Campagne tegen mensenhandel. Niet mondig

Campagne tegen mensenhandel. Niet mondig

Anders dan slachtoffers van delicten als diefstal, melden slachtoffers van mensenhandel zich niet altijd als zodanig bij de politie. Ze zouden dat nalaten uit angst voor represailles van de mensenhandelaren jegens henzelf en hun naaste omgeving. Een onbekend aantal slachtoffers verkiest de zogenaamde schuld af te betalen en besluit daarna voor eigen rekening te gaan werken. (Hopkins, 2005) En niet alle slachtoffers beseffen dat wat hen in Nederland is overkomen onder het delict mensenhandel valt. Vooral migranten die in het land van herkomst in de prostitutie hebben gewerkt, kunnen dat hebben gedaan in omstandigheden van dwang en uitbuiting, in een situatie waarin ze sowieso geen rechten hadden. Dat is mogelijk de reden waarom vrouwen die wisten dat ze in de prostitutie terecht zouden komen minder vaak aangifte deden dan andere. (Van Dijk, 2002) In Nederland kunnen zij in de veronderstelling verkeren dat hun eenzelfde lot is beschoren. Het aantal aangiftes is dus geen betrouwbare bron voor het aantal slachtoffers.

Niemand  weet precies hoeveel slachtoffers van mensenhandel er rondlopen in Nederland. Er zijn weliswaar enige cijfers: de meldingen bij bijvoorbeeld Comensha of het aantal aangiften. Maar die cijfers worden altijd genuanceerd als een ‘topje van de ijsberg’. Hoe groot die ijsberg is, weet niemand. Ook weet niemand of er wel een ijsberg is.

Zelfs waar een onderscheid wordt gemaakt tussen “goede” prostitutie en mensenhandel wordt gesuggereerd – meestal niet op grond van nauwkeurige cijfers  (O’Connell Davidson, 2006) – dat een groot aantal vrouwen dat in de prostitutie werkzaam is, slachtoffer is van mensenhandel.

Zoals eerder beschreven is het zeer moeilijk aantallen sekswerkers te bepalen maar het schatten van het percentage slachtoffers onder hen is nog moeilijker. Dat blijkt wel uit het feit dat er in diverse rapporten (KLPD, 2010, De GGD Utrecht en Tonkens, 2011), percentages worden genoemd van 50-90 procent slachtoffers onder de sekswerkers. Dit is een buitengewone grote foutmarge. Harold van Gelderen (leider team politie mensenhandel Amsterdam) zei in april 2010 tijdens een debat [i] dat hij niet wist hoe hoog het percentage slachtoffers onder de sekswerkers is en dat hij dat ook niet kon weten. De veldwerkers van De Rode Draad waren het destijds met hem eens; de ene keer ziet men vrouwen die enkele signalen uit de lijst vertonen, een paar uur later kan er op dezelfde werkplek een nieuwe groep vrouwen zitten die zelfstandig lijkt te werken.

Signalen

De meeste mensen die slachtoffers van mensenhandel kunnen identificeren komen hen vooral tegen op de werkplek. Behalve de politie betreft dit ook hulporganisaties, gezondheidsvoorlichters, collega’s en klanten. Men hanteert daarbij signalenlijsten die steeds worden bijgesteld. Hierop staan harde signalen: bijvoorbeeld het niet kunnen beschikken over de eigen papieren, maar ook zachte signalen zoals ‘mager zijn’. Door middel van een puntenstelsel schat men de ernst van het signaal in. Zo is het niet kunnen beschikken over een paspoort een sterker signaal dan bijvoorbeeld ‘mager zijn’.

Het gaat om signalen van dreiging en geweld zoals tatoeages, blauwe plekken en angstig gedrag. Signalen van uitbuiting zijn: op de werkplek slapen, geen of weinig geld overhouden en lange dagen maken. De inperking van de bewegingsvrijheid is in de signalenlijst vertaald als:

  • Het niet zelf kunnen beschikken over documenten.
  • Onbekendheid met het werkadres

Zonder paspoort zal een slachtoffer niet snel de benen nemen. Het feit dat iemand niet weet waar hij/zij zich bevindt, is een teken van niet zelf de werkplek te hebben uitgekozen. Wanneer de exploitant of de bemiddelaars de sekswerkers altijd van en naar de werkplek brengen kan dat een teken zijn van vrijheidsbeperking. De andere signalen, zoals onthouden van medische hulp, geweld, bedreiging en chantage zijn op zich al strafbaar. Dit is meteen het probleem met sommige signalen: zijn genoemde zaken ‘slechts’ signalen van iets ernstigers of zijn het strafbare feiten op zich?

