In Nederland is er beleid gemaakt op het gebied van opsporing en bejegening van slachtoffers.

Bejegening slachtoffers

Een blanke slavin

Een blanke slavin

Vanuit de oprichting van het netwerk tegen vrouwenhandel in Rotterdam in 1983 ontstonden er in Nederland werkgroepjes die verhalen verzamelden van slachtoffers van sekstoerisme en vrouwenhandel. Deze werkgroepen die onder de paraplu Stichting Aktie tegen Vrouwenhandel opereerden, kregen in 1987 onder de naam Stichting Tegen Vrouwenhandel subsidie van de Directie Coördinatie Emancipatiebeleid om de slachtoffers te helpen. Vanuit de regionale werkgroepen, die zich hadden verenigd in een Landelijk Platform tegen Vrouwenhandel werden acties voorbereid om gedwongen uitzettingen te voorkomen.[i] Er was namelijk de wonderlijke situatie ontstaan dat volgens de overheid de slachtoffers geholpen moesten worden, maar dat diezelfde overheid ze meteen na hun identificatie het land uitzette. Dit was niet bevorderlijk voor de aangiftebereidheid, zo er al gelegenheid was om aangifte te doen.

In 1987 werd er in de Tweede Kamer een hoorzitting gehouden over deze kwestie waar een slachtoffer, van wie de zaak beroemd was geworden dankzij de documentaire Cannot Run Away, het woord voerde. Het resultaat was dat slachtoffers niet meer onmiddellijk mochten worden uitgezet. Deze uitspraak kwam terecht in de vreemdelingencirculaire, paragraaf B22. [I]Diverse bronnen waaronder de Brochure van de Socialistische Fractie, EP, 1989) Zo ontstond de B22 regeling, die later de B17 en nog later de B9 en recentelijk B8 regeling zou gaan heten, naar de relevante paragraaf in de vreemdelingencirculaire. In de formulering van de B17 paragraaf werd uitdrukkelijk opgenomen dat er ‘bij een gering vermoeden van vrouwenhandel’, geen uitzetting van de vrouwen mocht volgen. (Haveman, 1996).

Een Indonesisch slachtoffer wist de politici ervan te overtuigen dat een verhandelde vrouw soms helemaal niet meer terug kon naar haar land van herkomst (Wijers, 1996). De B22 maakte het wel mogelijk om na de aangifte gedurende langere tijd contacten met slachtoffers te onderhouden. Uit gesprekken met de slachtoffers bleek echter al snel dat ze eerst tot rust moesten komen om de eerste emoties te overwinnen, voordat ze een coherent verhaal konden vertellen. (Wijers, Haveman, Altink, 1991) Daarom werd er een bedenktijd van drie maanden toegekend aan de aangevers in spé.

De volgende wijziging is ook met participatie van een betrokkene doorgevoerd. Een niet legale, doch niet verhandelde Colombiaanse sekswerker had gezien hoe haar Poolse buurvrouwen werden mishandeld door de handelaren. Zij kon het niet langer aanzien en meldde het bij de politie. Daarop belandde ze als illegaal in vreemdelingenbewaring. Zij wist de pers in te schakelen, met als resultaat dat minister Hirsch Ballin tijdens een bijeenkomst ter ere van de opening van het nieuwe kantoor van de Stichting Tegen Vrouwenhandel kon aankondigen dat getuigen verblijfsrecht kregen zolang hun aanwezigheid voor de strafzaak noodzakelijk was.

Een tweede golf van participerende slachtoffers pakte dit punt van de rechten van slachtoffers weer op. In 2004 richtten enkele slachtoffers de actiegroep Atalantas op. Zij wilden namelijk iets doen aan de beeldvorming van het slachtoffer als een persoon die niet alleen slachtoffer is van een of meerdere delicten, maar ook nog het stempel krijgt naïef en passief te zijn. Deze groep wilde meepraten over de opvang van slachtoffers, het beleid ten aanzien van mensenhandel en het slachtoffer sowieso een stem geven. (Ziverte, 2005) Atalantas is nu ontbonden, onder andere door gebrek aan subsidie. De stem van het slachtoffer, als aangeefster en ook als persoon die geen aangifte wil doen, is verstomd.

