Vrouwen te koop

Vrouwen te koop

 

In 1910, aan de vooravond van de invoering van het bordeelverbod, werd op een internationale conferentie in Parijs alleen de werving voor prostitutie strafbaar geacht. Straf voor gevangen houden in een bordeel vond men een probleem om op nationaal niveau aan te pakken. In datzelfde jaar begonnen in Nederland de voorbereidingen voor het invoeren van het bordeelverbod. Toch wilde men naast het houden van bordelen  (250 bis Wetboek van Strafrecht) vrouwenhandel apart strafbaar stellen. Het toenmalige art. 250 ter Sr. (het vrouwenhandel artikel) luidde: ‘Vrouwenhandel wordt gestraft men een gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren’. Wat vrouwenhandel behelsde, vermeldde de wetgever toen niet.  In het begin van de twintigste eeuw is alle werving van sekswerkers over de grens in internationale verdragen strafbaar verklaard. Tot voor kort was het derhalve in Nederland nog officieel strafbaar om bijvoorbeeld een Belgische sekswerker vanuit Antwerpen een lift te geven naar haar werkplek in Breda.

De kwestie kwam in 1949 in een stroomversnelling toen tijdens de vergadering van de Verenigde Naties inzake het anti-vrouwenhandel verdrag een discussie werd gevoerd over de vertaling en interpretatie van het woord ‘exploitation’. Moest dat vertaald worden als ‘uitbaten’ of als ‘uitbuiten’? De vergadering koos ervoor iedere vorm van exploitatie van prostitutie als uitbuiting te beschouwen.

Tot 1993 luidde de tekst van het vrouwenhandelartikel 250 ter Wetboek van Strafrecht : ‘Elke daad die ertoe strekt een vrouw over te leveren aan de prostitutie onverschillig of zulks met haar toestemming geschiedt en onverschillig of zij als prostituee werkzaam is.’ Deze formulering kwam tot stand naar aanleiding van een uitspraak van De Hoge Raad uit 1983.

In 1993 is de delictsomschrijving vernieuwd. Men vond dat ‘dwang en geweld’ er een plaats in moesten krijgen. Er zou sprake zijn van vrouwenhandel als een vrouw in een positie zou worden gebracht die een mondige prostituee in Nederland nooit zou accepteren. De ‘mondige prostituee‘ in Nederland werd echter in het spraakgebruik verhaspeld tot ‘mondige Nederlandse prostituee’, waarmee werd gesuggereerd dat migranten in de Nederlandse prostitutie niet mondig zijn. [I]Interview met Wijers in Altink, 1993 Deze ‘mondige’ prostituee  is uit latere versies van de delictsomschrijving verdwenen. Dit begrip riep namelijk te veel vragen op als: ‘Zijn slachtoffers niet mondig en hoe bepaal je precies de mondigheid van een prostituee die in Nederland werkt?’

De discussie stokte omdat de afschaffing van het bordeelverbod in het slop raakte, waardoor de delictsomschrijving, de nieuwe 250 ter Sr. in de wacht werd gezet. De tekst die uiteindelijk in 2000 in de wet terecht kwam werd: “Als schuldig aan mensenhandel wordt met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of een geldboete van de vijfde categorie gestraft: degene die een ander door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over een ander heeft, werft, vervoert, overbrengt, huisvest, of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen. (…) ‘Dus ook de handel in menselijke onderdelen, werd hiermee strafbaar gesteld. Het is het langste en het meest onduidelijke artikel in het Wetboek van Strafrecht, aldus Officier van Justitie Ten Kate in 2012. De delictsomschrijving beschrijft namelijk een proces waarin bovengenoemde componenten in een bepaalde volgorde, een verhaal moeten vormen. [II]Connell Davidson, 2006

Haveman stelde in zijn proefschrift voor om de verschillende componenten van de delictsomschrijving als aparte misdrijven te zien en als zodanig te berechten. Dit zijn al strafbare zaken als verkrachting, oplichting, afpersing, mishandeling en vrijheidsberoving. De optelsom van de straffen voor de samenstellende delicten zou wel eens een hogere straf kunnen opleveren dan een veroordeling wegens mensenhandel.