De waarde die men hecht aan bepaalde signalen vormt de basis voor de schattingen van het percentage van het aantal slachtoffers, dat zeer uiteenloopt. (GGD Utrecht, KLPD, 2008) Tijdens een bijeenkomst over Ketenaanpak (20 september 2010 in Den Haag), gaf de Nationale Rapporteur daar een voorbeeld van: in één zaak werden de slachtoffers toegestaan slechts acht dagen per maand te werken, maar wel voor een laag loon. Ze hadden geen bewegingsvrijheid en konden geen ander werk zoeken voor de resterende dagen. Zo werden ze afhankelijk gehouden. Maar dit geval zou geen mensenhandel zijn omdat het niet voldeed aan het ‘signaal’ van lange werkdagen moeten maken. [ii]

Twee soorten slachtoffers

In de negentiende eeuw ontmoette de eerder genoemde Butler de Quaker Afred Dyer, die de strijd tegen alle vormen van prostitutie was aangegaan. Dyer getroostte zich veel moeite aan te tonen dat het niet alleen om gevallen – lees verachtelijke- vrouwen ging, maar dat er ook onschuldige meisjes aan de bordelen werden  aangeboden. Zijn cause célèbre vond hij in Adeline Tanner, die aan een bordeel in Brussel was verkocht maar door een, overigens niet door artsen geconstateerde verminking aan haar vagina fysiek niet tot geslachtsgemeenschap in staat zou zijn. Zij werd gedrogeerd en wel in het bordeel gevangen gehouden. (Westwood, 2010).

De discussie over de werving heeft vanaf de negentiende eeuw te lijden gehad onder een verschil tussen ‘misleide’ en  ‘door de wol geverfde vrouwen’, met andere woorden tussen schuldige en onschuldige slachtoffers. (Doezema, 2000). We zullen zien dat dit onderscheid tussen het schuldige en het onschuldige slachtoffer tot op de dag van vandaag een rol speelt in de discussie.

Advocaten van verdachten brengen, echter vrijwel altijd het argument naar voren dat de vrouw die aangifte heeft gedaan, wel degelijk besefte dat ze de prostitutie in zou gaan. Dit ontaardt vaak in onsmakelijke speculaties over het gehalte van naïviteit van de vrouw, haar seksuele leven en haar kennis van de prostitutiewereld. Wijers (1996) wijst er in 1996 in een voetnoot op dat er in Duitse wetgeving lagere straffen staan op het werven van een vrouw die wist dat ze in de prostitutie zou komen dan op het werven van ‘onschuldige’ slachtoffers. De Nederlandse wettekst legitimeert echter een dergelijk onderscheid niet.

De media interviewen bij voorkeur slachtoffers die niet wisten dat ze in de prostitutie terecht zouden komen. (Doezema, 2000) Met andere woorden men verkiest wat Doezema het onschuldige slachtoffer noemt boven de sekswerker die ‘gewoon’ wordt uitgebuit. Men wil graag horen dat iemand nooit in de prostitutie heeft willen stappen en ook blij is eruit te zijn. [iii]  De is werkelijkheid is dat veel slachtoffers van mensenhandel voor seksuele exploitatie wel degelijk wisten dat ze in de prostitutie te werk gesteld zouden worden. [iv] Onder hen bevinden zich velen die hun werk in de prostitutie willen voortzetten, maar dan in vrijheid. Ook bij sommige slachtoffers die niet wisten dat ze voor de seksbranche waren bestemd bestaat de neiging om vrijwillig terug te keren tot de prostitutie [v]

 Dynamiek van het slachtofferschap

Het verhaal van ‘Maria’ (schuilnaam)

Maria is een slachtoffer van mensenhandel. Ze is door een groepje criminelen tegen haar zin in Nederland tot prostitutie gedwongen. Ze heeft aangifte gedaan en heeft nu een verblijfstatus op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Ze mag vrij werken. Ze wacht nu op haar Nederlandse paspoort. Ze heeft een geschiedenis van bedreiging (met vuurwapens) en geweld achter zich. De politie heeft haar gered door de telefoons van haar handelaren af te luisteren en net op tijd in te grijpen. De handelaren waren namelijk zo in paniek geraakt dat ze de twee vrouwen wilden doodschieten. De politie viel het pand binnen en redde volgens haar eigen zeggen haar leven.

