De kaken van prostituees in Lombroso (en Ferrero)

Door het stigma kleven er vooroordelen aan vooral de prostitutie van vrouwen. In de negentiende en begin twintigste eeuw hebben auteurs als Parent-Duchatelet  (1857) en Lombroso (1894) veel energie gestoken in het vervaardigen van schrijfsels waarin werd aangetoond dat de prostituee tot een minderwaardig mensensoort behoorde die een speciale aanpak op juridisch, medisch en psychisch gebied vergde. Zij beschreven hen als lui en ‘snoepzuchtig’ . Beide auteurs meenden dat prostituees dik werden van warme baden. Prostitutie beschreef hij als een vorm van degeneratie. De dierenliefde van prostituees moest hun gevoelloosheid ten opzichte van mensen compenseren. Lombroso had ‘gezien’ dat prostituees bepaalde lichamelijke kenmerken hadden: ze hadden langere handen maar kleinere voeten dan gewone vrouwen. Hun onderkaak was te groot. En de meeste vrouwen van lichte zeden hadden blond of rood haar.

In de twintigste eeuw schreven artsen die sekswerkers als patiënt hadden nog proefschriften waarin ze weer een nieuwe versie van de aloude vooroordelen produceerden. De keuze voor prostitutie zou het gevolg zijn van een gestoorde seksuele ontwikkeling. Op seksueel gebied zijn sekswerkers afwisselend als lesbisch, frigide of nymfomaan afgeschilderd. Een voorbeeld daarvan is het proefschrift uit 1961 van Wong. Hij was een van de wetenschappers die een prostituee nog als een vrouw met een psychisch tekort beschreef die een gewoonte of beroep maakte van haar noodzaak om seksuele omgang met diverse mannen te hebben. Iets later beschouwde Groothuyse sekswerk als een beroep voor mensen ‘met een ongereguleerde karakterstructuur en een gering moreel zelfbewustzijn.’

Ook fungeert nog in verschillende beleidsvertogen nog veelvuldig het beeld van de prostituee als iemand die per definitie een mankement vertoont: afkomstig is uit een gebroken gezin of belast is met een verleden van misbruik.

Het oude vooroordeel van de prostituee als echtbreekster die paradoxaal het huwelijk in stand houdt is inmiddels een gepasseerd station aangezien de huwelijkse moraal sinds de jaren zestig losser is geworden. De getrouwde vrouw zit niet meer per definitie thuis en prostitutie is niet meer de enige vorm waarin seks voor of buiten het huwelijk kan worden gerealiseerd. Oude vooroordelen, bijvoorbeeld dat prostituees de besmettingshaard van geslachtsziekten zijn, duiken nog wel eens op. Dat gebeurt bijvoorbeeld in landen waar men de volksgezondheid wil beschermen door sekswerkers verplicht op soa’s te testen. Dat is bijvoorbeeld het geval in Oostenrijk. Hierin herleeft het idee dat sekswerkers eenzijdig een besmettingshaard van ziekte zijn, een idee dat men in Nederland in de eerste decennia van de twintigste eeuw heeft laten varen ten gunste van het idee dat de hele seksueel actieve bevolking risico liep.

‘Prostituees zijn zielig, hun mannen zijn crimineel en hun klanten zijn vies’, is een opmerking die alle vooroordelen over de prostitutiewereld lijkt samen te vatten. Het stigma op prostitutie straalt af op allen die met prostituees te maken hebben. Dit noemt men wel ‘courtesy stigma’.

Sietske Altink

terug naar inhoudsopgave boek

bronnen