Beatrijs kwam uit een adellijke familie en werkte als kosteres in een klooster. Uit liefde voor een jeugdvriend verliet ze het klooster maar werd na zeven jaar door hem in de steek gelaten. Vervolgens ging ze zeven jaar als hoer werken maar kreeg berouw en besloot naar het klooster terug te keren. Niemand had echter haar afwezigheid opgemerkt want de maagd Maria had haar plaats ingenomen.

Bijna overal in Europa komt dit verhaal van Beatrijs voor. Haar lotgevallen waren geheel in overeenstemming met de katholieke leer die de mens als zondaar zag, maar behept met een vrije wil waardoor hij uiteindelijk voor het goede kon kiezen. Het evangelie stelde immers dat de schande van de zonde niet onherstelbaar was. (Rossiaud, 1984) Dat gold ook voor ‘de deerne’[i]. De katholieke kerk bood de hoer namelijk twee uitwegen: het huwelijk en het klooster. Bekering en berouw waren voorwaarden om in het klooster te kunnen treden. Bij wijze van propaganda voor die bekering deden er verhalen de ronde over hoeren die door intens berouw zich boven de zonde hadden verheven. Zo werd een vrouw bekeerd doordat een priester haar op de markt vroeg seks in het openbaar met hem te hebben. Zij vond dat dit niet kon omdat iedereen hen zou kunnen zien. Daarop zei de priester: maar je vindt het niet erg dat in de afzondering God ook meekijkt? De vrouw in kwestie zag het licht en bekeerde zich. Het argument dat God meekeek was ook een reden voor de beroemde prostituee Thais om zich in berouw te dompelen.

Prostituees konden een berouwvol leven leiden in het teken van een bepaalde heilige. De lijst van heiligen werd uitgebreid met bekeerde hoeren zoals Maria van Egypte en Pelagia, ofwel de baardloze kluizenaar. De laatste, een voormalige actrice/ danseres (beroepen die toen nauw verwant waren met prostitutie), raakte bekeerd na een preek van de heilige Nonnatus en toog als man verkleed op weg naar Jerusalem. Maria van Egypte leefde ook in zonde en betaalde haar pelgrimstocht naar Jerusalem in natura. Op een gegeven moment zag de monnik Zosimus haar naakt de woestijn invluchten. Hij schonk haar zijn mantel. Zosimus beloofde dat hij terug zou komen om haar de communie te geven. Ze reisde verder. Een onzichtbare macht hield haar tegen als ze een kerk wilde betreden, maar de heilige Maagd zorgde ervoor dat ze wel naar binnen kon. In de kerk gelastte een stem haar naar Jordanië te gaan. Een man gaf haar geld voor zeven broden waarmee ze zich zeventien jaar lang voedde. Daarna hield ze het nog 30 jaar zonder eten en drinken vol. Zosimus kwam uiteindelijk met de hostie, maar trof haar dood aan. Een leeuw hielp hem haar te begraven.

De Romeinse Agnes had zich ook tot het christendom bekeerd. Maar er kwam een obstakel op haar weg. De zoon van een voorname doch heidense man wou namelijk met haar trouwen. Ze weigerde. Zijn vader eiste daarop dat ze of vestaalse maagd werd of naar het bordeel ging. Ze koos voor het bordeel maar God bedekte haar met heel veel haar, zodat ze niet meer aantrekkelijk voor mannen was. De zoon kwam naar het bordeel om seks met haar te hebben maar werd dodelijk – in sommige versies met blindheid-  getroffen. (Karras, 1996)

De meest aansprekende heilige was echter Maria Magdalena, na Moeder Maria de meest vereerde heilige vrouw in de middeleeuwen.  Magdalena wordt in de Bijbel zondares genoemd. Maar de conclusie dat ze prostituee was, is slechts één interpretatie van het woord zondares. In de vele versies van het verhaal komt meestal naar voren dat ze rijk en verdorven was. Ze zou voor een vroom leven hebben gekozen uit woede voor het feit dat ze door een man was verlaten.