Ik kwam toen op de tippelzone. Daar was niets goed, omdat ik gedwongen werd. Ik zag andere meisjes daar op de tippelzone die in dezelfde situatie zaten. Behalve op de tippelzone werkte ik als escort, bij drie illegale escortbedrijven. Ik had immers geen papieren. Ik heb ook nog in een hotel in de bar gewerkt. Dat was door de barman geregeld die contact had met het escortbedrijf. Dat heb ik maar een paar keer gedaan. Ik heb twee en een halve maand gedwongen gewerkt.

In die tijd ging het op seksueel gebied mis met mij. Het ging mis in mijn hoofd en hart. Het is psychologisch heel zwaar om je verkracht te voelen. Na vijf jaar besloot ik weer te gaan werken. Ik wilde zelf uitproberen hoe het is om zelfstandig te werken, zonder gedwongen te zijn. Ik had de afspraak met mezelf gemaakt, dat ik ermee zou stoppen als het niets voor mij was. De eerste paar weken vond ik het raar maar ik vond het ook leuk om de andere kant van prostitutie te zien. Ik kon nu zelf de klanten kiezen. Dat waren leuke mannen. Ik heb ook klanten geweigerd, zelfs op de kamer, als ik een klant niet meer leuk vond. Ik werd steeds meer zeker van mezelf. Ik was aan het genieten, ik kon leuke kleren aan. Ik leerde andere vrouwen kennen. Ik had tot dan toe moeite met een relatie met een man. Maar door het werk kreeg ik meer aandacht van klanten. Mijn zelfvertrouwen ging erop vooruit. In de boeken lees je dat het niet goed is voor je zelfvertrouwen, maar voor mij was het juist goed.

Toen ik moest werken voelde ik me steeds verkracht. Ik moest toen tien klanten per dag afwerken. Dat was heel slecht. Dat was anders toen ik zelf kon kiezen.

Ik kon dwang herkennen bij anderen bijvoorbeeld bij een vrouw die  ik over mezelf heb verteld. Bij haar was het ook zo gebeurd. Zij was eerst gedwongen en heeft na haar scheiding ook zelf gekozen voor het werk, na 8 jaar. Zij genoot er ook van, dat kon ik zien.

Het is als slachtoffer al moeilijk om te bewijzen dat je slachtoffer bent. Ze  accepteren het niet dat als je slachtoffer bent, je voor de tweede keer gaat werken. Dat is raar. Een slachtoffer is zielig, en als je kiest voor zoiets, dan breek je de muur rond zielig zijn af. Als je zielig bent geweest, dan moet je zielig blijven. Als je seksuele problemen hebt, dan moet je die houden.

 

Maar ook voor een sekswerker die zich nog  in een uitbuitingssituatie bevindt is het slachtofferschap geen statisch gegeven. Davies (2003) beschrijft de dynamiek van (Albanese) vrouwen die in de Italiaanse straatprostitutie werkten. Deze Albanese vrouwen namen, soms om een gedwongen huwelijk te ontlopen, het initiatief om met een mensenhandelaar te gaan trouwen. Zij deden dat volgens Davies (2003) op voorwaarde dat hij met haar zou migreren, zodat zij kon gaan werken. In Albanië mogen getrouwde vrouwen immers niet werken. Aanvankelijk keken degenen die met hun handelaar waren getrouwd neer op de vrouwen die dat niet hadden gedaan. Dit veranderde toen ze ontdekten dat de ongetrouwden gemakkelijker in een betere situatie konden komen door een relatie met een Italiaanse klant aan te gaan.

Een weinig belicht aspect van de migratiecomponent van vrouwenhandel is de terugkeer van slachtoffers naar het land van herkomst  [v] Dit zou de volgende problemen opleveren, aldus Eimeren (2004) die in Nederland verblijvende slachtoffers heeft geïnterviewd over hun perspectief op terugkeer:

Represailles. Inderdaad zijn er enkele gevallen gedocumenteerd van represailles van de handelaren. Soms gaat het om intimiderend gedrag naar de familie toe, soms om werkelijk geweld.

Problemen met de autoriteiten. In sommige landen wordt men gestraft als men illegaal uitreist naar een ander land.

Problemen met het stigma: verstoten worden door de familie

Afwezigheid van adequate hulpverlening na terugkeer.

 

Eimeren, de auteur van Een weg Terug? (2004) heeft niet met slachtoffers gesproken die daadwerkelijk tijdelijk of voorgoed zijn teruggekeerd naar het land van herkomst. Ik hebwel (in het verleden) met drie slachtoffers gesproken die wel zijn teruggekeerd: een Moldavische, een Bulgaarse en een Braziliaanse.