Vanaf 2005 is de term vrouwenhandel vervangen door mensenhandel en is de term niet meer uitsluitend gereserveerd voor werk in de prostitutie. Daarmee is het delict ontdaan van zijn genderspecifiteit, maar nog niet van de verwijzing naar slavenhandel. De uitbuitingscomponent blijft men immers als moderne slavernij zien. In die term klinkt nog steeds de erfenis van de negentiende -eeuwse abolitionisten door. Maar bij het afschaffen van slavernij schaft men immers niet de activiteit af, bijvoorbeeld katoen plukken of spoorlijnen aanleggen, maar de slechte omstandigheden waaronder dit gebeurt. [III]Boonen, 1999, p.44 Maar de meeste negentiende -eeuwse abolitionisten wilden de prostitutie als zodanig afschaffen.

Gedwongen prostitutie

In deze eeuw hebben er belangrijke ontwikkelingen plaatsgevonden bij de politie. De aanpak van mensenhandel was rond 2000 niet langer meer afhankelijk van de persoonlijke inzet van een rechercheur, maar was een algemene prioriteit geworden. Het is nu een specialisatie waar een agent een speciale training voor moet doorlopen. Alle teamleden van het controleteam Rotterdam, en niet alleen de zedenrechercheurs zijn op mensenhandel gecertificeerd. Zij moeten signalen van mensenhandel herkennen. De politie heeft zicht op de ‘harde signalen’, zoals het niet kunnen beschikken over een paspoort. Leken als hulpverleners en dergelijke hebben hier ook een taak in maar kunnen in de regel alleen ‘zachte’ signalen ontwaren. En die zijn vaak kwestieus. ‘Chagrijnig kijken’ is al zo’n signaal, zo ook ‘mager zijn’. Anderen zien het hebben van een huisdier als significant, want een pooier kan dreigen dat dier iets aan te doen. Met andere woorden, signalen moeten in een bepaalde context worden geduid, zo niet, dan bestaat het risico dat mensen ten onrechte – omdat ze bijvoorbeeld een huisdier hebben- tot slachtoffer worden bestempeld.

In 2008 schrok de politie van een grote mensenhandelzaak. Turkse broers hadden vrouwen en meisjes in diverse steden in de (vergunde) raamprostitutie gedwongen en ernstig mishandeld. Mede door deze zaak ging het publiek ineens spreken over‘ gedwongen prostitutie’ zonder dat nader te omschrijven. De term ‘gedwongen prostitutie’ is een containerbegrip voor alles wat intuïtief als dwang aanvoelt dat er sprake is van een vorm van dwang. Sommigen willen sekswerk onder druk der omstandigheden ook als gedwongen prostitutie bestempelen. In dit geval betekent ‘dwang’ gebrek aan alternatieven. Dit kan namelijk om totale dwang maar ook om dwang tot het dragen van bepaalde kleding gaan. Een minder ‘luie’ formulering zou moeten zijn: prostitutie onder de een of andere vorm van dwang.’ In een opzienbarend rapport naar aanleiding van deze zaak werd gesteld dat 50-90 procent van de sekswerkers ‘gedwongen’ is. Dat is een veel te hoge foutmarge voor een betrouwbare opgave. Tijdens een debat in Amsterdam werd aan een politiefunctionaris gevraagd hoe groot percentage was dat ‘gedwongen was.’ Zijn terechte antwoord luidde: ‘Ik weet niet eens hoeveel sekswerkers dagelijks actief zijn, laat staan dat ik weet hoeveel er gedwongen worden’. In het debat is de nuance om wat voor soort dwang het gaat verloren gegaan.

Sietske Altink

 

Bronnen


 

 

 

Noten   [ + ]

I. Interview met Wijers in Altink, 1993
II. Connell Davidson, 2006
III. Boonen, 1999, p.44