Voor illegalen die aangifte doen was en is het dus van belang om aan te tonen dat ze slachtoffer zijn van meerdere componenten van de delictsomschrijving. Zij verwerven daarmee  het  recht op de B9 status. Wanneer de rechtszaak tot een veroordeling leidt, dan mag het slachtoffer in Nederland blijven. Ook als een rechtszaak langer dan drie jaar duurt, kan een slachtoffer een aanvraag doen voor zelfstandig verblijf. Hij/ zij mag tegenwoordig werken, mits het niet in de prostitutie is. Ze kunnen gemakkelijker een beroep doen op juridische bijstand en schadevergoeding  eisen dan voorheen. In 2006 waren er 67 gespecialiseerde advocaten. (Vianen et al, 2006). Wanneer een slachtoffer alleen aangifte doet van afpersing of een ander delict uit het pakket, dan krijgt hij/zij die status niet. (O’Connell Davidson, 2006)

De B 9 , nu B8 en voorheen B 22 en B17 status is dus voordelig voor het slachtoffer – zij is er beter aan toe dan de vrouw die aangifte doet van bijvoorbeeld alleen afpersing-  maar al met al is het verblijfsrecht van het slachtoffer verbonden aan de medewerking aan de strafrechtelijke procedure. De eisen voor slachtoffers om voor verblijfsrecht in aanmerking te komen zijn zelfs strenger dan die voor asielzoekers. (Rijken, 2012) De politie heeft daarom nogal veel beslissingsbevoegdheid  – volgens Rijken te veel (2012) – om te bepalen of het slachtoffer wel of niet aan de voorwaarden voldoet.

Tot de jaren negentig liep Nederland voorop in zijn benadering van slachtoffers, in andere landen werden ze gewoon uitgewezen. Maar in 2003 hebben België en Italië vergelijkbare regelingen ingevoerd, met dit verschil dat ze in Italië en België konden werken, (wat in Nederland pas later mocht) en een verblijfsvergunning konden krijgen op grond van humanitaire redenen van dringende aard. (Hopkins en Nijboer, 2003)

Politie steeds alerter

Van Ammelrooy merkte in (1989) in haar poging enig cijfermateriaal boven tafel te krijgen dat in veel gevallen de politie vrouwenhandel niet apart registreerde, maar het onder andere vormen van criminaliteit schaarde. De Boer (1995) beschrijft een geval van een politieagent die het  tijdens een controle niet verdacht vond dat Thaise vrouwen hun paspoorten hadden afgegeven. In de periode die zij beschrijft was het herkennen van de ernst van de situatie afhankelijk van de inzet van een enkele of een groep politiemensen.

Het Rotterdamse korps stak in die periode gunstig af. Daar speelden in 1988-1989 en van 1988- 1997 een paar grote zaken waaronder die van de zaak van de Bende van de Miljardair. Deze zaak is door diverse auteurs beschreven. (Fijnaut, 1993, Altink, 1993, 1995 en 1998, De Stoop, 1992) Het boek van De Stoop heeft veel stof doen opwaaien en was in België aanleiding voor een parlementaire enquête. [ii] De zaak van de Miljardair ging om een Belgisch/ Nederlandse bende met contacten in vele landen, die minstens honderd vrouwen in een uitbuitingssituatie in Nederland, België en Denemarken aan het werk hield. De bende stond voor het eerst terecht in 1991, maar de zaak werd geseponeerd omdat de OVJ had toegestaan dat de belangrijkste getuigen werden uitgewezen. Volgens Fijnaut (1993) speelde de onduidelijkheid van de delictsomschrijving een rol in dit sepot. Pas in 1997 werden enkele kopstukken veroordeeld.

In 1993 bleek dat Rotterdamse politiemensen in deze zaak in verwarring verkeerden over de relatie tussen werving en uitbuiting. Uit een niet gepubliceerd interview naar aanleiding van het volgende contract:

 

Contract met dhr. M J. V. van Stage International.

Opgemaakt, 03-03-92

Contract is voor drie maanden. Artiest zal basisbetaling krijgen. Voor iedere dag 50 gulden voor optredens, 30 gulden per dag. Men dient minimaal 30 optredens te verzorgen.

10% van de provisie op rekening van de klant en verder krijgen ze nog enkele bonussen. Stage betaalt de reis terug. Stage zorgt voor onderdak en werkvergunning en belastingafdrachten. Artiest verklaart gezond en niet zwanger te zijn en accepteert medisch onderzoek door Stage.

Artiest krijgt in volgende gevallen boete:

150, gulden bij contractbreuk, wanneer de termijn is verstreken.

-500 gulden bij weglopen uit de club onder werktijd.

-500 gulden bij absentie van werk.