Kloosters

Jan van Scorel: Maria Magdalena gekleed als Italiaanse courtisane

Jan van Scorel: Maria Magdalena gekleed als Italiaanse courtisane

In 1227 gaf paus Gregorius IX officieel toestemming de Orde van de Heilige Magdalena te stichten met als doel ‘lichte wiven’ te bekeren. In heel Europa werden er van die Magdalenahuizen ingericht. Overal moesten de voormalige lichte vrouwen godsdienstige plichten vervullen en huishoudelijke taken verrichten. Ze moesten breken met het verleden en kregen zware of lichte straffen bij overtredingen. De mate van strengheid van het regime verschilde per klooster. Soms heerste er een kadaverdiscipline, bijvoorbeeld in Spanje, soms mochten ze leren lezen en schrijven en konden ze een betrekkelijk aangenaam leven leiden, zoals in Venetië. (Ruggiero,1985) In deze stad verwierf het klooster een zekere faam omdat de mooiste vrouwen daar zaten waardoor de kloosters voor mannen een aantrekkelijk logeeradres werden. (Ruggiero, 1985). Wanneer de kloosters bepaalden dat alleen jonge en mooie vrouwen mochten worden opgenomen, wekte dit de indruk dat de kloosters verwachtten dat de vrouwen nog wat geld in het laadje zouden brengen. (Rossiaud, 1984). Soms werden ze door het klooster aangemoedigd om de kloosterkas door middel via prostitutie aan te vullen. (Schuster, 1992) De vrouwen die geplaatst werden wilden over het algemeen geen non worden, maar werden er door de familie afgeleverd, wat niet bepaald overeenkwam met het oorspronkelijke doel van deze instellingen. Kloosters gaven de voorkeur aan deze betrekkelijk rijke vrouwen boven armlastige hoeren. Zo had in Keulen de in 1229 opgerichte Magdalena orde de doelgroep in de steek gelaten ten gunste van vrouwen uit rijke families die geen huwelijkspartner konden vinden. Pas twee eeuwen later kwam er een Keuls opvanghuis tot stand dankzij donaties van ene Peter Rinck, een koopman. Hij stelde 200 gulden voor bruidsschatten voor zes vrouwen ter beschikking. Er waren vaker particulieren die deze instellingen in het leven riepen en financierden.

De wereldlijke autoriteiten leken in de loop van de veertiende eeuw steeds meer zeggenschap over deze kloosters gekregen te hebben. Het was in de veertiende eeuw het liefdadige component van het ‘gemeentebordeel’.

Frankrijk

In Frankrijk waren er dergelijke kloosters in bijvoorbeeld Montpellier en Avignon. In Avignon moesten de vrouwen – die niet ouder dan 25 mochten zijn -na een proefperiode van 8-10 dagen- kuisheid en gehoorzaamheid voor het leven beloven. Ze moesten tijdens de advent en in de vastentijd eenmaal per week biechten.  Kleine overtredingen werden gestraft met op water en brood zetten, en ernstige overtredingen met opsluiting. Het personeel viel onder directe verantwoordelijkheid van de aartsbisschop van de stad. (Otis, 1985)

Van het gesticht in Montpellier is enige informatie overgeleverd. De boetvaardige zusters van Saint Catherine stonden in Montpellier onder het gezag van ambtenaren die de selectie van de boetvaardige vrouwen uitvoerden. De vrouwen moesten alleen een bed, kleren en een geldbedragje meenemen. De ‘zusters’ moesten alleen weesgegroetjes en onzevaders bidden en hoefden slechts eens per maand te biechten. Daarnaast was het hun verboden de stad in te gaan.Ze kregen een proefperiode van een jaar. In die tijd konden ze nog trouwen, maar ze mochten hun bruidsschat niet naar het klooster meenemen. Na dat jaar moesten ze er de rest van hun leven blijven, maar namen toch regelmatig de benen. De kloosters hadden het recht vrouwen die weigerden hun straf van een jaar voor ontucht of rebels gedrag uit te zitten, weg te sturen.

