Spotrprent burgemeester Van der Louw

Spotrprent burgemeester Van der Louw

 

Vanaf het begin van de twintigste eeuw zwalkt de overheid in haar prostitutiebeleid tussen verbieden, tolereren, reguleren en decriminaliseren. Het landelijk verbod op het houden van een bordeel stamt uit 1911 toen artikel 250 bis Wetboek van Strafrecht van kracht werd. De tekst van dit artikel, in de wandeling het bordeelverbod genoemd, luidde: ‘Hij die van het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht door anderen met derden een beroep of gewoonte maakt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van ten hoogste tweeduizend gulden.’
Het bordeelverbod viel echter in de praktijk moeilijk te handhaven. Bordeelhouders lieten zich er niet door afschrikken. Sinds de Napoleontische tijd was het niet verboden om als prostituee te werken. Straatprostitutie nam toe. Gemeenten vaardigden allerlei verordeningen uit om dit tegen te gaan.

De jaren zestig zal door velen gekenschetst worden als een tijd waarin er een seksuele revolutie plaatsvond, in die zin dat er openlijker over seks werd gesproken en het monogame huwelijk niet meer de enige acceptabele vorm van seksuele relatie was. Maar in dit discours zweeg men over prostitutie. De media besteedden er nauwelijks aandacht aan. Pas toen Chinese Annie en Magere Jossie werden vermoord, kwamen er een paar cameraploegen naar De Wallen.

In de jaren zeventig werd art. 250 bis Wetboek van Strafrecht nauwelijks meer toegepast. In het toleranter wordende klimaat van de jaren zeventig konden seksclubs gedijen. Zij vestigden zich ook buiten de traditionele rosse buurten. En clubeigenaren openden filialen in verschillende steden. Ook het platteland werd voor de seksindustrie ontsloten. Seksboerderijen waren door het toenemend autobezit gemakkelijk te bereiken. Door de grotere mobiliteit in alle geledingen van de maatschappij konden sekswerkers kiezen in welke stad ze wilden werken.
Op de tv werden huisvrouwen geïnterviewd die mannen tegen geld ontvingen om bijvoorbeeld een nieuw bankstel of een kleurenteevee te kunnen kopen. Met andere woorden, men ontdekte dat prostitutie zich niet beperkte tot de raamgebieden. Pas in de jaren zeventig barstte de discussie over prostitutie los. Op beleidsniveau leidde dit in 1977 tot het beroemde rapport van de commissie Melai waarin stond dat de staat geen zeggenschap mocht hebben over wat mensen al of niet betaald in hun slaapkamers deden.
Al met al werd de prostitutie in die tijd zichtbaarder. De eerste seksclubs voorzagen in de behoefte aan vrije seks van mannen die geen deel wilden of konden hebben aan de seksuele uitspattingen van de avant garde, maar wel geld hadden om een vrouw te betalen. Een andere reden voor de populariteit van seksclubs was dat men daar- anders dan in de raamgebieden- het zonder condoom kon doen. Op de Amsterdamse Wallen verschenen de eerste sekstheaters. Tevens ontstond er een nieuw fenomeen: straatprostitutie van drugsgebruikende vrouwen.

Al met al was er sprake van een schaalvergroting in de prostitutie die vooral in de raamprostitutie merkbaar was. Dit veroorzaakte klachten die in termen van overlast werden geformuleerd. In Rotterdam ontstond er een machtsstrijd tussen uitbaters en pooiers van elders met als inzet de controle over het prostitutiegebied. Dit had zijn weerslag op het straatleven. Buurtbewoners werden lastig gevallen door pooiers omdat die niet meer wilden dat zij op hun stoep een pilsje zaten te  drinken. Deze bewoners pikten op hun beurt die brutaliteit weer niet.

Een andere ontwikkeling was ook van belang: in die periode veranderde de samenstelling van buurten zoals Katendrecht. Linkse studenten namen er hun intrek en gingen enthousiast aan de slag om de ‘arbeiders’ te organiseren. Zij werden de woordvoerders van de buurtbewoners en eisten het vertrek van de prostitutie uit bijvoorbeeld Katendrecht. Er werden demonstraties gehouden met de serieus bedoelde maar onzinnige tekst Geen Seks in De Wijk.
Ook in andere steden speelde dit. Men wilde overlast bestrijden door bijvoorbeeld de groeiende raamprostitutie te concentreren. In Rotterdam had men bedacht dat dit in een Eroscentrum moest gebeuren. Maar daarmee overtrad de gemeente het vermaledijde artikel 250 bis: het verbod op exploitatie van prostitutie ofwel het bordeelverbod. In die Rotterdamse discussies gingen er voor het eerst stemmen op om dat verbod te schrappen zodat Rotterdam toch zijn Eroscentrum kon krijgen.

Vanaf het midden van de jaren zeventig van de vorige eeuw kon de overheid het seksbedrijf niet meer negeren en moest ze haar pogingen staken de prostitutie naar de rand van de samenleving te manoeuvreren. Er zat niets anders op dan prostitutie maar te tolereren, wat weer problemen opleverde met buurtbewoners die zich met openlijk opererende seksbedrijven zagen geconfronteerd. De overlast hoopte men te beperken door de vestiging van seksbedrijven aan regels te binden.

