Gereedschappen van sekswerkers

Tot de wetswijziging van 2000 was het niet eenvoudig om tegen de groei van de seksindustrie op te treden. Men probeerde in Rotterdam van alles.

Rotterdam trad in 1974 op tegen thuisontvangst met de overlastverordening van 29 november 1974 op “buurtvreemde vermaak inrichtingen’. Krachtens deze verordening was het verboden iemand in een woning te laten douchen of baden die er niet woonde, niet tot de huiselijke kring behoorde en geen aanverwant of bloedverwant tot in derde graad was, (dus oom, tante, neef, nicht of overgrootouder). [I]Hazewinkel. 1982 Dit lijkt me een verordening die bijgezet kan worden in het museum van niet- handhaafbare, zinloze doch vermakelijke APV’s.

Een lokaal instrument dat in Rotterdam tegen prostitutiebedrijven kon worden ingezet was de zogeheten verloederingsverordening. Wanneer er in een bepaalde wijk zich bedrijven vestigden die verloedering in de hand werkten of de stadsvernieuwing hinderden, konden die op grond van deze verordening worden geweerd.

In 1974 werd de brandweer geïnstrueerd brandgevaarlijke seksbedrijven te sluiten. In 1976 kwam er een vergunningplicht voor erotische bedrijven. Regelmatig werden ook bestemmingsplannen gebruikt om een bedrijf te ontruimen of om een bedrijf een vergunning te onthouden.

Het inzetten van de bioscoopwet uit 1926 tegen seksclubs was ook niet succesvol.

Op landelijk niveau was er ook nog de woonruimtewet uit 1947- de wet die het onttrekken van woonruimte voor bedrijvigheid- verbood. Deze wet werd ook met weinig resultaat ingezet omdat het niet altijd duidelijk was wat de bestemming van een bepaald gebiedje was.  Later trad Stadsontwikkeling op tegen dit soort woningonttrekking door middel van boetes en dwangsommen.

De enige landelijke wet die bij uitstek voor prostitutiebestrijding was bedoeld, te weten het bordeelverbod, bleek daar nu juist ongeschikt voor te zijn. Het overtreden van deze wet was namelijk heel moeilijk te bewijzen. Daarom had de wet een andere functie gekregen. Het bordeelverbod werd krachtens de jurisprudentie vooral gebruikt om overlast te bestrijden en jeugdigen te beschermen, maar niet om prostitutie te laten verdwijnen.

De opheffing van dit bordeelverbod zou prostitutiebeleid mogelijk maken, zo verwachtte men. In 1999 werd de wetswijziging door het parlement goedgekeurd. Op 1 oktober 2000 werd die van kracht.

Sietske Altink

Bronnen

Noten   [ + ]

I. Hazewinkel. 1982