In 1028 werd de nederzetting Rotta voor het eerst vermeld. Rotterdam was bescheiden begonnen. Er stond een kerkje, dat in de twaalfde eeuw tijdens een overstroming is weggespoeld. Tijdens de bouw van de Markthal zijn nog enkele resten van het oude Rotta gevonden, die daar nog te bekijken zijn. In de dertiende eeuw is de dam gebouwd waardoor de nederzetting Rotterdam is gaan heten. In 1299 kreeg Rotterdam stadsrechten. Een van de gevolgen hiervan was dat Rotterdam een kanaal mocht graven. Zo realiseerde men een handelsverbinding met Leiden en Delft. Rotterdam ging mee profiteren van de ontwikkelingen in de haringvisserij. [I]Ravesteyn, 1930 De haringvissers die op Engeland

Een badhuis

vaarden zochten hun vertier in Engeland, waar vele prostituees hun diensten aanboden. Daar was het de vraag wie er belasting over de prostitutie mocht heffen. In Engeland wilden de priesters dat. De katholieke kerk keurde prostitutie in principe af, maar meende dat een maatschappij, zeker een stad in de groei er niet buiten kon. Het diende getolereerd te worden om erger te voorkomen. Men beriep zich op gezaghebbende kerkvaders als Augustinus en Thomas van Aquino. Augustinus  (354-430) schreef: ‘Laat de hoeren uit de menselijke aangelegenheden en gij zult alles in verwarring brengen” Thomas van Aquino (1225-1274) verwoordde het in een aan hem toegeschreven tekst als volgt: ‘Verwijder de hoeren uit de wereld en daardoor zult gij die met sodomie vervullen.’ Sodomie (lees homoseksualiteit) zou met ander ontuchtig en immoreel gedrag allerlei rampen over de mensheid afroepen, zoals de pest.

In Rotterdam ontwikkelde zich een minnehandel. In sommige taveernen gebeurden zaken die het daglicht niet konden verdragen. De rekening van de stad over 1426/1427 noemt een verordening tegen’ quade herbergen.’ Een quade herberg was een ‘inrichting’ waar ‘poytiers’ (pooiers) en ‘wandelbare wiven’ (publieke vrouwen) ’ verbleven. In 1541 zijn er drie vonnissen geveld over het houden van quade herbergen. Voor straf moesten de herbergiers om vergiffenis smeken en een boete betalen waarna ze voor een jaar werden verbannen. Deze verbanning kon worden afgekocht met geld dat dan weer voor de kerk was bestemd. [II]Murray, 1944

We weten niet hoe de Rotterdamse bordelen/ badhuizen eruitzagen. Wel beschikken we over tekeningen en gravures van deze instellingen elders. Jeroen Bosch heeft een bordeel geschilderd (De Marskramer of de verloren zoon, in museum Boymans te zien), en had het overdekt met allerlei symboliek. Op dit schilderij zien we een man die van een bordeel wegloopt. Het bordeel is als zodanig te herkennen aan de zwaan op het uithangbord. De vrouwen met de witte mutsen zijn prostituees of koppelaarsters.

De prostitutie huisde ook in badstoven, gelegenheden waar men zich kon warmen en baden. In andere steden liet men het in het midden of er in die gelegenheden prostitutie plaats vond, maar Rotterdam was daar heel duidelijk in. Het gebeurde wel maar hoeren mochten er niet overnachten. ‘Ende gheen meenwive (‘Gemeene vrouwen’ was een synoniem voor publieke vrouwen) noch bordeel in de stoven te houden, zo stond het in de oudste Rotterdamse Keur (1420). Het Rotterdamse stadsbestuur gebruikte de termen bordeel en stoof door elkaar heen

Van de badstoven hebben kunstenaars – waarschijnlijk geromantiseerde – prenten gemaakt. Men ziet naakte mannen en vrouwen die samen in badkuipen, zitten te eten en te drinken. Bordelen waren er wel, maar die moesten na zonsondergang onbemand zijn. Later verdwijnt het woord stoven uit de verordeningen en betreffen die alleen nog de bordelen. [III]Bazendijk, 1986  Uit latere bepalingen valt op te maken dat de dienaren van de schout, net als bijvoorbeeld in Gouda en Amsterdam, een grote rol in de exploitatie vervulden.

