De vraag naar luxere prostitutie in de jaren zeventig was een gevolg van de grotere welvaart. Niet alle klanten wilden nog in een kleine peeskamer aan hun gerief komen. Ze wilden glamour: champagne drinken op het pluche. Mannen wilden ‘uitgaan’ in een gelegenheid met de uitstraling van de klassieke nachtclub. De clubs kregen vaak namen die verwezen naar (internationale) glamour: Mayfair, Lido, Pigalle en Moulin Rouge.

Zo herleefde het negentiende- eeuwse luxe bordeel als alternatief voor de achterkamertjes waar klanten mee naar toe werden getroond. [I]Heuft, 2009 Overal in Nederland ontstonden seksclubs. Geld om erin te investeren was er ook. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig trachtten bepaalde lieden geld uit de gokwereld of uit handel in softdrugs witwassen. Theo Heuft de voormalige eigenaar van het beroemde bordeel Yab Yum kwam bijvoorbeeld uit de gokwereld.

Klanten waren niet meer onder de indruk van ‘ondeugende’ plaatjes die raamprostituees ze konden tonen en wilden meer. Floorshows en pornovertoningen vormden een extra attractie in clubs. Harde porno ging in de tweede helft van de jaren zestig een rol spelen. Dankzij de super 8 film, (geïntroduceerd in 1965) was het maken en vertonen van porno in een club een eenvoudige zaak.

De overheid greep die vertoningen aan om de opmars van de clubs te stuiten. Men haalde daarom de bioscoopwet van 1926 tevoorschijn die bepaalde dat alleen films die eerder aan de filmkeuring onderworpen waren geweest, mochten worden vertoond. De exploitanten negeerden dit echter massaal. In 300 clubs konden mannen illegaal films bekijken en 100 clubs hielden floorshows zonder dat daar een vergunning voor was afgegeven. Exploitanten richtten een actiegroep op en gingen een proefproces aan. In 1976 werd de verplichte filmkeuring echter afgeschaft. Naar aanleiding van de rel die ontstond toen de pornofilm Deep Throat in de bioscopen werd gedraaid, kwam de toenmalige minister van Justitie, Van Agt met het compromis dat porno alleen mocht worden vertoond in zaaltjes met minder dan vijftig stoelen. Aan deze eis konden seksclubs gemakkelijk voldoen.

De oudste club in Rotterdam zat in de Osseweistraat, een smalle woonstraat. Die club werd reeds in 1972 gesloten. In de jaren tachtig bezat Leyten, de man die ooit betrokken was bij de Stichting  Exploitatie en Beheer Eros- en Vermaakcentra zes clubs in Rotterdam. Volgens sommigen waren er buiten Katendrecht in de jaren zeventig zestig van die clubs over heel Rotterdam verspreid. Dat lijkt overdreven, maar het zijn er wel enkele tientallen geweest, die overigens kwamen en gingen.

De opkomst van seksclubs had ook gevolgen voor de raamprostitutie, waar aanvankelijk enige leegloop was. De vrouwen voelden wel wat voor de clubs. Teneinde de vrouwen toch te verleiden voor raamprostitutie te kiezen werd het systeem van ‘op het halfje zitten’ in de raamprostitutie afgeschaft. De sekswerkers hoefden dus niet meer de helft van wat de klant betaalde aan de verhuurder te geven, maar gingen per dagdeel de huur betalen.

De clubs richtten zich ook op mannen die een zakendeal met elkaar wilden beklinken. Dat kon toen nog probleemloos bij de fiscus als representatiekosten worden afgeschreven. Het is echter maar de vraag of the Garden of Eden, wel de doelgroep, te weten, ‘gegoede zakenlui’ aantrok. Zie onderstaand uittreksel uit een interview:

Deze club van de heer en mevrouw Korner is aan de Heemraadssingel gesitueerd. In de club staan kunstleren banken, gebloemde stoeltjes en op de grond liggen Normandische koeienhuiden. De inrichting heeft heel veel gekost. Achter de gordijnen blijkt een groot roze bed te staan. Dat bed wordt volgens de exploitant ’s avonds voor live shows naar de voorkamer gehaald. Per avond zijn er 6 a 7 meisjes. De kamers liggen aan een nauwe gang. De kinderkamer komt op die gang uit, maar de kinderen weten van niets. Exploitant: ‘Ze maggen ons allemaal.’ (letterlijk overgenomen). Het is een soort huiskamer. Het portret van mevrouws overleden moeder staat er ook nog. Meneer Korner is overdag stratenmaker. [II]Het Vrije Volk, 24-3-1971

The Garden of Eden en vele andere clubs bestaan niet meer. Maar sommige clubs hebben het lang in Rotterdam uitgehouden. Dat geldt bijvoorbeeld voor de OQ, de Cinderella, de White’s en het Lido. In 2015 gingen er verhalen dat het de Cinderella zou gaan sluiten en het Lido kwam in 2018 in moeilijkheden in verband met drugs. Behalve massagesalon Kim zijn bovenlokaal opererende exploitanten zoals Yab Yum en Jan Bik, uit Rotterdam verdwenen. Yab Yum liep niet in Rotterdam en Jan Bik nam het over maar werd in 2015 wegens witwaspraktijken tot een gevangenisstraf veroordeeld.

Sietske Altink

Terug naar de inhoudsopgave van het boek

Klik hier voor meer informatie over de bronnen

Noten   [ + ]

I. Heuft, 2009
II. Het Vrije Volk, 24-3-1971