese vrouwen die de Beauty Salons bevolken via grote organisaties van Chinese mensenhandelaren, de zogeheten slangenkoppen in Nederland komen. (Knotter et al, 2009) Volgens een Chinese vrouw die betrokken was bij het veldwerk van De Rode Draad worden de papieren op andere manieren geregeld.

Het leven van een persoon kan volkomen ontregeld raken als hij/zich laat overhalen onder valse voorwendselen te migreren. Daardoor kan iemand in een positie komen dat de keuzemogelijkheden zodanig worden beperkt dat terugkeer moeilijk wordt. Als de ouders in het land van herkomst niet weten wat voor werk hun kind heeft gedaan, kan de relatie bij terugkomst voor altijd verstoord zijn. Dit lijkt vooral te gaan om mensen van buiten de EU.

Slavernij

Naar aanleiding van het ondertekenen door Nederland van het zogeheten Palermo protocol  in 2000 is de definitie van mensenhandel in Nederland verruimd. Dit betreft de formulering van lid 2 van de delictsomschrijving: ‘uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij en in met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken.’ Ook uitbuiting en schending van mensenrechten buiten de prostitutie vallen er nu onder.

In de nieuwe benaming ‘mensenhandel’ die de term ‘vrouwenhandel’ vervangt, is het delict ontdaan van zijn genderspecifiteit, maar nog niet van de verwijzing naar slavenhandel. In analogie met de slavenhandel beschrijft men de uitbuitingscomponent in de mensenhandel als een vorm van slavenarbeid: slavery like conditions ofwel moderne slavernij. [vii]  Volgens Van der Leun en Vervoorn, die zich baseren op Wijers en Chew (1997), moet er bij het bepalen van slavernij- achtige omstandigheden een relatie met de wijze van werving worden aangetoond. Van der Leun en Vervoorn (2004) beseffen ook dat de associatie met slavernij beladen is, en dat er grote verschillen tussen slavernij en mensenhandel bestaan:

  • De huidskleur is niet meer bepalend voor het slachtofferschap, maar sociale en economische omstandigheden spelen wel een rol.
  • Vroeger was een slaaf een investering, nu is het een vervangbaar product.
  • In de tijd van de slavernij gold het eigendomsrecht als dwangmiddel, nu is dat geweld.

Haveman wijst erop dat abolitionisten sowieso de term slavernij onjuist gebruiken. Bij het afschaffen van slavernij schaft men immers niet de activiteit af, bijvoorbeeld katoen plukken of spoorlijnen aanleggen, maar de slechte omstandigheden waaronder dit gebeurt. (Geciteerd in Boonen, 1999, p 44) O’ Connell Davidson (2006) wijst er ook op dat de associatie met slavenhandel de zaak vertroebelt. Wat wordt er verkocht en wat is precies de slavernij in de arbeid?

Deze discussie proberen sommige auteurs uit de weg te gaan door het element ‘dwang’ toe te voegen. In de vijfde rapportage van het Bureau Nationaal Rapporteur Mensenhandel (BNRM, 2007) wordt gesteld dat er dwang moet worden uitgeoefend om van mensenhandel te kunnen spreken. [viii] Dit gebeurt bijvoorbeeld als er gedreigd wordt met aangifte doen van illegaal verblijf. Bij feiten en omstandigheden, wordt af en toe de culturele situatie erbij gehaald. Dit gaat om de onbekendheid van de de slachtoffers met de Nederlandse regelgeving. Van der  Leun en Vervoorn menen dat eveneens op grond van de definities van Wijers en Chew het element dwang een relatie moet hebben met de werkomstandigheden.

Uitbuiting

De uitbuitingssituatie is een wezenlijk kenmerk van mensenhandel, maar valt moeilijk te definiëren. Deskundigen zijn het erover eens dat er geen eensluidende definitie van uitbuiting bestaat. [ix] Zie bijvoorbeeld het volgende citaat uit het rapport Inzicht in Uitbuiting (Borne en Kloosterboer, 2005):  “Het maar overlaten aan veld en jurisprudentie om invulling aan het begrip te geven, zet iedereen in een afwachthouding”, aldus een respondent.

