Campagne tegen mensenhandel. Een klein vrouwtje op een groot bankbiljet.

In de tweede helft van de jaren tachtig van de vorige eeuw werd vrouwenhandel gedefinieerd als een vorm van seksueel geweld, waaraan later het element georganiseerde misdaad werd toegevoegd. Men zag het als een ernstige schending van mensenrechten. Het internationale aspect noopte anderen ertoe het als een migratieprobleem op te vatten, en wel als een gevolg van de gebrekkige mogelijkheden van vrouwen om door middel van arbeidsmigratie een beter leven te krijgen. Sinds de uitbreiding van de EU, wonen en verblijven veel slachtoffers legaal in Nederland, werd het aspect van een abusieve en gewelddadige relatie benadrukt, wat ineens loverboyproblematiek ging heten.

Seksueel geweld

In de jaren tachtig van de vorige eeuw had de vrouwenbeweging seksueel geweld op de politieke agenda gezet. De conferentie Seksueel Geweld tegen Vrouwen en Meisjes, in 1982 in Kijkduin, was het startpunt voor de overheidsbemoeienis met de bestrijding van seksueel geweld. Verkrachting en aanranding werden dank zij de vrouwenbeweging niet meer als een schending van de zedelijkheid maar een als aantasting van lichamelijke en geestelijke integriteit en als schending van het recht op seksuele zelfbeschikking gezien. Vrouwenhandel tastte dit recht aan. Dit laatste was bij uitstek het uitgangspunt ten aanzien van prostitutie en vrouwenhandel: op grond van het recht op seksuele zelfbeschikking kan een vrouw immers ervoor kiezen in de prostitutie te gaan werken, maar op grond van ditzelfde recht kan ze dit ook weigeren. [i]

Buijs en Verbraken (1985) waren de eersten die in opdracht van de overheid een systematisch overzicht van dit verschijnsel trachtten te geven. Ze concludeerden ‘dat vrouwenhandel beslist geen marginaal probleem lijkt te zijn en ‘deze zich in de criminele sfeer afspeelt, waarbij valse voorwendsels worden gebruikt om deze vrouwen ertoe over te halen naar Nederland te komen, en dwang en geweld om ze in de prostitutie te krijgen en te houden.’ (p 46)  Volgens hen werden duizenden vrouwen in deze vorm van seksuele slavernij gehouden. Anders dan Barry (1979) die ook de term seksueel geweld op dit fenomeen losliet, maakten deze auteurs wel onderscheid tussen sekswerkers die vrijwillig werkten en slachtoffers van vrouwenhandel.

In deze fase waarin vrouwenhandel als een ernstige vorm van seksueel geweld werd gezien, legde men het probleem neer bij de zedenpolitie, die onvrijwillige prostitutie als een vorm van seksueel geweld moest gaan bestrijden. Daarmee was niet alles gezegd. Al snel liep men tegen het internationale karakter van de vrouwenhandel aan en zag men dat er meestal meerdere mensen bij betrokken waren. Tevens bleek dat er ook andere vormen van geweld tegen de slachtoffers werden gepleegd, dat ze van hun inkomsten werden beroofd, werden bedreigd en geen of nauwelijks bewegingsvrijheid hadden.

Georganiseerde misdaad

Buijs en Verbraken (1985) maakten onderscheid tussen kleinschalige en grootschalige vrouwenhandel. Dat is opmerkelijk in een periode waarin volgens de heersende mening  georganiseerde misdaad niet of nauwelijks in Nederland voorkwam. Enkelingen zoals oud commissaris Blaauw (1974) en minister Korthals Altes (1985) hadden weliswaar gewaarschuwd dat het wel degelijk in Nederland speelde, maar dat werd pas serieus genomen na het verschijnen van het rapport van de Commissie Gonsalves. (1987) (Cie Van Traa ,1996, bijlage VII)

In de jaren negentig werd door diverse auteurs gediscussieerd over het georganiseerde misdaadaspect van vrouwenhandel. De Cie vanTraa achtte in navolging van C. Fijnaut, hoogleraar criminologie die voor de commissie 34 dossiers van vrouwenhandel had bestudeerd, vrouwenhandel geen volwaardige vorm van georganiseerde misdaad omdat het niet gepaard ging met corruptie en afscherming tegen de overheid. (Altink en De Bruijn, 1996) Hij had geen grootschalige corruptie aangetroffen.