Uit een interview met een Rotterdamse politie- agent (1992)

De politieman: Het is heel makkelijk om mensen die afhankelijk zijn te manipuleren. Dat doet iedere werkgever. Hij ziet dat als een stuk management. Alleen dit is niet aanvaardbaar. In hoeverre kun en mag je gaan in het manipuleren van mensen binnen je bedrijfsvoering?  Het zijn natuurlijk wel bedrijven. Wanneer is het ontoelaatbaar en wanneer is het strafbaar?  Dat is het grote dilemma, met die contracten voor de Poolse meisjes heb je het eerder over een arbeidsgeschil, dat ze te lange werktijden hebben, en zijn ze het niet eens met de percentages.

 

In deze periode kwamen de exploitanten met de vrouwen naar het politiebureau voor een stempel. Deze korpsen meenden dat ze door de vrouwen van een tijdelijk visum te voorzien, ze de vrouwen in het oog konden houden, waardoor het risico dat ze slachtoffer zouden worden van mensenhandel kleiner werd. (De Boer, 1995) Toen dat niet het geval bleek te zijn, stopten deze politiekorpsen met dit beleid. Werson (2012) wijst erop dat dit niet zelfstandig naar het bureau komen tegenwoordig als een signaal van mensenhandel zou worden uitgelegd.

Er is veel veranderd. Er is veel meer capaciteit vrijgemaakt bij de politie. Er is een Taskforce Mensenhandel en de afdelingen Riec, die aan de politie zijn gelieerd, hebben ook een bestuursrechtelijke taak in de bestrijding van mensenhandel. Bij de politie is het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel in het leven geroepen. Er werd een speciale opleiding opgericht zodat specifiek voor de bestrijding van mensenhandel gecertificeerde politiefunctionarissen konden worden ingezet. De scholing strekt zich nu ook uit tot de ketenpartners. De politie brengt regelmatig een korpsmonitor uit.

Beleid

De reikwijdte van mensenhandel is groot en blijft niet beperkt tot West- Europa. Mensenhandelaren zijn actief op bepaalde routes in Azië; vanuit Birma naar bijvoorbeeld Thailand, vanuit Thailand naar Japan, vanuit Bangladesh naar India. In de Verenigde Staten zijn gevallen uit Mexico aan het licht gekomen. Al deze landen hebben een verschillend beleidsregime ten aanzien van prostitutie. De vraag of het voorkomen van mensenhandel afhankelijk is van het beleidsregime in een bepaald land bespreken we in het licht van het volgende:

1. De definities van mensenhandel van verschillende beleidsregimes zijn moeilijk te vergelijken.

2. In de loop van de tijd kan de alertheid op mensenhandel af- of toenemen.

3. Exogene factoren, zoals de geografische ligging maar ook politieke ontwikkelingen zoals het opengaan van de grenzen met Oost-Europa kan mensenhandel doen toenemen, afnemen of van aard doen veranderen.

Roessingh en Ramesar (2011) beweren dat de mensenhandel de laatste jaren is toegenomen. “Terwijl vrouwenhandel prioriteit van de politie was, verviervoudigde tussen 2003 en 2010 het aantal geregistreerde slachtoffers van vrouwenhandel.” Zo citeert E. Tonkens hen in De Volkskrant. [iii] Hierin klinkt de schok door die de KLPD teweeg bracht met het rapport: Schone Schijn, (2008).  De bewering van de twee journalisten valt echter te staven noch te weerleggen. In de eerste plaats is het aantal slachtoffers moeilijk te schatten.  Roessingh en Ramesar (2011) beweren dat de vermeende toename verband houdt met de legalisering in 2000. Indien dat waar is, zouden er vooral bewegingen van mensenhandel plaats moeten grijpen vanuit andere regimes naar gedecriminaliseerde of regulatoire regimes. Maar dat is niet zo. Er is mensenhandel tussen landen met een regulatoir regime naar landen met een prohibitionistisch regime (vanuit West Europese landen naar de Golfstaten), en van prohibitionistische regimes naar andere prohibitionistische regimes. Er zijn te weinig voorbeelden van gedecriminaliseerde regimes om de conclusie te trekken dat die het meest of het minst risico op mensenhandel opleveren. In Australië en Nieuw –Zeeland, komt volgens deskundigen weinig mensenhandel voor, maar dat heeft volgens diezelfde deskundigen te maken met de geografische ligging, een exogene factor. (Abel, Healy, 2010) Het lijkt erop dat niet één type van beleidsregime kan garanderen een remedie tegen mensenhandel te zijn.