Kloosterman en Borne (2005) komen tot de volgende werkdefinitie van mensenhandel: ”Uitbuiting van een ander door gedwongen of verplichte arbeid of diensten waarbij sprake is van een sterke inperking van de vrije keuze. Dat de keuze sterk is ingeperkt zouden we vrij kunnen vertalen in de vraag of iemand kan besluiten ofwel elders te gaan werken (of diensten verlenen) ofwel terug te keren naar het land van herkomst. Of dit wel of niet mogelijk is kan het gevolg zijn van dwang of misleiding in ruime zin.

Kloosterman en Borne (2005) noemen daarbij de volgende werkomstandigheden:

Geen uitbetaling van het minimumloon

Te lange werktijden

Afhankelijkheid van de werkgever voor huisvesting. Van der Leun en Vervoorn (2004) hebben het in dit verband over meervoudige afhankelijkheid van de werkgever (bijvoorbeeld de werkgever regelt ook huisvesting, kleding, vervoer, of de werknemer heeft schulden bij de werkgever.) Van der Leun en Vervoorn (2004) noemen diezelfde kenmerken, maar voegen er beperking van basisvrijheden en aantasting van de lichamelijk integriteit aan toe.

Het werken of verlenen van diensten onder zeer slechte arbeidsomstandigheden (bijvoorbeeld de werknemer ontvangt een ongebruikelijk laag loon, werkt onder gevaarlijke omstandigheden, maakt uitzonderlijk lange werkdagen of werkweken)

Een sterke inperking van basisvrijheden van de betrokkene (bijvoorbeeld de werknemer kan of mag geen contact hebben met de buitenwereld, heeft geen beschikking over eigen identiteitspapieren, en heeft geen beschikking over eigen verdiensten).

Er is een gebrek aan informatie over de eigen positie (bijvoorbeeld de werknemer is misleid over de aard van het werk of over de verdiensten).

Van der Leun en Vervoorn noemen expliciet de keuzevrijheid: als men niet meer voor ander werk kan kiezen en niet meer weg kan, is er sprake van uitbuiting in de zin van mensenhandel. Davies (2003) wijst er overigens op dat dit zich in Italië heeft gekeerd tegen de slachtoffers; wanneer zij ontsnapt waren, voldeden zij niet aan het kenmerk: niet meer weg kunnen.

 

In Nederland vindt men schending van fysieke en mentale integriteit het onderscheidende kenmerk waardoor uitbuiting mensenhandel wordt. Zowel Borne en Kloosterman als Van Leun en Vervoorn (2004) wijzen er echter op dat het niet moet gaan om incidenten, maar om een systematische schending van mensenrechten.

In 2009 constateerde Watering dat de jurisprudentie niet heeft geleid tot een nadere teleologische invulling van uitbuiting in de zin van mensenhandel. De vaagheid van de delictsomschrijving is daar debet aan. Van der Leun en Vervoorn signaleren de moeilijkheid dat de definitie die voor prostitutie is gemaakt, ook toepasbaar is op bijna alle vormen van illegale arbeid. In de laatste versie is ook het handelen met het oogmerk van uitbuiting, dus alleen met de bedoeling om uit te buiten, strafbaar gesteld. Van der Leun merkt in 2010 in een publicatie die ze samen met Van der Mey schreef dat de reikwijdte van de delictsomschrijving wel erg groot is geworden.