Fijnaut: ‘Ik kan me niet herinneren dat ik in de Van Traa constellatie bij vrouwenhandel een echt corruptiegeval ben tegengekomen. Ja, in Amsterdam daar had een politieman niet-politiële relaties met escortclubs. Die man tipte bij invallen. Hij fotografeerde de meisjes voor zijn eigen fotobedrijfje. Corruptie is een voor de hand liggende associatie die het verschijnsel vrouwenhandel oproept, zeker zoals het door De Stoop is opgehoest in zijn boek  Ze zijn zo lief meneer. Sinds die tijd leeft het ook heel sterk.”

… Het is moeilijk vast te stellen dat in Oost-Europa een soort maffiagroep zijn netten in het westen uitgooit. Vrouwenhandel lijkt echter geen zaak van een wereldwijd opererend netwerk. Het zijn kleine kliekjes met een of twee centrale figuren en een dummy die de distributie in Nederland kan opzetten. Daar hangen wat figuren omheen als een chauffeur of een broer die aan protectie- of aan geweldpraktijken doet. Mogelijk moeten ze het geld aan anderen afstaan… Niet al die groepen zijn zo goed gestructureerd. Het is vaak een beetje wilde bedoening. Het gaat hup, via Duitsland, naar Groningen en dan naar Assen, maar verder niet.

 

Internationale vrouwenhandel roept heel snel de associatie op van grote groepen, maar je ziet alleen maar gevallen waarin kleine, maar mobiele en internationale groepjes opereren. Er onstaat een ‘combine’ tussen degene die aanvoert en degene die distribueert.’ (Geciteerd in Altink en De Bruijn, 1996, blz 5-9)

Mensenhandel is wel een vorm van georganiseerde misdaad uit political expediency genoemd; mensenhandelaren voorzien in een behoefte waarin niet op legale wijze valt te voorzien. (Bovenkerk, 1992)  Dit geldt bijvoorbeeld voor de wens te migreren die door visumverplichtingen en dergelijke wordt gedwarsboomd. Misdaadorganisaties leveren papieren, verzorgen het transport en zoeken de mazen van de wet op om dit wel mogelijk te maken.

Het slachtoffer is in deze visie een getuige in een strafproces en kan zelfs als medeplichtige worden gezien. Dit kan hij/zij voorkomen door aan te tonen dat er misleiding in het spel was. Davies (2003) geeft aan dat er bij de georganiseerde misdaad benadering, het gevaar bestaat dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen mensenhandel en mensensmokkel. Hij wijst er met Andrijsevic (2004) op dat de georganiseerde misdaad- benadering niet altijd in het belang van het slachtoffer is. Het slachtoffer had immers als doel een inkomen te verwerven. Inderdaad was tot voor kort niet eenvoudig voor een slachtoffer om een behoorlijke schadevergoeding te verkrijgen. Dat is veranderd; eind juli 2012 werd aan een vrouw bijna een miljoen euro schadevergoeding toegekend. (o.a. Het Parool, 28-7-2012)

Een substantieel deel van de slachtoffers komt niet meer uit landen van waaruit ze niet legaal naar de Europese Unie kunnen reizen. Deze vrouwen krijgen te maken met een andere vorm van georganiseerde misdaad waarin geen diensten worden geleverd maar waarin geld werd afgeperst ofwel het racketeering. Afpersing komt regelmatig voor, ook van sekswerkers die zelfstandig in de prostitutie waren gaan werken.

Vrouwenhandel als migratieprobleem

In het begin van de twintigste eeuw is alle werving van sekswerkers over de grens in internationale verdragen strafbaar verklaard. De wilskwestie (wil een vrouw de prostitutie in of niet) werd daarmee buiten de discussie gesteld. Het is nog steeds officieel strafbaar om bijvoorbeeld een Belgische sekswerker vanuit Antwerpen een lift te geven naar haar werkplek in Breda. Dit wordt echter in Nederland nooit berecht omdat rechters en officieren van justitie dit niet strafwaardig achten. Uit jurisprudentie blijkt dat er pas een veroordeling tot stand komt bij een misleidende vorm van rekrutering die tot uitbuiting in de prostitutie leidt. Maar ook dat valt moeilijk te bewijzen.

