Na jarenlang gedelibereer in het parlement was in 2000 in Nederland de opheffing van het bordeelverbod een feit. De vraag was echter hoe gemeenten dit vorm gingen geven. Vooral in de kleine gemeenten is met terughoudendheid op de wetswijziging gereageerd.

geem privehuis

De bewoners klagen dat dit pand als privéhuis wordt beschouwd.

Dit verzet van gemeenten was vooral voor de Christen Democraten, het CDA, een reden om tijdens de behandeling van het wetsvoorstel dwars te gaan liggen. De toenmalige woordvoerder Ernst Hirsch Ballin, de latere minister van justitie, wilde een bepaling aan de wet toevoegen dat de beslissing of bordelen zich in de gemeente mochten vestigen, aan henzelf werd overgelaten. Deze mogelijkheid om de seksindustrie uit de gemeente te weren werd ook wel de nuloptie genoemd. Hij beriep zich op het typisch Nederlandse beleidsuitgangspunt: de autonomie van gemeenten zoals die was vastgelegd in de gemeentewet van 1851.

Het prostitutiebeleid verschilt nogal per gemeente. Het feit dat niet de regio’s – zoals in andere landen het geval is – maar de gemeenten een grote mate van autonomie hebben was ook in het wetsvoorstel terug te vinden. De gemeenten mochten zelf bepalen of ze wel of niet een prostitutiebeleid wilden ontwerpen en konden ook de inhoud daarvan zelf vaststellen. Wat echter niet mocht was een algeheel prostitutieverbod in een gemeente instellen. Daarmee zou immers iets wat op nationaal niveau was toegestaan, op lokaal niveau worden verboden. En dat mag niet krachtens de gemeentewet. Om deze reden haalde het voorstel van Hirsch Ballin het ook niet.

Gemeentelijke Regelgeving (APV’s)

Bij wijze van handreiking had de Vereniging Nederlandse Gemeenten een Model Vergunning ontworpen. Enkele kleine gemeenten kozen ervoor geen vergunningen te verlenen. Rond 2000 bogen gemeenteraadsleden en ambtenaren in dorpen en stadjes zich over de vraag hoe ze het prostitutiebeleid moesten gaan vormgeven. Uit krantenberichten uit die periode spreekt een grote weerstand tegen de komst van bordelen.

Anna Paulowna besloot geen raamprostitutie of een tippelzone toe te laten. Er mocht slechts één sekshuis komen. Rond het parkeerterrein van het sekshuis moet een beplanting van minstens drie meter breed komen. [I]Noord Hollands Dagblad 24-03-2003

Bloemendaal kiest voor het uiterste minimum. Er mag geen tippelzone langs de Zeeweg ontstaan. Er mag slechts  één escortbureau komen.  Woordvoerder van de gemeente: ‘Het escortbureau mag niet meer doen dan vraag en aanbod bij elkaar brengen met behulp van een telefooncentrale of een website’. Die computer en telefoon zouden zich op een plek moeten bevinden die volgens het bestemmingsplan passend zou kunnen zijn. Men wilde alle bestemmingsplannen doorvlooien om te voorkomen dat het escortbureau een maas in de regelgeving zou vinden.[II]Haarlems Dagblad  11-03-2000

Ook Nijkerk besluit geen raamprostitutie in de gemeente toe te laten. [III]Barneveldse Courant 25-05-2000

Bennebroek duldt slechts een sekswerker. En dat moet wel een thuiswerkster zijn. [IV]Telegraaf 17-05-2000 Het is maar de vraag of Bennebroek aan de wet Gelijke Behandeling heeft gedacht. Moet er dan niet minstens één vrouwelijke en één mannelijke sekswerker worden geduld?

De gemeente Wymbritseradiel wil geen bordeel. [V]Friesch Dagblad 27-09-2000

Barneveld vreest de komst van seksclubs omdat het zo gunstig ligt. (NB: Er is nooit een bordeel in Barneveld gekomen.) [VI]Veluws Dagblad 14-02-2000