Intermezzo : gesprekken met slachtoffers in het buitenland

  1. (2006) In Roemenië verblijf ik een week op hetzelfde adres als een slachtoffer uit Moldavië dat naar Roemenië is gereisd om haar zus na jaren weer te ontmoeten. Uit angst voor represailles durfde zij nog niet naar Moldavië te reizen. Aanvankelijk is de zus zeer geschokt door het gebeurde en heeft moeite met het ‘prostitutie- onderdeel’ van het verhaal. Na lange gesprekken komen de zussen steeds nader tot elkaar. Het slachtoffer heeft inmiddels haar ouders verteld wat haar is overkomen. Het voormalige slachtoffer reist nu regelmatig naar haar familie in Moldavië en heeft een uitstekende band met haar ouders en zussen.
  2. (2006). Met een Bulgaarstalige hulpverlener als tolk spreek ik met een Bulgaarse vrouw die in Sofia als straatprostituee werkt. Zij is drie maanden lang uitgebuit in de Nederlandse prostitutie. ’Ik vond het jammer dat ik weer weg moest uit Nederland. Ik heb er wel geen geld aan overgehouden, al het geld is afgepakt, maar ik werd daar niet geslagen door de politie. Ook kon ik gezellig met de collega’s kletsen als er geen klanten waren. Hier verdien ik ook niets, maar de omstandigheden zijn slecht.’
  3. (2005)  In Belem, in het Amazonegebied van Brazilië, spreek ik uitgebreid met een paar sekswerkers. Een van hen vertelt uit zichzelf dat ze in Noord- Nederland had gewerkt. Ze had voor haar vertrek met iemand de website van een club bekeken en had gezien wat de prijzen waren. De klanten moesten in die club 300 euro per uur betalen. Ze had zichzelf rijk gerekend: 8 uur werken, dat is 1600 euro per dag (minus kamergeld) en dat drie maanden lang. Maar de verdiensten vielen tegen. Ze moest anderhalf jaar werken voordat ze haar schulden voor de reis had afbetaald. Haar kinderen waren achtergebleven in Brazilië. Ze wou voor hun studie gaan betalen, maar dat pakte anders uit. Ze bleef te lang weg, en haar kinderen waren criminelen geworden. Op het  moment dat ik haar sprak werkte ze weer als sekswerker om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien.

 

De ervaring met het openstellen van de grenzen in Oost- Europa leert dat vrouwenhandel van karakter kan veranderen. Sekswerkers uit de EU kunnen veilig migreren, maar dat voorkomt niet dat ze in het land van bestemming ernstig  kunnen worden uitgebuit en slachtoffer kunnen worden van de schending van basisrechten.

Altink en Wagenaar, 2012. Dit is een deel uit het artikel dat als (ongepubliceerde) bijlage bij het internationaal vergelijkend onderzoek is verschenen.

Lees verder

 Bronnen

 


[i] Dit debat werd georganiseerd naar aanleiding van de theatervoorstelling 11 minuten, die gebaseerd wasop de roman van P.Coelho. Het vond plaats in de schouwburg in Amsterdam op 28 april 2010

[ii] Het aantal en de aard van signalen is ook niet statisch. Zo was het volgens De Rode Draad in 1997 als de enige telefoon in een bedrijf binnen de gehoorsafstand van de exploitant was geplaatst. Nu is dit – toch al zwakke signaal- irrelevant geworden door het gebruik van mobiele telefoons. Later is De Rode Draad het als signaal gaan opvatten als in een raamgebied of in een ‘horecabedrijf’ de vrouwen allemaal min of meer hetzelfde zijn gekleed.

[iii] Sykiotou (2007) maakt ook onderscheid tussen schuldige en onschuldige mensen die op internet de mogelijkheden om te migreren te onderzoeken. De laatsten worden er ingeluisd, de schuldigen werken mee aan hun victimisatie doordat ze totaal wanhopig zijn of denken dat het gevaar voor hen niet telt.

[iv] De schattingen van het aantal dat dit betreft wisselt per auteur, per tijdseenheid en qua afkomst van de slachtoffers. Zo zouden de meeste Oost- Europese en Nigeriaanse vrouwen weten voor wat werk ze zouden komen,

[v] Wij kennen ook een slachtoffer dat absoluut niet terug wil in de prostitutie. Zij kon niet geïnterviewd worden omdat zij nog steeds ernstig is getraumatiseerd.