Degenen die in de jaren tachtig het debat over vrouwenhandel voerden, stuitten al snel op het fenomeen migratie. Hoewel bijvoorbeeld Buijs en Verbraken (1985) erkenden dat vrouwenhandel ook binnen de landsgrenzen kan plaatsvinden, noemden ze vooral migratiegerelateerde oorzaken van het probleem: armoede, culturele (uitstoting uit de traditionele gemeenschap) en ‘invloed westerse denkbeelden’. Dit laatste impliceert een nogal dubbelzinnig beeld van de vrouwen uit ‘arme landen’. Willen die vrouwen nu meer vrijheid of zijn ze alleen maar slachtoffer van hun wens materiële rijkdom te verwerven? Waren ze onderdrukt of naïef? Het was immers ondenkbaar dat vrouwen uit het rijke westen er slachtoffer van zouden worden. [ii] De moord op een Engelse vrouw met een goede opleiding in een karaokebar in Japan werd daarom niet met mensenhandel in verband gebracht. (Vermeld in Davies, 2003)

anti-traf-eur1

Hoe strafbaar is het om mensen te vertellen dat ze elders in de wereld meer kunnen verdienen dan in hun eigen land? Of is men strafbaar als men het werk in de Nederlandse prostitutie mooier voorstelt dan het is? Hoe misdadig is het om iemand de werkelijke prijs van een vliegticket voor te schieten? Hoe strafbaar is het om iemand aan te bieden de visumaanvraag in de hoofdstad te regelen? En om daar een vergoeding voor te vragen? In de woorden van C. Fijnaut:

  “Vooral bij de werving spelen subjectieve elementen die in rechtszaken zowel door de verdediging als door de aanklager naar voren worden gehaald. De Officieren van Justitie lichten hun standpunt meestal toe door te wijzen op het overwicht dat handelaren hebben op vrouwen die de taal en de wetten van het ontvangende land niet kennen. De advocaten van verdachten van vrouwenhandel schermen op hun beurt met het achterhaalde argument dat de vrouwen niet zo naïef zijn als ze lijken. Het probleem dat de bewijsvoering op dit niveau blijft steken, komt doordat de systematiek in de werving moeilijk te ontdekken valt. De eerste contacten van de vrouwen met de ronselaars zijn voor de politie niet interessant omdat het niet strafbaar is om een vrouw te vragen of ze in het buitenland wil werken.” (Geciteerd in Altink en De Bruijn, 1996, pp. 5-9)

De visie op vrouwenhandel als een migratiekwestie leidt tot twee mogelijke wijzen van aanpak: een veilige migratie mogelijk maken (Wijers, 1996) of het weerhouden van vrouwen (alleen) te migreren. Het weerhouden van vrouwen te migreren gebeurt in preventieprojecten.[iii] In Oost Europa worden die preventieprojecten vooral uitgevoerd door het IOM: International Organization for Migration, een organisatie met afdelingen in vele landen. Andrijasevic (2007) heeft aan de hand van posters van deze organisatie een analyse gemaakt van het beeldmateriaal waarmee men de anti-migratieboodschap wil overbrengen. De vrouwen op de posters worden afgebeeld als mishandelde vrouwen, als pakketjes die van hand tot hand gaan, als marionetten of als in een web verstrikt geraakte poppetjes. [iv] James (2011) beweert dat vrouwelijke migranten zo tot risico- object worden gemaakt.

De beschrijving van mensenhandel in termen van georganiseerde misdaad en (illegale) migratie past in een securization discours, zoals James (2011) de nadruk op veiligheid en openbare orde noemt. Dit past helemaal in het denkbeeld dat de respectabele vrouw thuis blijft, en als ze al reist, dat onder een vorm van dwang doet. (Enloe, 1989)

Een weinig belicht aspect van de migratiecomponent van vrouwenhandel is de terugkeer van slachtoffers naar het land van herkomst  [v] Dit zou de volgende problemen opleveren, aldus Eimeren (2004) die in Nederland verblijvende slachtoffers heeft geïnterviewd over hun perspectief op terugkeer:

Represailles. Inderdaad zijn er enkele gevallen gedocumenteerd van represailles van de handelaren. Soms gaat het om intimiderend gedrag naar de familie toe, soms om werkelijk geweld.