Er is slechts een voorbeeld gevonden van een vrouw die vanuit een gedecriminaliseerd regime (Nederland)  in een ander regime met mensenhandel te maken kreeg.

Intermezzo 7: van Nederland naar de Antillen.

Ik zag al snel dat de eigenaar van de club niet bepaald netjes omging met de meiden die bij hem in de club werkten.Het was voor de meiden verboden om het terrein van de club of het huis zonder begeleiding te verlaten, de reden hiervan zou “ hun eigen veiligheid “ zijn. Verder nam de eigenaar van de club geregeld meisjes mee naar huis, zonder ze te betalen voor eventuele diensten.

Na verloop van tijd kwamen er ook andere Nederlandse meiden in de club werken, om de zoveel weken kwamen er nieuwe meiden uit Venezuela, Jamaica en Suriname. Al gauw ontstonden er problemen met de meiden onderling in het huis en werden ze overgeplaatst naar de club waar ze 24 uur per dag onder bewaking stonden. Een Nederlands meisje besloot op een gegeven moment toch op een middag met de andere meiden het terrein te verlaten zonder dit te melden. De andere meiden kwamen aan het eind van de dag na een bezoekje aan het strand terug maar het Nederlandse meisje bleef nog dagen spoorloos… (Zij kwam terug na mishandeld en verkracht te zijn, maar mocht geen aangifte doen)…

De politie weigerde  aanvankelijk een aangifte op te nemen omdat zij in de prostitutie werkzaam was  maar kwam daar op terug. (ingekort door SA.) Totdat  er eventuele aanhoudingen werden gedaan en er een proces had plaatsgevonden mocht zij het eiland niet verlaten. Ik bood het betreffende meisje aan om een paar dagen bij mij thuis tot rust te komen. De eigenaar van de club was het hier niet mee eens en vond dat ze gewoon weer aan het werk moest om de kosten van haar ticket terug te betalen. (Rode Draad, 2012)

 

De vraag naar het beleidsregime wordt ieder jaar weer actueel wanneer de US Department of State zijn jaarlijkse Trafficking in Persons Report (TIP)  publiceert. Daartoe heeft de Verenigde Staten zich verplicht krachtens de Trafficking Victims Protection Act uit 2000. Daarin worden de landen in drie ‘lagen’ (tiers) ondergebracht. In de derde laag bevinden zich landen die onvoldoende maatregelen tegen mensenhandel treffen, in de tweede laag landen die een waarschuwing moeten krijgen en in laag één de landen die voldoende inspanningen leveren. Nederland zit al een paar jaar in de eerste laag. (BNRM, 2011) Dat is niet altijd vanzelfsprekend geweest. In 2005 dreigde men Nederland naar de tweede laag te degraderen omdat de legalisering mensenhandel in de hand zou hebben gewerkt. De Amerikaanse ambassadeur Sobel maakte na een gesprek met de toenmalige minister van buitenlandse zaken Bot daar met succes bezwaar tegen. (website: Humantrafficking.info) [xxxiv]  De Verenigde Staten financieren geen anti – mensenhandel in Nederland. Maar voor andere landen kan de TIP rapportage schadelijk zijn: wanneer het beleidsregime aldaar niet in overeenstemming is met de Amerikaanse visie, heeft dat gevolgen voor de financiering. (Ditmore, 2006).

Wagenaar en Altink. Dit stuk is geschreven als bijlage bij het Internationaal Vergelijkend onderzoek en is vooralsnog niet gepubliceerd. (2012)

Bronnen

Interviews met twee geïdentificeerde slachtoffers.

Interviews met exploitanten en klanten.

Het archief van een van de auteurs.

Websites:

www.hookers.nl

www.kinky.nl

De websites van Comensha, Het Bureau de Nationale Rapporteur, het cvv.

 


[i] Waar overigens ook Prostitutes’ Rights organisaties aanschoven zoals De Rode Draad. Ook maakte een stagiare van de Graafstichting deel  uit van dit platform.

 

 

[ii] De BBC heeft samen met De Stoop er een documentaire over gemaakt. (The Women Trade, 1993)

 

 

[iii] ‘Terwijl vrouwenhandel prioriteit van de politie was, verviervoudigde tussen 2003 en 2010 het aantal geregistreerde slachtoffers van vrouwenhandel’. E. Tonkens, 2-11-11 Volkskrant

 

Noten   [ + ]

I. Diverse bronnen waaronder de Brochure van de Socialistische Fractie, EP, 1989