De laatste tijd verkondigen sommige columnisten en politici de mening dat mensenhandel sinds de opheffing van het bordeelverbod in Nederland is toegenomen. Dat valt niet hard te maken. Internationale ontwikkelingen spelen ook een rol. En in veel landen waar wel een bordeelverbod is, komt mensenhandel wel voor. Dat gold ook voor het Nederland van vóór 2000.

De Stichting tegen Vrouwenhandel organiseerde een platform waaraan vele vrijwilligers en ook De Rode Draad deelnamen.

De Stichting tegen Vrouwenhandel organiseerde een platform waaraan vele vrijwilligers en ook De Rode Draad deelnamen.

Hoewel de politie toen in dit tijdsgewricht een budget voor bestrijding  van mensenhandel zwaar moest bevechten en de Stichting Tegen Vrouwenhandel (nu Comensha), vaak onderbezet was en op volle toeren draaide, kwamen er in dit tijdsgewricht vrouwenhandelzaken voor de rechter.

Een cocktail van medeplichtigen (mei 1996)

In de Cocktailzaak werd een Nederlander ervan verdacht in samenwerking met criminelen uit het voormalige Joegoslavië zeker 19 vrouwen, bijna allemaal uit de Oekraïne, onder dwang in de raamprostitutie aan het werk te hebben gezet. Deze zaak lijkt op andere vrouwenhandelzaken met even fantasierijke namen als Glasnost, Brût en Goulash. Ook bij deze zaken stonden Oost-Europeanen en ‘Joegen’ terecht. Deze bendes bestonden over het algemeen uit enkele Oost-Europese mannen – een of meer vrouwelijke ronselaars – meestal vriendinnen van de hoofdverdachten – en enkele Nederlandse medeplichtigen. De taakverdeling is als volgt: één divisie ronselt snelle beslissers voor een baantje van een paar maanden in Nederland of Duitsland. Vervolgens droeg de ploeg handelaren ze in bijvoorbeeld Duitsland over aan ‘leveranciers’ die ook het transport verzorgden. Op hun beurt verkwanselden deze lieden ze aan clubbazen of aan pooiers die ze achter de ramen zetten. Soms werden de vrouwen verder doorverkocht. De overdracht was een feit wanneer de paspoorten waren ingenomen.

Alsof het de normaalste zaak van de wereld is, werd de prijs aankoopprijs voor een vrouw op 1500 tot 5000 gulden gesteld. Bijna overal golden dezelfde afspraken over percentages en afdrachten. 50% van wat iedere klant opbracht was voor de exploitanten en 25% voor de leveranciers. De vrouwen kregen officieel 25% maar moesten daar hun zogenaamde schulden binnen enkele maanden aflossen.

Liefdadigheid

De Nederlandse verdachte in de Cocktail zaak was een raamexploitant. Hij was niet de enige. Nogal wat exploitanten die beweerden geen ‘goede’ -dat wil zeggen niet-zeurende, niet-geëmancipeerde, goedkope en gezeglijke meisjes- te kunnen krijgen, waren maar al te bereid deze vrouwen aan het pezen te zetten. En veel clubexploitanten hanteren een nogal slordige sollicitatieprocedure. Dat gold bijvoorbeeld voor een bordeelhouder die in 1995 tegen de rechter zei:

‘De leverancier zei dat de vrouwen wel wisten wat ze kwamen doen. Iedereen weet dat je in Europa lekker in de prostitutie kunt verdienen. Die vrouwen waren toch vrijwillig die schuld aangegaan. Hun kleedgeld had ik gewoon voorgeschoten. Maar ze lopen Zeeman voorbij en gaan naar dure boetieks’. Hij had uit liefdadigheid gehandeld; hij had die ‘arme meisjes’ immers de mogelijkheid geboden een Nederlandse man aan de haak te slaan!

Exploitanten moesten wel weten dat er iets mis is als een Oost-Europeaan vrouwen aanbiedt die buiten op de stoep de onderhandelingen moeten afwachten. Soms werden exploitanten gedwongen om deze vrouw aan het werk te zetten. Zij werden vmet een ‘offer they can’t refuse’oor het blok gezet . Onder dreigementen nemen ze de vrouwen soms maar aan.