De jaren tachtig

In deze discussie speelde de Mr. A. de Graafstichting, later het instituut voor prostitutievraagstukken een grote rol. Begin jaren tachtig ging men er als vanzelfsprekend van uit dat het schrappen van art. 250 bis Wetboek van Strafrecht een positieverbetering voor sekswerkers met zich mee zou brengen. Bordeelhouders konden vrouwen dan niet meer afhankelijk maken van hun illegale dienstenpakket. Decriminalisering zou het panacee zijn tegen alle misstanden in de prostitutie. Op gemeentelijk niveau zou alles prima geregeld gaan worden. Tevens wilde men de autonomie van gemeenten handhaven door hun de mogelijkheid te bieden een vergunningenstelsel te ontwerpen. Beleidsmedewerkers van gemeenten togen enthousiast aan het werk om ontwerpvergunningenstelsels te maken. Men wilde vooral de brandveiligheid en de hygiëne goed regelen. Men dacht bijvoorbeeld na over de hoeveelheid daglicht die in een werkruimte moest binnenvallen.
In de tijd dat de discussie zich nog op overlast toespitste, schoor men exploitanten en sekswerkers nog over één kam. Halverwege de jaren tachtig van de vorige eeuw drong echter het besef door dat zij twee partijen vormden. Vanaf toen werden de arbeidsvoorwaarden – waaronder bijvoorbeeld de verdiensten vallen- en de arbeidsverhoudingen- de relatie met de bazen- onder vuur genomen.

Sekswerkers vonden de plannen van de overheid de gelegenheid bij uitstek om hun positie aan de orde te stellen. De algemene klacht was dat sekswerkers te afhankelijk van exploitanten werden gemaakt. Ook zouden zelfstandig werkende sekswerkers en vrouwen met kleine bedrijfjes te weinig ruimte krijgen. Sekswerkers vroegen zich toen al af of de voorgestelde door de vergunningenstelsels van gemeenten wel een probaat middel was in de strijd voor positieverbetering. De gemeenten wilden toen vooral bestaande bedrijven voor een vergunning in aanmerking laten komen.

Jaren negentig

‘De overheid heeft ons wel bestudeerd, maar wij hebben niet de gelegenheid gehad de overheid te bestuderen. Politici bezoeken hier en daar wel eens bordeeltje en dan hobbelen ze achter een ambtenaar aan, die een programmaatje heeft samengesteld in de trant van, o jee, kijk ons een beetje ondeugend wezen. Wat zien ze dan, met wie praten ze dan?’ aldus enkele vrouwen van De Rode Draad tijdens een discussie over de opheffing van het bordeelverbod in 1991.

Vanaf 1990 waren gemeenten al voortvarend aan de slag gegaan om, vooruitlopend op de wetswijziging een vergunningenbeleid te maken. Deze eerste proeven legden de nadruk op het bestrijden van openbare orde problemen. Maar De Rode Draad, die toen ook bij de discussies in gemeenten betrokken was, stelde ook de arbeidsverhoudingen en arbeidsomstandigheden ter discussie. Zo werd er tijdens een debat over de ontwerpnota Den Haag geprotesteerd tegen de hoge eisen die de gemeente aan de bedrijven stelde waardoor het voor onafhankelijke sekswerkers moeilijk was om voor zichzelf te beginnen.

Het gesprek hierover was nog volop gaande toen begin jaren negentig het CDA in de persoon van Hirsch Ballin de hele legaliseringsoperatie frustreerde door een variant van de wet te maken waarin gemeenten konden kiezen of ze prostitutie legaliseerden of niet. De Eerste Kamer wees dit af omdat een gemeente niet iets strafbaar kan stellen wat landelijk is toegestaan.

Teneinde de discussie in de branche op gang te houden werd in 1992 het Landelijk Prostitutie Overleg (LPO) opgericht. Dit gebeurde mede – naar aanleiding van een gesprek met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op initiatief van Lucie van Mens die een bedrijfskundig onderzoek naar de branche had gedaan en van Hans Scholtes van de Mr. De Graafstichting. Het LPO was een gremium waarin alle betrokkenen bij het prostitutiebeleid, vooruitlopend op de legalisering (die pas in 2000 zijn beslag zou krijgen) trachtten tot elkaar te komen en tegenover de samenleving als een volwassen bedrijfstak op te treden. Het LPO bestond uit de organisatie voor exploitanten: de VER (Vereniging Exploitanten Relaxbedrijven, opgericht eind 1991), de stichting Soa bestrijding (nu: Stichting SOA AIDS Nederland) en de organisatie van klanten (destijds de KLEP, later omgedoopt tot Man, Vrouw en Prostitutie) en De Rode Draad. Na enige aarzeling trad ook  de Stichting tegen Vrouwenhandel  toe.

In deze periode had De Rode Draad te kampen met subsidiestop en interne problemen. Wel bleef Mieke Veenstra de discussie met de FNV gaande houden. De aandacht ging toen naar de Stichting tegen Vrouwenhandel, waar de beleidsmedewerkster Marjan Wijers stelde dat legalisering een instrument kon zijn om vrouwenhandel te bestrijden.  Inmiddels was het Paarse Kabinet aangetreden die de wetswijziging weer op de politieke agenda zette. De deelnemers aan het PLO namen weer met politici aan tafel plaats om de wetswijziging voor te bereiden. Op 1 oktober 2000 was de opheffing van het bordeelverbod een feit.

Copyright S. Altink