In 1895 rolde de Rotterdamse politie met collega’s uit Brussel, Antwerpen, Riga en Berlijn een internationaal prostitutienetwerk op dat vrouwen aan Oost-Europese bordelen leverde. Een van de sleutelfiguren daarin was Anna Takatz uit Hongarije. Zij had goede connecties en legde contacten met West-Europese vrouwen die in een Russisch bordeel wilden werken. Zij woonde samen met een belangrijk man en voorzag Riga van vrouwen. Riga was een grote

Affiche

transitoplaats voor de bevoorrading van bordelen. In 1894 verliet zij Brussel en vertrok naar Rotterdam. Haar zus Kamilla Takatz was gouvernante (opzichter over de vrouwen) in een bordeel aan de Binnenrotte (het bordeel van Rabuchin). Anna Rabuchin was diep in de vrouwenhandel verwikkeld. Zij was een in de steek gelaten wees en had vanaf haar 16de in haar levensonderhoud met werken in bordelen moeten voorzien. Anna Takatz en Rabuchin gingen veel met elkaar om. In 1895 nam Josphine Maria Verrept, geboren 2-12-1877 in Antwerpen, contact met de twee vrouwen op. Op jonge leeftijd was ze in Brussel getrouwd en had twee kinderen gekregen. Het huwelijk was gestrand. Ze kon het financieel niet bolwerken omdat haar moeder haar en haar twee kinderen niet wilde ondersteunen. Na hun eerste contact reisden de Takatz, Rabuchin en Verrept naar Brussel, waar Takatz de placeur Mouton kende, een man met vele  Russische contacten. Een placeur is een persoon die werkplekken zocht waar ‘de slachtoffers’ aan de slag werden gezet. Vertaalster Marie Oversaq sloot zich bij hen aan en ze vertrokken gevieren naar Brussel, naar het huis van de placeur. Mouton had het echter druk en kon ze niet meteen ontvangen. Ondertussen ging de vertaalster op bezoek bij haar zussen in Brussel die op de een of andere manier op de hoogte waren geraakt van haar bezigheden. De Brusselse politie ontving – waarschijnlijk van deze zussen-  een anonieme waarschuwingsbrief over de snode plannen van de vrouwen. De vertaalster vertrok zo snel dat ze in de zenuwen haar koffer vergat. Die koffer bevatte echter veel informatie. De Rotterdamse politieman Voormolen probeerde ze per trein te achtervolgen. Tevergeefs. Er werd wel in nauwe samenwerking met de Belgische politie een internationaal onderzoek ingesteld. Anna en haar levensgezel moesten ook voor de rechter verschijnen. [I]Visscher, H., 2000

Het werven van de vrouwen vereiste een enorme organisatie. Doordat men vrouwen moest gaan importeren werd het houden van een bordeel een activiteit waarin veel geld moest worden geïnvesteerd. Daarom vestigde men soms een naaiatelier in het bordeel, waar de vrouwen hun eigen kleren moesten maken die ze daarna voor veel geld moesten aanschaffen. In het Palais Oriental gebeurde dat ook. Prostituees konden pas uit het bordeel weg nadat ze de kosten voor kleding helemaal hadden afbetaald. Een Belgische prostituee diende een klacht in tegen Rachel Marx omdat ze kleren had achtergehouden. Volgens de wet telden schulden in de publieke huizen niet, maar dat was een dode letter.

In het Palais Oriental zaten vooral Franse vrouwen. De Franse cultuur was immers ‘bon ton’. Vooral de luxe-bordelen speelden op die mode in. ‘Au salon, au salon’, riep de ‘gouvernante’ wanneer de ‘pensionnaires’ zich aan de heren moesten gaan voorstellen.

Veel prostituees die in het Palais Oriental werkten hadden valse papieren. De eigenaar Barraine had ook een keer de politie gebeld om een 30-jarige prostituee uit het bordeel te halen. Waarschijnlijk vond hij haar te oud. Maar hoe kwamen die vrouwen naar Nederland en wat was hun verblijfsstatus?

Een beruchte internationale vrouwenhandelaar, Knuvelder, heeft ook letterlijk (hoer)huis in Rotterdam gehouden. Hij kwam oorspronkelijk uit Arnhem en was slager van beroep. In 1872 werkte hij als bediende in een bordeel in Nijmegen. In 1873 nam hij een bordeel in Arnhem over. Een half jaar later vestigde hij zich met zijn twaalf jaar oudere Duitse vrouw in een bordeel in Nijmegen. Hij kocht rap meerdere gebouwen en bordelen aan. In totaal heeft hij vijftien bordelen gerund waar een paar honderd vrouwen hebben gewerkt. Die bedrijven fungeerden ook als transito voor de grote bordelen in Amsterdam, Antwerpen, Londen en Parijs.

Op 26 oktober 1882 was hij naar Rotterdam vertrokken. Zijn (Rotterdamse) bordelen zaten op de Jan van Loonselaan 59 en Leuvehaven 58. Hij woonde daar ook. Vanuit Rotterdam verkocht hij vooral joodse meisjes voor zijn eigen en andermans bordelen. In het gezelschap van bordeelouder Leonard Wouters ging hij regelmatig naar Venlo om Duitse meisjes, kinderen nog, te kopen die hij voor veel geld doorverkocht aan de grote bordelen.

Op 16 juli 1883 verlegde hij zijn werkterrein naar Breda. Daar raakte zijn stiefdochter Emilie voor de tweede keer zwanger van hem. Het eerste kind was gestorven. Hij vertelde zijn 45-jarige vrouw Sophie Kallerhoff dat hij hun tienjarig huwelijk wilde beëindigen om ‘als man en vrouw’ met zijn stiefdochter Emilie te gaan samenleven. Emilie wilde dat niet en vluchtte met haar baby en een dienstbode, die ook door Knuvelder werd belaagd, uit het bordeel naar Rotterdam. Daar ging zij het leven in en werkte onder andere in het Paard in de Wieg, in de Zandstraat. Op 29 juli verkoos Sophie de verdrinkingsdood boven het leven in vernedering.

In 1887 werd hij bordeelhouder te Antwerpen en ging daarna met 25 vrouwen naar Amsterdam. Hij woonde daar in een bordeel en later in het logement, tevens illegaal bordeel De Croon. De laatste maanden van 1887 treffen we hem weer aan in Breda, maar dit keer in de bajes. Hij had inmiddels een omvangrijk strafblad opgebouwd. Na zijn ontslag uit de gevangenis was hij gaan zwerven. In 1910 haalde hij in verband met een veroordeling nog het Algemeen Politieblad. In die periode was hij fulltime zwerver geworden. Hij moet ooit rijk zijn geweest, want een publieke vrouw had 1000 gulden van hem gestolen, in die tijd een enorm bedrag. Aan het eind van zijn leven werkte hij op de Argentijnse pampa’s. Zijn zoon dreef in Rotterdam een bordeel aan de Schiedamsedijk en één of twee in Den Bosch. Het inkomen daaruit vulde hij aan met een handeltje in trekhonden. Het is aan André Kersten, een verre nazaat van deze Knuvelder te danken dat we van deze Engelbartus Knuvelder de levensloop van de wieg tot het graf kennen en al deze informatie hebben. [II]Kersten, A. 2005 Een andere verre nazaat van deze Knuvelder is een bekend literatuurhistoricus geworden.

Sietske Altink

Lees verder

Klik hier voor meer informatie over de bronnen.

Noten   [ + ]

I. Visscher, H., 2000
II. Kersten, A. 2005