Problemen met de autoriteiten. In sommige landen wordt men gestraft als men illegaal uitreist naar een ander land.

Problemen met het stigma: verstoten worden door de familie

Afwezigheid van adequate hulpverlening na terugkeer.

 

Eimeren, de auteur van Een weg Terug? (2004) heeft niet met slachtoffers gesproken die daadwerkelijk tijdelijk of voorgoed zijn teruggekeerd naar het land van herkomst. Altink heeft  wel (in het verleden) met drie slachtoffers gesproken die wel zijn teruggekeerd: een Moldavische, een Bulgaarse en een Braziliaanse.

Intermezzo : gesprekken met slachtoffers in het buitenland

  1. (2006) In Roemenië verblijf ik een week op hetzelfde adres als een slachtoffer uit Moldavië die naar Roemenië is gereisd om haar zus na jaren weer te ontmoeten. Uit angst voor represailles durfde zij nog niet naar Moldavië te reizen. Aanvankelijk is de zus zeer geschokt door het gebeurde en heeft moeite met het ‘prostitutie- onderdeel’ van het verhaal. Na lange gesprekken komen de zussen steeds nader tot elkaar. Het slachtoffer heeft inmiddels haar ouders verteld wat haar is overkomen. Het voormalige slachtoffer reist nu regelmatig naar haar familie in Moldavië en heeft een uitstekende band met haar ouders en zussen.
  2. (2006). Met een Bulgaarstalige hulpverlener als tolk spreek ik met een Bulgaarse vrouw die in Sofia als straatprostituee werkt. Zij is drie maanden lang uitgebuit in de Nederlandse prostitutie. ’Ik vond het jammer dat ik weer weg moest uit Nederland. Ik heb er wel geen geld aan overgehouden, al het geld is afgepakt, maar ik werd daar niet geslagen door de politie. Ook kon ik gezellig met de collega’s kletsen als er geen klanten waren. Hier verdien ik ook niets, maar de omstandigheden zijn slecht.’
  3. (2005)  In Belem, in het Amazonegebied van Brazilië, spreek ik uitgebreid met een paar sekswerkers. Een van hen vertelt uit zichzelf dat ze in Noord- Nederland had gewerkt. Ze had voor haar vertrek met iemand de website van een club bekeken en had gezien wat de prijzen waren. De klanten moesten in die club 300 euro per uur betalen. Ze had zichzelf rijk gerekend: 8 uur werken, dat is 1600 euro per dag en dat drie maanden lang. Maar de verdiensten vielen tegen. Ze moest anderhalf jaar werken voordat ze haar schulden voor de reis had afbetaald. Haar kinderen waren achtergebleven in Brazilië. Het was haar bedoeling dat ze voor hun studie ging betalen, maar dat pakte anders uit. Ze bleef te lang weg, en haar kinderen zijn criminelen geworden. Op het  moment dat ik haar spreek werkte ze weer als sekswerker om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien.

 

De ervaring met het openstellen van de grenzen in Oost- Europa leert dat vrouwenhandel van karakter kan veranderen. Sekswerkers uit de EU kunnen veilig migreren, maar dat voorkomt niet dat ze in het land van bestemming ernstig  kunnen worden uitgebuit en slachtoffer kunnen worden van de schending van basisrechten.

Vrouwenhandel als schending van mensenrechten

Als alternatief voor de benadering van vrouwenhandel als georganiseerde misdaad of als gedwarsboomde migratie werd het ook wel  als een schending van mensenrechten geïnterpreteerd. Daarin kon ook het recht op het vrije verkeer van personen (en goederen) worden meegenomen, hoewel niet iedere aanhanger van deze interpretatie dit noemt. (Davies, 2003). Het was een schending van het recht op een minimum aan veiligheid, van vrijwaring van slavernij, horigheid, foltering, wederrechtelijke vrijheidsberoving, discriminatie en van andere handelingen die de menselijke waardigheid aantasten. (Brochure Socialistische Fractie EP, 1988).