Een Slowaakse was met het argument gelokt dat het in Nederland veilig was voor sekswerkers en dat er altijd een condoom werd gebruikt. . Ze gebruiken altijd een condoom. De meest gerespecteerde, zelfs getrouwde vrouwen doen het werk. Je hoeft het maar een paar maanden te doen, je drinkt wat met zo’n man en als je het bevalt ga je met hem uit’, zo had een andere handelaar een vrouw over de streep getrokken. De nieuwe rekruten denken dat ze in luxueuze nachtclubs terechtkomen. Een werkplek op de Wallen of in de Groningse raamprostitutie komt dan als een koude douche. Ze vinden het verschrikkelijk om zo te kijk te worden gezet. Oost-Europese vrouwen die in clubs en privéhuizen werken, moeten soms als ze te weinig verdienen voor straf achter de ramen gaan werken.

Ook de verdiensten voldoen niet aan de verwachting. Sensatieverhalen over tienduizenden guldens omzet per dag kloppen niet. Slechts zelden kan een vrouw 25 klanten per dag afwerken. Vrouwen die nieuw waren konden soms een bruto omzet van 1000 gulden behalen, maar daar moest nog de hoge raamhuur van gemiddeld 150 gulden voor een halve dag af. Daar komen nog de kosten bij voor het vervoer naar de werkplek, de condooms en de kledingj. Voor een karige maaltijd van soep uit een pakje vroeg een handelaar 25 gulden. Als ook nog 1000 gulden voor een visum dat slechts enkele dagen geldig is en de steeds oplopende schulden voor de ronselaars werden afgetrokken, bleef er niet veel over. Wanneer een handelaar 150 gulden per dag eiste, viel dat soms niet op te brengen.  Veel vrouwen liepen dan ook weg en probeerden elders hun terugreis te verdienen. Ze hoopten dan maar dat de ronselaars hen niet zouden vinden. Weer anderen hielden het vol om te redden wat er te redden viel. Het is in het laatste decennium zeker drie keer voorgekomen dat vrouwen vrijlating werd beloofd als ze voor vervanging zorgden. (…)

Subtiele dreiging

Niet alle slachtoffers worden opgesloten, mishandeld en verkracht. Oost-Europese bendes hadden subtielere dwangmiddelen in hun repertoire. Ze dreigden tegenstribbelende vrouwen door te verkopen aan Marokkaanse of Turkse mannen. ‘Dan wordt het nog erger’, zo luidde het standaarddreigement van de handelaren. Soms werd die koop ook daadwerkelijk gesloten.

Het aandeel van Turkse mannen bestond toen vooral uit het ronselen in de landen van herkomst, waar ze meestal met een Oost-Europese vrouw samenwoonden. Turkse bareigenaren vormden in Duitsland een vangnet voor Oost-Europese vrouwen die later naar Nederland werden gestuurd. In de jaren negentig is één zo’n lijn, die van Suleyman A., die betrokken was bij de bende van Venlo, opgerold. Hij leverde voor seksclubs in het Limburgse. In de Brûtzaak die in november 1995 speelde, werden Slowaaksen in een Turkse club in Rotterdam opgesloten. Bij wijze van betaling kregen vrouwen er fiches, waarmee ze later hun schuld konden aflossen. Deze clubs waren niet bepaald populair want de vrouwen kregen er slecht te eten en moesten soms tegen hun zin drugs gebruiken.

Niet altijd staan de bordelen te boek als seksclub. In 1993 bijvoorbeeld, was er een inval in een pizzeria in het oosten van het land waar Roemeensen met klanten ‘naar boven’ moesten. Een speciale ‘reclameman’ adverteerde deze ‘mogelijkheid’ door af en toe met het bedienend personeel naar boven te verdwijnen. Deze gelegenheden zijn moeilijk te vinden, want ze adverteren niet. Ze werken met mond tot mond reclame.

(Fragment uit ongepubliceerd artikel Sietske Altink uit 1996)

Zie enkele reconstructies van vrouwenhandelzaken uit die periode: Dossier Vrouwenhandel NL, de feiten, de verhalen en de ervaringen: (Amsterdam 1993)

Lopend over de grens

De barensnood van Conchita

De zaak van de Colombiaan

In Joegoslavië was ik veiliger

Kunstfamilies

De Griekse connectie

De bende van de Miljardair