De Haarlemse politieman, Balkestein, deed undercover onderzoek naar de komst van buitenlandse vrouwen naar Nederland. Balkestein bracht de resultaten van zijn undercoverwerk feitelijk en zonder emoties naar buiten. Niet alle vrouwen waren op eigen initiatief naar Nederland gekomen, zo bleek uit zijn rapport. (1901) Franse meisjes werden voor de luxer salons rechtstreeks in Frankrijk aangeworven door placeurs die vaak voor Franse eigenaren (essen) van deze bordelen in Nederland zoals Maison Weinthal in Amsterdam en Palais Oriental in Rotterdam werkten. Prostituees werden daadwerkelijk van de ene aan de andere bordeelhouder verkocht, of vaker nog, aan de bordeelhoudster. ‘Vensters zijn zoodanig afgesloten dat inwonende vrouwen met de buitenwereld geen gemeenschap hadden’ schreef hij. Ze mochten geen bezoek ontvangen. Taalproblemen weerhielden hen er echter van het huis te verlaten. Ze kwamen alleen in gezelschap van gouvernantes op straat.

Hij was ook geconfronteerd met de oude truc van de chantage met de kleding. De vrouwen hadden namelijk alleen ‘indecente’ kleding ofwel het salonkostuum. De bordeelhouder hield haar kleren of andere spullen achter omdat ze zogenaamd zijn eigendom waren. Behalve de directe koop/ verkoop van vrouwen zien we in het verleden ook die verschijnselen optreden die we nu als componenten van mensenhandel beschouwen: economische uitbuiting, schuldslavernij en dwang tot seks, in die tijd nog ontucht geheten. Dit laatste kon zich uiten in het niet kunnen weigeren van bepaalde klanten. De Prefect van Parijs schreef een brief waarin stond dat er minderjarige prostituees in het Palais Oriental werkten. Later werden er Belgisch /Nederlandse vrouwen te werk gesteld die enig Frans spraken. Eenmaal in het bordeel bleken ze een grote schuld te hebben. Met klanten zaten ze in een luxe salon, maar slapen deden ze in armzalige kamertjes

De feministe Rutgers- Hoitsema  die in 1895 de Vereeniging ter Behartiging der Belangen der Vrouw  had opgericht, verzette zich in de brochure (1901) De prostitutie te Rotterdam en de strijd tegen de reglementeering in den Gemeenteraad, tegen de vrouwenhandel waarmee vooral de ‘officiële bordelen’ werden bevoorraad. Hoitsema wist dat de vrouwen door placeurs, in bordelen werden geparkeerd waar nauwelijks Hollandse of Engelse vrouwen werkten. Zij waren allen jonger dan 34 jaar, meestal tussen de 23 en 28 jaar. Vrouwelijke bordeelhouders waren volgens Hoitsema niet veel beter dan mannelijke; ze hadden zelf vaak ook als prostituee gewerkt en hadden volgens haar door middel van chantage hun startkapitaal verworven. In 1895 had Rutgers- Hoitsema de Vereeniging ter Behartiging der Belangen der Vrouw opgericht.

Dit alles was de politiek niet ontgaan. In de Kamerdebatten kwam de prostitutiewetgeving ook aan de orde. Bij die gelegenheid getuigde de liberaal Samuel van Houten (1837-1930) van zijn zorgen over misbruik van minderjarigen en over onvrijwillige prostitutie. Vrijwillige prostitutie veroordeelde hij overigens niet. In 1886 moest er een gewijzigde versie van het Wetboek van Strafrecht komen. Hij voegde bij die gelegenheid het volgende artikel (452) aan het wetboek toe:

‘De bordeelhouder die in het huis waarin hij zijn bedrijf uitoefent, eene niet tot zijn gezin behoorende vrouw opneemt, zonder haar vooraf, op voor haar verstaanbare wijze, in tegenwoordigheid van den burgemeester of van den door deze aangewezen ambtenaar op diens bureel te hebben bekendgemaakt met het bedrijf dat aldaar wordt uitgeoefend, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. [I]Bossenbroek en Kompagnie

Tegenwoordig zouden we dit een intake noemen. Hoitsema zag overigens vergelijkbare bezwaren tegen de intake als de huidige tegenstanders van het entree gesprek: de handelaar kon het verhaal hebben voorgekookt. Hoitsema meende dat de bordeelhouder waarschijnlijk een mooie voorstelling van het werk zou geven. En die intake kon zich tegen het slachtoffer keren. De bordeelhouder kon zeggen ‘Je wist toch waar je aan begon’.