Spanje

Ook in Spanje werden instituten gesticht om de vrouwen van de zonde af te houden. In 1345 werd in Valencia het Casa de las Arrependitas (het huis van de boetvaardige vrouwen) geopend.  De vrouwen moesten er volgens de regels van St. Franciscus leven. Dit werd ondersteund door het stadsbestuur dat trachtte door middel van donaties andere prostituees te stimuleren de prostitutie vaarwel te zeggen. Het hebben van berouw en de bereidheid minimaal een jaar in afzondering te leven waren voorwaarden voor opname in het klooster. Na een jaar mochten ze buiten komen maar als ze dan weer in de prostitutie terugkeerden kregen ze zweepslagen. Ze moesten zich aan het regime onderwerpen. Deden ze dat niet dan kregen ze straf en voedselbeperkingen opgelegd. Tijdens de Heilige Week moesten alle ‘lichte wiven’ naar het huis van de boetvaardige vrouwen. De stad betaalde die week hun levensonderhoud. De bekering verliep niet altijd geheel vrijwillig. De meeste deernen probeerden eronderuit te komen. Enkele vrouwen trouwden vanuit het huis der berouwvollen en kregen een bruidsschat mee. (Carmen Peris, 1990). In Sevilla werden vrouwen die in de verleiding kwamen om even in hun oude beroep bij te klussen, gegeseld.

In sommige Duitse steden werden degenen die ‘terugvielen’ aan de beul uitgeleverd. Zo moest In 1571 de ongehoorzame Barbara van Reidt aan de schandpaal en daarna de stad verlaten.

Lage Landen

Reeds voor 1415 stichtte Weremboldus Buscop een vertegenwoordiger van de Moderne Devotie in Utrecht een convent voor bekeerde zondaressen. Ze konden omstreeks 1450 naar de Magdalenakloosters van Windesheim van de Moderne Devotie in Utrecht, Haarlem, Leiden en Amsterdam. Ze kregen daar een proeftijd van een jaar. [ii] De vrouwen moesten bijvoorbeeld in Gouda leven volgens de regels van kerkvader Augustinus, maar hoefden als bekeerlingen zijnde, niet deel te nemen aan het koorgebed. [iii]Ook in Haarlem was er zo’n klooster waar ze ‘Susteren van Magdalena ‘ of bekeerde sondaressen werden genoemd. In Amsterdam werd ‘om de seden te doen bloeyen’ in 1462 met steun van de overheid en vele particulieren het Convent van St. Maria Magdalena gesticht. Maar het schijnt daadwerkelijk pas in de tweede helft van de vijftiende eeuw als opvang voor prostituees te hebben gediend. Kennelijk liepen ze regelmatig weg, want in de huisreglementen van de kloosters staan vele maatregelen tegen bekeerlingen genoemd die van het terrein afgingen om ontucht te plegen. [iv]

De Brugse overheid had geen actief beleid om de vrouwen uit het vak te krijgen. De kerk deed echter wel een bijdrage. De Doornikse wijbisschop (hulpbisschip) Willem Vasoris. stichtte een religieuze orde voor zondaressen. Maar al gauw werd het pand betrokken door zusters van een ander klooster. (Dupont, 1996)

De reputatie van de kloosters op het gebied van de zedelijkheid was ook in de Lage Landen niet altijd even best. Er was steeds openlijker seks in de kloosters. Dat vond men zorgwekkend omdat de kloosters door de Reformatie steeds meer onder vuur kwamen. [v]

In de calvinistische visie waren prostituees niet langer zondaressen die gered konden worden maar misdadigsters die bestraft moesten worden. Pas ten tijde van de reformatie is men strenger gaan oordelen over prostituees. In het calvinisme was er veel minder ruimte voor bekering. (Dupont, 1996)

BronnenSietske Altink

 

 

 

 

 

 

 

 

 


[i] We gebruiken hier de term prostituee, hoewel die term in de periode waarover we schrijven nauwelijks werd gebruikt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[ii] (Dolder- De Wit) 1999, in Tidinge van die Goude, jaargang 17 no.2.)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[iii] Goudriaan, K., (2002) Fervente vroomheid in een bange tijd, in Gouda, Duizend Jaar Stadsgeschiedenis, uitgeverij Verloren, Hilversum.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[iv] Dijk,R.T.M., (1986), De constituties van de Windesheimse (Moderne Devotiekloosters) voor 1599, een bijdrage tot de institutionele geschiedenis van het Kapittel Windesheim, Katholieke Universiteit Nijmegen, Het Centrum voor Middeleeuwse Geschiedenis, proefschrift.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[v] Uphoff, J., (2014) Kloosters onder vuur, religiekritiek als middel van verzet en bescherming in Die Denkwűrdigheiten van Caritas Pirckheimer.