O’Connell Davidson (2006) vraagt zich af waarom al die aandacht voor uitbuiting nog geen positieverbetering voor sekswerkers heeft opgeleverd. De omstandigheden van uitbuiting die men beschrijft in voorbeelden van mensenhandel en overige uitbuiting lijken heel erg op de misstanden die wij endemisch noemen voor de prostitutie. Dwang en uitbuiting vormen immers een gesitueerde risicostructuur in het prostitutieveld. De dagboekfragmenten van de insider (de sekswerker die het onderzoek mede uitvoerde) leren dat er juist in de prostitutie veel overige, dus economische uitbuiting plaatsvindt, een term die diende om het juist te onderscheiden van prostitutie. Ook als er geen dwang tot prostitutie is kan men te lang moeten werken en/of worden onderbetaald. Daar komt nog bij dat het moeilijk is onderscheid te maken tussen de uitbuiting door handelaren en de endemische uitbuiting in de prostitutiebedrijven, zoals bijvoorbeeld beschreven in het rapport Rechten van Prostituees  (Altink en Bokelman, 2006. Zie ook O’Connell Davidson, 2006, 11-14, Roessingh en Ramesar, 2011). Sekswerkers kunnen worden uitgebuit zonder dat ze aanwijsbaar slachtoffer van mensenhandel zijn. Niettemin maken auteurs in Nederland tegenwoordig onderscheid tussen ‘overige uitbuiting’ en seksuele exploitatie. (o. a. Nationale Rapporteur, de vijfde rapportage). Wij vinden het vreemd om economische uitbuiting als ‘overige uitbuiting’ te betitelen met het doel het te onderscheiden van het soort uitbuiting dat in de prostitutie kan plaatsvinden.

Eenzelfde verhaal kan men toepassen op de term seksuele uitbuiting. Van dwang tot seksualiteit is sprake als men

1. Niet kan weigeren met een bepaalde seks te hebben, in het geval van de sekswerker is dat als ze geen klanten kan weigeren. Dit kan gaan om bepaalde klanten maar ook om alle klanten, wanneer men niet in de prostitutie wil werken.

2. Geen bepaalde seksuele handelingen kan weigeren.

3. Klanten moet nemen op tijden dat men dat niet wil.  (Dit is nader uitgewerkt in De Vier Vrijheden)

De delictsomschrijving bekritiseerd

De delictsomschrijving beschrijft een proces waarin bovengenoemde componenten in een  bepaalde volgorde, een verhaal moeten vormen. (Connell Davidson 2006). Het misdrijf in kwestie is geen gebeurtenis maar een proces, waardoor de opsporing volgens Verhoeven et al. (2011) wordt bemoeilijkt. Het blijft merkwaardig dat handelingen die intuïtief als afkeurenswaardig, een schending van mensenrechten of als zware misdaad worden beschouwd zo moeilijk te vatten zijn in een delictsomschrijving. Ook is het element afpersing, een toch nogal voor de hand liggend delict in het kader van mensenhandel pas later aan het artikel toegevoegd. (Werson, 2012) Het resultaat is het langste en het meest onduidelijke artikel in het Wetboek van Strafrecht, aldus Officier van Justitie Ten Kate.[x]. R.Haveman stelt in zijn proefschrift voor om de verschillende componenten van de delictsomschrijving als aparte misdrijven te zien en als zodanig te berechten. Dit gaat om zaken die sowieso strafbaar zijn:

  • verkrachting
  • oplichting
  • afpersing
  • mishandeling
  • schending arbeidsrechten (door middel van een civiele procedure aan te pakken)
  • vrijheidsberoving

Waarom kunnen uitbuiting, afpersing en het niet of te weinig uitbetalen niet als afzonderlijke feiten worden vervolgd? Het is bijvoorbeeld de vraag of het meer pragmatisch is ‘afpersing’ in verband te brengen met de delictsomschrijving dan het als een afzonderlijk delict te zien. Het is immers ook strafbaar zonder dat er een of andere vorm van dwang is uitgeoefend bij de werving van een sekswerker. De optelsom van de samenstellende delicten zou wel eens een hogere straf kunnen opleveren dan een veroordeling wegens mensenhandel.

