Spotprent. Burgemeester van der Louw

In de jaren zeventig waren veel vrouwen actief in de vrouwenbeweging. Vanuit het feminisme was er ook aandacht voor prostitutie. Het gedoe over Katendrecht en het Eroscentrum vormde een uitgelezen gelegenheid om van alles en nog wat voor sekswerkers, toen nog prostituees geheten, te bedenken. Zo vond in 1971 raadslid Lems dat een toekomstig Erosflat door een ‘dames- coöperatie’ moest worden bestierd. In 1975 verzocht raadslid Schilder het overleg met de NVSH en de GGD te starten over een sociaal bordeel, dat in de buurt van het Rotterdamse Centraal Station moest komen. De GGD produceerde in 1975 een nota waarin stond dat het prostitutiebeleid gericht moest zijn op normalisering, taboebestrijding en goede, tolerante wetgeving. In 1975 presenteerde de NVSH een bordeelplan: prostituees moesten in dienst van een stichting komen die hun een normale arbeidsovereenkomst aanbood. Ze moesten ook geld opzij kunnen leggen voor hun oude dag. Een eigen ordedienst moest voorkomen dat er pooiers binnenkwamen. Men stelde dat de huren in het sociaal bordeel laag moesten worden gehouden zodat ‘de concurrentie’ van ‘souteneurs’ vanzelf zou verdwijnen. De dames moesten wel keurig bij de politie worden geregistreerd. Het feit dat daar geen wettige basis voor was, interesseerde  niemand.

Elske ter Veld van de FNV vond het belangrijk dat de vrouwen zich organiseerden omdat ze uitgebuit werden door souteneurs. Ook moesten ze volgens haar gaan strijden voor de erkenning van hun vak. In 1976 was er namelijk een rapport verschenen over hun gebrekkige rechtsbescherming. Dat vormde voor de gemeente aanleiding om zich in 1977 voorstander van een sociaal bordeel te verklaren waarin prostituees zelfstandig konden werken. Men stelde zelfs een programma van eisen op. Het moest een soort BV worden waarin de belangen van caféhouders niet de overhand mochten krijgen; er moesten kortlopende huurovereenkomsten worden opgesteld zodat ze indien nodig snel konden worden bijgesteld. Er moest rechtstreeks aan de vrouwen worden verhuurd. Onderhuur moest er worden verboden. De zakelijke leiding diende in handen van een vrouw te komen.

Elske ter Veld pleitte er in 1978 voor sekswerkers toe te laten als lid van de FNV. Dit was geheel tegen de zin van Arie Groenevelt, destijds de grote man van de FNV. Hij vreesde dat veel leden daardoor hun lidmaatschap zouden opzeggen. Volgens districtbestuurder Wim Vijg konden prostituees geen lid worden omdat ze niet in loondienst waren, een argument dat tot eind jaren negentig een rol zou blijven spelen. Hij vond het een beter idee om hen een belangengroep te laten vormen. Ook de gemeente pleitte in 1979 voor de oprichting van een belangenvereniging van prostituees.

Aan het eind van de jaren zeventig en begin jaren tachtig was iedereen het erover eens: prostitutie is een bedrijfstak die niet meer uit een grote stad valt weg te denken. De Hervormde Stichting Kerkelijke Arbeid schreef bijvoorbeeld een nota waarin stond dat de klant als mens erkend moest worden. Dominee Visser van de Pauluskerk die het ook voor drugsgebruikers opnam,  pleitte voor decriminalisering van prostitutie.

Maar het emancipatoire damescollectief ging krachtens het bordeelverbod  niet door omdat een gemeente geen actieve rol in het stichten van een Eroscentrum mocht hebben. Derhalve kon Rotterdam ook niet eisen dat het modelbordeel door een ‘damescollectief’ zou worden geleid. Het plan om de GGD en de NVSH als managers aan te stellen en om met behulp van erfpachtovereenkomsten uitbuiting van sekswerkers onmogelijk te maken, verdween zo in de prullenbak.

Het optimisme van de bestuurders ten aanzien van de financiering kon echter niet op. Begin jaren zeventig dacht de PvdA nog dat de Erosflats zichzelf financieel zouden bedruipen. Ook wethouder Van der Have meende dat het wel in orde zou komen omdat er zich interessante investeerders hadden gemeld. De namen van Caransa en Heineken werden genoemd; de scheepswerfmagnaat Verolme zag ook wel wat in de financiering van de Erosboten.