Balkestein is een paar keer bij zo’n gesprek in Rotterdam aanwezig geweest. Volgens hem stuurde de bordeelhouder altijd een ‘gouvernante’ mee. De politie legde de kandidaat dan de woorden in de mond dat ze al ervaring had als prostituee. Als een vrouw ervan af zag om in een bordeel te werken, werd dat geweten aan tegenzin tegen het medisch onderzoek.[II]Diet Sijmans, 1980

Tegenwoordig wordt de prostitutie van minderjarigen als een vorm van mensenhandel gezien. Aan het eind van de 19de eeuw kwam dit ook in Rotterdam voor. De eerdergenoemde Franse abolitionist – abolitionist in de zin van tegenstander van ieder overheidsingrijpen in de prostitutie- Yves Guyot, beschreef in 1882 een geval van handel in minderjarigen waarmee hij  tijdens een bezoek aan de Rotterdamse Zandstraatbuurt, was geconfronteerd. ‘Ik ging een bedrijf binnen en zag een vrouw in onderhandeling met de bazin en twee of drie andere vrouwen. Ik stond op het punt te vertrekken. Maar op dat moment kwam er een vrouw met twee meisjes binnen, de een had twaalf kunnen zijn, de ander dertien. Ze zeiden trots: U heeft het goed geraden. U ziet dat wij kunnen leveren wat u nodig hebt. (…)’ Dat gebeurde vrij openlijk maar de bazin en de vrouwen waren nog meer verbaasd dan ik, want ze zagen me weggaan, zonder dat ik naar hun voorstel had geluisterd. [III]p. 213, bewerking Frans SA

Het is overigens wel opvallend dat hij de leeftijd van de kinderen op het jaar precies kon schatten. Brusse vermeldde ook kindermisbruik in de Polder. Twee kinderen ‘Georgette en Hortense, één slechts 11 jaar oud, moesten er onder dwang van hun alcoholische moeder optreden. Brusse had dit in zijn rubriek in de NRC: ‘Onder de menschen’ vermeld.

In 1881 beklaagde Pierson in de Tweede Kamer zich over het feit dat in Rotterdam een minderjarig meisje medisch was onderzocht op haar geschiktheid als bordeelprostituee. De Rotterdamse arrondissementsrechtbank behandelde in de jaren 1879-1895 zes gevallen van aanzetten tot ontucht met minderjarigen.

De overheid kon er niet meer omheen: vrouwenhandel was een probleem waarmee het Rijk zich bezig moest gaan houden. In 1908 sanctioneerde minister Nelissen van Justitie de oprichting van het ‘Rijksbureau tot het verzamelen van gegevens omtrent de zogenaamde handel in vrouwen en kinderen’. Later kreeg dit de – nog steeds breedsprakige naam- Het Rijksbureau voor de bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes. In die periode had men het alleen over internationale vrouwenhandel; een afhankelijkheidsrelatie met een pooier viel er niet onder. Degene die dit Rijksbureau bemande deed niet veel meer dan gegevens verzamelen over weggelopen meisjes. Meestal zorgde het bureau er dan wel voor dat zo’n meisje keurig werd teruggebracht naar bijvoorbeeld haar zuiplap van een vader, waarvoor ze juist was weggelopen. Erg veel meer kon het Rijksbureau niet doen, en er klinkt enige frustratie door wanneer de verantwoordelijke in het jaarverslag van 1914 schrijft:

“Bij mijn kennismaking met de wijze van werken van het Rijksbureau heeft het terstond mijne aandacht getrokken, hoe moeilijk het is om door eigen actief optreden gevallen van vrouwenhandel op het spoor te komen en zich op de hoogte te stellen van de daarmede nauw samenhangende feiten en toestanden. Daarvoor zou m.i. noodig zijn het geregeld en methodisch doen bezoeken van logementen, gestoffeerde kamers en andere verblijfplaatsen van verdachte vreemdelingen, het meereizen met treinen die landverhuizers en dergelijke vervoeren, een geregeld persoonlijk contact met de grenspolitie.‘

Een enkele keer zijn er in deze periode gegevens over de ‘vrouwenhandel’ in Rotterdam verzameld. Zo meldde de rapporteur dat er in een door de politie gesloten bordeel, gewoon werd doorgewerkt. Dat was niets nieuws, want dat had al in de krant gestaan. We weten niet of er in dat bordeel slachtoffers van vrouwenhandel werkten. De kronieken van de rapporteur bevat ook een curieus verhaal over een 15-jarig Russisch meisje dat als verstekeling met een Engels vrachtschip was meegereisd. Ze was op zoek naar werk. Een matroos had haar naar een bordeel gebracht. De Duitse consul zorgde ervoor dat dit meisje in een Magdalena programma – een stoppersprogramma -werd opgenomen. Helemaal verdacht was een Arabier die in 1917 met twee Duitse meisjes in Rotterdam aan wal ging. Paniek om niets, het bleek om circusartiesten te gaan. [IV]Het Rijksbureau publiceerde haar verslagen in de Staatscourant

Later ging het bureau zich ook bezighouden met onbetamelijke publicaties en nog later werd het getransformeerd tot de CRI, de Centrale Recherche Informatiedienst, die zich in de jaren negentig van de vorige eeuw weer met vrouwenhandel bezig ging houden.

Terug naar inhoudsopgave boek

Sietske Altink

Klik hier voor meer informatie over de gebruikte bronnen

Noten   [ + ]

I. Bossenbroek en Kompagnie
II. Diet Sijmans, 1980
III. p. 213, bewerking Frans SA
IV. Het Rijksbureau publiceerde haar verslagen in de Staatscourant