De  aangifte

Diverse auteurs wijzen erop dat mensen die wel signalen afgeven slachtoffer te zijn van mensenhandel zich niet altijd in de delictsomschrijving herkennen. Uit interviews blijkt immers dat er een grote kloof zit tussen het verhaal over de strafbare feiten, dat soms wordt aangepast aan de retoriek van de mensenhandel en het werkelijke verhaal, waarin allerlei andere niet-strafbare zaken ook een rol spelen. (Andrijesevic, (2003), (Verhoeven et al, 2011, Rode Draad, 2012, Hopkins (2005) Auteurs als Davies (2003), Andrijsevic (2004), James,  (2011) suggereren zelfs dat slachtoffers gedwongen worden of zich gedwongen voelen hun verhaal te presenteren als passend in de delictsomschrijving. De politie heeft de zware taak de strafbare feiten uit deze verhalen te destilleren waarin ook niet strafbare feiten een rol spelen, zoals de liefdesrelatie of de familiebanden met de ronselaar, de wijze van reizen en andere details. Achteraf moet blijken of deze mix van strafbare en niet- strafbare feiten een situatie van overwicht en/ of een afhankelijkheidssituatie oplevert die misbruik tot gevolg heeft gehad. De politie kan pas op grond van objectief waargenomen (strafbare) feiten, die te herleiden zijn tot een (rechts) persoon iemand als verdachte aanmerken. Daarna is het aan de Officier van Justitie om wat OVJ Ten Kate de boosheid van de vrouw noemt te vertalen in bestanddelen van het wetsartikel. Hoe valt bijvoorbeeld te bewijzen dat het oogmerk van al die handelingen, uitbuiting is? Dat is al moeilijk genoeg, maar daar komt nog bij dat veel aangiften niet volledig zijn. De persoon die aangifte doet is emotioneel en maakt niet altijd onderscheid tussen wat wel en niet relevant is.  [xi]

Dit is deel 4 van een ongepubliceerde bijlage bij het Internationaal vergelijkend onderzoek.

Wagenaar en Altink

Bronnen


[i] Het werd op 3 december getekend

 

 

 

 

[ii] Het aanwerven, medenemen of vervoeren voor prostitutie in een ander land bleef strafbaar, onder invloed van internationale verdragen.

Het aanwerven, medenemen of vervoeren voor prostitutie in een ander land bleef strafbaar, onder invloed van internationale verdragen.

 

 

 

 

[iii] Dat is overigens nog steeds verboden krachtens lid 3 uitvoeringsbesluit van de Wet Arbeid Vreemdelingen.

 

 

 

 

[iv] Dit komt uiteindelijk terecht in 273F Wetboek van Strafrecht.

 

 

 

 

 

[v] Men kan zich ook nog afvragen of hier geen genderbias speelt: het bemiddelen voor mannelijke migranten lijkt minder problematisch te zijn dan voor vrouwelijke migranten.

 

 

 

 

[vi] In bijvoorbeeld een rechtszaak in Haarlem ging het over de kwestie of het verwijtbaar was dat de asielzoeker zijn documenten aan een reisagent had afgegeven. Publicatie op 6-1-11: Haarlem, LJN BP0029, Awb 09/40648. In het rapport van M. Olde Monnikhof, en H. van den Tillaart, Alleenstaande minderjarigen, Ama-beleid en ama-instroom in Nederland en andere EU landen alsmede de deelname aan van ama’s aan het Nederlands onderwijs, een samenvatting, uitg. ITS, Nijmegen, WODC, 2003

 

 

 

 

 

[vii] Deze term is ingeburgerd sinds het verschijnen van Wijers, M, en Chew L., (1997) Trafficking in Women, Forced Labour and Slavery-like Practices in Marriage Domestic Labour and Prostitution,  Utrecht, uitgegeven door de Stichting tegen Vrouwenhandel.

 

 

 

 

[viii] Overigens denkt men er in andere landen anders over. In Frankrijk spreekt men  van mensenhandel als er onder mensonwaardige omstandigheden wordt gewerkt. België gaat nog verder : alle omstandigheden die niet in overeenstemming zijn met het Belgisch arbeidsrecht.

 

 

 

 

 

[ix] Deze onduidelijkheid kwam naar voren op een congres over dit onderwerp, georganiseerd door de Nationale Rapporteur Mensenhandel. Daar constateerde de deskundige Roger Plant bijvoorbeeld dat geschriften over het onderwerp vooral uit emotioneel geladen anekdotes bestaan. In Europa is men betrekkelijk recent met deze materie aan de slag gegaan.

 

 

 

 

[x] Dit zei hij tijdens de presentatie van het boek De Fuik van Henk Werson, in Amsterdam op 19 januari 2012.

 

 

 

 

[xi] OVJ Ten Kate op boekpresentatie 19 jan 2012