Men wilde de boel de boel laten, zodat er geen openbare orde problemen zouden ontstaan. Met andere woorden, gemeenten wilden alleen bestaande exploitanten vergunningen verlenen. Het gevolg daarvan is dat we jarenlang opgezadeld hebben gezeten met de oude garde exploitanten, die zich nooit iets gelegen hebben laten liggen aan een  transparante bedrijfsvoering. Dit betekende in de praktijk dat de ene gemeente bijvoorbeeld thuiswerk wel toestond en de andere niet. De ene gemeente wilde prostitutie in het uitgaanscentrum hebben, de andere probeerde het juist naar een industrieterrein te verbannen. De ene gemeente wilde het op gepaste afstand van de kerk houden, de ander van de schoolgebouwen. Sommige gemeenten stelden een leeftijdsgrens voor de klanten, andere deden dat niet. Vooral de grote gemeenten stelden eisen aan de inrichting die dan weer strijdig waren met die van de GGD, die op hun beurt niet voldeden aan de eisen van de arbeidsinspectie, die overigens niet in prostitutiebedrijven optrad. En dan hebben we het nog niet over de onbedoelde gevolgen van het beleid. Zo had de gemeente Den Haag gesteld dat de lakens dagelijks verschoond  moesten worden. Men ging er van uit dat dit de verantwoordelijkheid van de exploitanten was. De huurbazen vonden dat niet, met als gevolg dat de sekswerkers de lakens ’s avonds mee naar huis moesten nemen.

De terminologie verschilde ook per gemeente. Amsterdam had het alleen over bordelen, waardoor een groot deel van de seksinrichtingen buiten het vergunningenstelsel viel.

Wat ook van gemeente tot gemeente verschilde, was het beleid van de sociale diensten ten opzichte van sekswerkers. In de ene gemeente kreeg een parttime werkende sekswerker een aanvullende bijstandsuitkering, in een andere gemeente kreeg een sekswerker in dezelfde omstandigheden dat niet. Tot 2005 was Rotterdam een van de gemeenten waar dit niet lukte. In 2005 heeft Rotterdam zijn beleid veranderd en gold daarna als voorbeeld voor de rest van Nederland.

Evaluatie gemeentelijk beleid

Bij de ene gemeente maakte bijvoorbeeld de politie het prostitutiebeleid uit, bij de andere de GGD en bij weer een andere lag het prostitutie op het bordje van een ambtenaar Bijzondere Wetten die zich ook met gokkasten moest bezighouden. In 2006 is het gemeentelijk prostitutiebeleid geëvalueerd. (Flight et al, 2006). 95 procent van de gemeenten waren bekend met het aantal vergunde bedrijven binnen hun grenzen. 23 procent wist precies hoeveel sekswerkers er in de gemeente werkten. 48 procent van de gemeenten wist niet hoeveel onvergunde bedrijven er waren. 52 procent beweerde dat wel te weten. 68 procent van de gemeente heeft het beleid in een nota neergelegd. 16 procent had wel een beleid maar geen nota en nog eens 16 procent had helemaal geen beleid. 47 procent had een lokaal maximum en 11 procent een regionaal maximum aan het aantal prostitutiebedrijven gesteld. In 2006 hadden nog 16 gemeenten een formeel nulbeleid, met andere woorden, prostitutiebedrijven werden er geweerd. Dit had men bereikt door een regionaal prostitutiebeleid te maken, zodat er in slechts enkele gemeenten in de regio een bordeel mocht komen.

Landelijk waren in 2006 nog 250 vergunningen ongebruikt.  De meeste gemeenten met minder dan 40.000 inwoners hadden geen seksbedrijf en alle gemeenten met meer dan 100.000 wel. Met 73 procent gemeenten met een seksbedrijf had Drenthe de meeste seksbedrijven en Utrecht (23%) en Gelderland (29%) de minste. 98 procent van de gemeenten met beleid had de prostitutie in de APV’s geregeld en 67 procent had het bestemmingsplan als instrument gebruikt.

Bij 94 procent van de gemeenten die een beleid hadden ontworpen was dat afkomstig van de afdeling Openbare Orde en Veiligheid. Bij 73 procent was Ruimtelijke Ordening erbij betrokken. Bij 20 procent was de Belastingdienst bij het prostitutiebeleid betrokken. In 96 procent van de gemeenten verrichtte de politie de controles. 18 procent van de gemeenten eist een geschiktheidsverklaring van de exploitant. Een overtreding betekende in 78 procent van de gevallen een waarschuwing. Er werden vooral bedrijven gesloten omdat er vrouwen werkten zonder de juiste papieren of omdat er minderjarigen werden aangetroffen. Slechts drie bedrijven werden gesloten omdat de arbeidsomstandigheden onder de maat waren. Een derde van de gemeenten heeft geen beleid voor straatprostitutie. 40 procent van deze gemeenten had preventieprojecten en 23 procent een hulpverleningsaanbod. 6 procent had in 2006 een uitstapbeleid.

In 2014 is weer een evaluatieronde geweest.

Bronnen (afgezien van krantenknipsels)

Copyright: S. Altink

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Noten   [ + ]

I. Noord Hollands Dagblad 24-03-2003
II. Haarlems Dagblad  11-03-2000
III. Barneveldse Courant 25-05-2000
IV. Telegraaf 17-05-2000
V. Friesch Dagblad 27-09-2000
VI. Veluws Dagblad 14-02-2000