Door de eeuwen heen heeft men verschillend aangekeken tegen prostituees die met hun werk wilden of moesten stoppen. In de middeleeuwen zag men deernen en andere ontuchtige vrouwen als wezens die gered of op het juiste pad gebracht konden worden. Het vooroordeel eens een hoer, altijd een hoer bestond toen nog niet.

Prostituees die in de late middeleeuwen ‘met pensioen moesten’ konden in sommige gevallen naar het klooster maar ook het huwelijk stond onder bepaalde voorwaarden, met een speciale dispensatie, voor hen open. Tot de twaalfde eeuw waren de voorwaarden waaraan de ex-prostituees die gingen trouwen moesten voldoen heel strikt. Soms moest ze een bepaalde periode boetedoen. Later oordeelde de kerk er positiever over.

Rolandus, de latere paus Alexander III (1105-1181) vond mannen die met een hoer trouwden prijzenswaardig. Paus Innocentius III (paus van 1198 tot 1216) ging verder en vernietigde het verbod op trouwen met een ex-prostituee. Hij moedigde het zelfs aan.

Phyllis en Aristoteles

Phyllis en Aristoteles

Sommige steden volgden de paus in hun regelgeving. De stad Neurenberg bepaalde bijvoorbeeld in 1493 dat de straffen van een deerne die door een gezel naar het altaar werd gevoerd zouden worden kwijtgescholden. In Dijon had men een vergelijkbare regeling. Ook daar werd de zondige vrouw door het huwelijk rechtschapen. Vooral knechten en gezellen waren bereid met een prostituee te trouwen.

Soms kregen mannen een financiële compensatie voor deze daad van naastenliefde (Brundage, 1976). Mannen konden immers nadelen van een dergelijke alliantie ondervinden. Het kon bijvoorbeeld voor de man gevolgen hebben voor zijn rechten over haar. Als ze door een derde verkracht of verkocht werd kon hij daar (in Engeland) niets tegen doen en geen schadevergoeding vragen. (Karras, 1996)

De autoriteiten van de Duitse stad Lindau vonden dat een vrouw die door het huwelijk weer eerbaar werd, geen nadelen van haar verleden mocht ondervinden. In de steden Goslar, Halle, (1504) en Neurenberg vormden burgers een fonds voor bruidsschatten voor prostituees.

Het stigma verdween bij een huwelijk echter niet als sneeuw voor de zon. Krachtens een verordening uit het Duitse Weimar van 1421 moesten prostituees hun stigmatiserende kleding blijven dragen en bleef het verbod op sieraden van kracht. (Schuster, 1992) In 1443 kreeg Hans Lippeldes  een onwaarschijnlijk hoge boete opgelegd omdat zijn vrouw sieraden droeg. Ook in het Hildesheim van 1440 bleven na het huwelijk de beperkende kledingvoorschriften gelden. Op andere plekken was een huwelijk juist een manier om aan de kledingvoorschriften te ontsnappen. (Rossiaud, 1984)).

Maar in een land als Duitsland keerden de gilden zich steeds meer af van het idee van vergeving. Zij drongen steeds meer aan op discriminerende maatregelen tegen prostituees. De statuten van sommige gilden verboden het om met een prostituee te trouwen. (Schuster, 1992)

Afhankelijkheid van bordeelhouders

Sommige steden ondersteunden zieke hoeren of kochten ze vrij. De ‘lichte wiven’ konden niet altijd zomaar uit het bordeel vertrekken. Veel vrouwen die in de bordelen werkten werden door de waarden afhankelijk van hun werk gehouden. Ze moesten vaak schulden voor bijvoorbeeld hun kleding afbetalen. Daar werd echter wel tegen opgetreden. Toen in de jaren dertig van de 16de eeuw het vrouwenhuis in Weinigerrode werd gesloten, betaalde de stad de schulden die een prostituee die ging trouwen in het bordeel had opgelopen.

Hoerenwaarden die vrouwen verhinderden te trouwen werden flink aangepakt. Waard Ulrich Otten uit Augsburg kreeg daarom in 1522 straf. In Noerdlingen speelde iets vergelijkbaars. Daar moest een waard vanaf 1511 een vrouw schuldenvrij laten trouwen.

Uit de Lage Landen zijn (mij) dergelijke afhankelijkheidsrelaties niet bekend. Voor sommige vrouwen was een periode in de prostitutie een tussenstop naar een eerbaar leven. (Dupont, 1996) Ze maakten zich ook niet allemaal afhankelijk van de exploitanten. Bijvoorbeeld Marie van der Hoeven kwam als prostituee in 1473 in aanraking met een troep mannelijke toneelspelers. Een van hen, Mathieu Cricke vroeg haar zich bij het gezelschap aan te sluiten. Dat deed ze en niets wees erop dat de bordeelhouder haar tegenhield. Later verliet ze het gezelschap voor weer een andere man. (Dupont, 1996)

Ander werk

Veel prostituees waren echter al getrouwd. Zij werkten vooral in de toenmalige ‘illegale’ prostitutie omdat de officiële bordelen verboden terrein was voor getrouwde vrouwen.

Een enkele prostituee had een spaarpot voor de oude dag. Maar de meesten hadden weinig spaargeld. Dat weten we uit processen over gestolen spaarpotten. (Irsingler en Lasotta, 1989) Veel oudere prostituees gingen bedelen. Ook konden ze bediende worden. (Schuster, 1992) Een enkeling werd koppelaarster en/ of ging kamers aan zelfstandige prostituees verhuren.

De joodse Ursula was in 1560 geboren. Op 13-jarige leeftijd werd ze naar Keulen gebracht. Maar vanaf 1424 mochten joden niet meer in de stad wonen en moesten ze zich bekeren. Dat deed ze.

Daarna werd ze dienstbode bij de burgemeester. Ze werd verliefd, raakte zwanger en werd door de aanstaande vader verlaten. In 1581 moest ze voor de rechter verschijnen omdat ze het met jonge mannen had aangelegd. Dat mocht ze als joodse niet. Ze moest de stad verlaten maar dook steeds onder. Ze werd koppelaarster. Ze wou een huis kopen maar kreeg last met de buren. Men sloot een compromis omdat ze beloofde zich keurig te gaan gedragen. Ze trouwde. Later zou ze het nog voor een ander meisje bij de rechtbank opnemen, maar ze moest zich steeds verdedigen. (Schuster, 1992)

Bronnen

Sietske Altink