De Duitse stichter van de Erosflats zat ook op het vinkentouw. Deze Kurt Kohls bezocht in 1972 voor de vijfde keer Rotterdam. Kohls liet in Duitsland seksuologen toezicht houden op de Erosflats. Souteneurs kwamen er volgens hem niet in. Degenen die buiten het centrum erbij klusten, vlogen eruit, maar verder bemoeide hij zich niet met het werk. Een goed plan? Kohls meende de Erosflats te kunnen financieren met de uitgifte van certificaten. Dat werd geregeld via een speciaal voor dit doel geopende rekening bij de Slavenburgse Bank. Overigens een niet zo handige keuze. In 1980 kwam deze bank in opspraak in verband met betrokkenheid bij fraude, witwassen en handel in drugs. Daarop veranderde de bank van naam.

Kohls maakte een prospectus waarin Nederlanders werden opgeroepen om 10.000 DM te storten voor ‘nette bordelen.’ Ook daar  kwam echter weinig van terecht.Maar wie moest het dan wel gaan beheren? De bordeelhouders op Katendrecht zagen er niet veel in. Het was te duur en in Duitsland hadden ze gehoord dat klanten er niet heen wilden.

Aan het eind van de jaren zeventig was de gemeente in gesprek gegaan met de  Stichting Exploitatie Eros- en Vermaakcentra Rotterdam. De aanstaande exploitanten waren Leyten, een man die seksclubs aan de Rechter Maasoever exploiteerde en de gokkoningen Smol en Driel Vis. Van Oostenbrugge meldde zich later als gegadigde. Leyten streefde naar  een superseksclub. Van Oostenbrugge wilde er daarentegen raamprostitutie plaatsen. Hij wist immers wat de klanten wilden: eerst kijken en dan pas diensten afnemen. Leyten vond dat een slecht plan, want de concurrentie tussen de vrouwen zou te groot worden. Het Eroscentrum moest geen bunker, maar iets gezelligs met patatkramen enzo worden. Het voorbeeld was Düsseldorf, waar men een paar keer is wezen kijken.

De bordeelhouders op De Kaap hielden zich afzijdig van de Stichting Exploitatie omdat zij vreesden dat dit alles ten koste zou gaan van kleinere jongens zoals zij. Exploitant Martin Simons: ‘Zonder onze medewerking verdwijnt de prostitutie niet van De Kaap. Die gasten van de Stichting. Exploitatie en Beheer Eros- en Vermaakcentra Rotterdam zijn uit op een monopoliepositie. Onze belangen zijn te groot om in handen van een stel amateurs te leggen. De kritiek van Katendrechters:  ‘Driel Vis en Leijten hebben we nog nooit op Katendrecht gezien. Het is een stichting van buitenstaanders.’

Vervolgens ging de gemeente weer onderhandelen met de Stichting Exploitatie en Beheer Eros- en Vermaakcentra.’

Driel Vis en Smol, de grote mannen achter de stichting waren naar voren geschoven door de directeur Bouw en Woningtoezicht, Porrey, die dacht dat de gemeente door de rechter als ‘onschuldig’ aan bordeelhouderij zou worden beschouwd, als het Eroscentrum met ‘neutraal’ dus zwart geld zou worden gefinancierd. Zwart geld is neutraal geld. Ja toch? Niet dan?

Na het gedoe op Katendrecht kwam G. van Driel Vis in 1983 als secretaris- penningmeester van St. Exploitatie en Beheer Eros- en Vermaakcentra met het ei van Columbus. Voor 50 miljoen wilde hij aan de Keileweg een grootschalig Eroscentrum opzetten. Hij onderhandelde hier jarenlang over met Porrey, directeur van Bouw- en Woningtoezicht. Driel Vis en de zijnen bedachten een grootschalig Eroscentrum waar 750 sekswerkers de winkels en de nachtclubs moesten opluisteren. Aan alles was gedacht. Twee artsen zouden de medische verzorging voor hun rekening nemen. Er zou zelfs een stalletje komen waar schuldbewuste bezoekers een bloemetje voor de vrouw thuis konden kopen, zoals ook al eerder bij Het Witte Huis gepland. De miljoenen die nodig waren om dit project te realiseren, ontbraken echter nog. Maar daarom niet getreurd. Driel Vis speelde de voorlopige koopakte door naar ene Weeder die het geld legaal kon aanleveren. Dit leidde tot het volgende dieptepunt: de gemeente ging gokbazen inzetten.

Sietske Altink

Terug naar de inhoudsopgave van het boek

Bronnen