De integratie van vrouwenrechten zoals het recht op seksuele autonomie, in de mensenrechtenthematiek, vindt zijn basis in de resoluties van de UN World Conference on Human Rights in 1993. In de voorbereiding van de ngo’s van de Peking vrouwen conferentie (1995) werd bepaald dat sekswerkers alle burgerrechten, mensenrechten, politieke en culturele rechten moesten krijgen. In 1992 breidde in Nederland de Adviescommissie Mensenrechten het begrip handel uit naar handel in alle personen, niet alleen in vrouwen en legde de nadruk op dwang, en niet op het doel waarvoor de handeling werd gepleegd. Pas in 2010 bepaalde Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar aanleiding van de zaak Rantsev dat mensenhandel onder het bereik van art. 4 EVRM viel. (Sent, 2010)

O’Connell Davidson betoogt ons inziens terecht dat door de focus op misleiding in het land van herkomst de uitbuiting en tekortschietende arbeidsomstandigheden en –relaties in de prostitutie te weinig aandacht krijgen. Zij bevindt zich met die bewering in het gezelschap van Andrijesivic (2004) die meent dat de preoccupatie met ‘instemming geven’, het moeilijk maakt om de uitbuiting te beschrijven. De vrouwen moeten dan moeizaam aangeven welke uitbuitingssituatie ze tijdens de werving hebben voorzien en welke niet.

Arbeidsrechtelijk probleem

Degenen die ervan uitgaan dat sekswerk werk is, zullen mensenhandel vooral benaderen als een vorm van gebrek aan arbeidsrechten. Deze ‘laboristen’ keuren bemiddeling alleen af als de keuzevrijheid tijdens of door de bemiddeling wordt aangetast. Zij gaan niet uit van morele afkeuring van prostitutie maar zullen de neiging hebben exploitatie in andere beroepen erbij te betrekken. (Haveman, 1996)

Nu is ‘keuzevrijheid’ een lastig begrip in dit verband. Haveman wijst erop dat ook gemeenten de keuzevrijheid van prostituees kunnen beperken. Tevens is het moeilijk om te bepalen of er op de werkvloer van een prostitutiebedrijf een uitbuitingssituatie heerst omdat er geen eisen aan de exploitatie worden gesteld. (Haveman, 1996) Pas in 2012 stelt de stad Amsterdam eisen aan de bedrijfsvoering van exploitanten die verder gaan dan het niet mogen werken met illegalen en minderjarigen. (Amsterdam, Nota van Uitgangspunten, 2012)

Wagenaar en Altink. Dit is een (ongepubliceerde) bijlage bij het Internationaal Vergelijkend onderzoek. (2012)

Lees verder

Bronnen


[i] Sekswerk van mannen speelde nog geen rol in de discussie.

[ii] Medio jaren negentig werden Nederlandse vrouwen voor de seksindustrie in Japan geronseld. Het archief van De Rode Draad bevat daar enkele documenten over

[iii] Davies vermeldt dat vrouwen uit Nepal door ngo’s worden gehinderd om naar India te migreren, uit angst dat ze slachtoffer worden van mensenhandel.

[iv] Davies vermeldt dat vrouwen uit Nepal door ngo’s worden gehinderd om naar India te migreren, uit angst dat ze slachtoffer worden van mensenhandel.

[v] Er gaan stemmen op dat dit soort campagnes averechts werken. Dat zou bijvoorbeeld het geval zijn geweest met de film, Me duele el alma, uit 1993 die diende om Dominicaanse vrouwen te weerhouden van hun komst naar Nederland . Telefonisch deelde de politie mee dat ze precies wisten wanneer de film werd vertoond in de Dominicaanse Republiek. Dan waren er ineens meer Dominicaanse vrouwen in de Doubletstraat Den Haag, die op de film was te zien. De vrouwen meenden dat geweld alleen hun domme buurvrouwen konden overkomen.

[6] Jansen (2007) heeft voor haar onderzoek met teruggekeerde vrouwen gepraat, maar niet in het perspectief van mensenhandel.  De beschrijvingen van Jansen betreffen vooral het stigma.