Licht en vuur

Straatprostitutie, een zeer oude vorm van prostitutie, werd in ieder geval in de avonduren onmogelijk gemaakt door het curieuze verbod op het op straat dragen van een lantaarn of andere lichtbron. Prostitutie was ’s avonds verboden, niet in de laatste plaats omdat nachtelijke activiteiten met vuur verlicht moesten worden en het risico van brand in zich droegen. [IV] Manneke, N., 1993 Maar prostituees werden nog eens extra genoemd: ‘Item meenwive niet after straten te gaen na scemeringhe op haer overste cleet. Met andere woorden, hun bovenkleed werd als straf voor tippelen na zonsondergang in beslag genomen.

De angst voor brand (of was het een excuus om het bordelen moeilijk te maken ziet men ook terug in de keur uit 1240: Ende waer dat men bordeel hout gheen vyer (vuur) daerin te houden bij daghe of bij nachte. Ook in de bordelen en de stoven mocht geen vuur worden gestookt. Dit verbod voor de stoven is bevreemdend, want zonder vuur kon het badwater niet worden verwarmd.

Naarmate de stad groeide voelde het stadsbestuur zich in de vijftiende eeuw geroepen om de overlast van de toenemende prostitutie te bestrijden. Een van de eerste maatregelen was het heffen van boetes voor gelegenheid tot prostitutie geven. Dat werkte niet.

Vervolgens hanteerde men een middel dat nog eeuwenlang toegepast zou worden: concentratie van prostitutie zodat slechts enkele buurtbewoners last hebben, in plaats van de hele stad. Derhalve wees de vroedschap in 1467 drie straten buiten het centrum aan: in  (het noordelijk deel van) de Oostwagenstraat, de Delfschevaart en de Lombardstraat, ‘Oostwagen van der bregge noortwaerts, oick mogen zij wonen up te vaert van Pieter Camperts huys van den raem noortwaerts. Dergelijke plaatsbepalingen kwamen ook in andere steden voor, zoals Den Briel en Gouda. [V]Hazewinkel, 1974, 1975

Dit viel samen met een plek waar de pest woedde, in de Lombardstraat waar, zoals de naam al zegt, een lommerd was gevestigd. In deze buurt vielen ook vele slachtoffers van de pest. Bij de lommerd, raakten veel mensen besmet omdat men daar in aanraking kwam met gedragen kleding en gebruikt huisraad waarin vlooien zich gemakkelijk konden nestelen.

Er waren meerdere uitbraken  in 1349  maar ook in 1467  toen ‘er een grote pestelencie was maar ook een quade harincteel’ . [VI] De Rotterdamse Kroniek van 1315-1499 Alle nabijheid van anderen was ‘gevaarlijk’, ook in herbergen. In Frankrijk werden prostituees er ook daadwerkelijk van beschuldigd de pest te verspreiden, maar voor zover bekend, wezen in de Lage Landen de middeleeuwse gezagsdragers niet eenzijdig naar prostituees als schuldigen aan de verwoestende epidemie. Ter voorbereiding had de stad in het jaar 1547 het St. Anna convent gekocht dat het nieuwe pesthuis moest worden. Dit duidt erop dat er meerdere uitbraken zijn geweest. De plannen voor een nieuw pesthuis vielen samen met pogingen de prostitutie te concentreren.

Later werd dit een gecombineerd pest-dolhuis. Een dolhuis was een bewaarplaats voor ‘krankzinnigen’. In datzelfde 1547 overwoog het stadsbestuur de inrichting van een ’openbaer bordeel’ of meerdere bordelen en wel in het oude pesthuis. Deze plannen zijn nooit gerealiseerd. [VII]Hazewinkel, 1974, 1975 Plannen om tot een Eroscentrum te komen zijn ook nog in de twintigste en éénentwintigste- eeuw gemaakt, maar ook zonder resultaat.

Het middeleeuwse Eroscentrum

Het idee van de middeleeuwse Rotterdammers om een stadsbordeel op te richten stond niet op zichzelf. In Duitsland kende men officiële bordelen – vrouwenhuizen genoemd- en in Spanje en Italië bestonden er officiële stadsbordelen die door de adel werden bestierd. Zelfs de kerk was in sommige regio’s bij de exploitatie betrokken, zoals bijvoorbeeld in Engeland. Het was de bedoeling dat er buiten de stadsbordelen geen prostitutie meer plaats kon grijpen. Zo hoopte men ook de prostituees in toom te houden; ze kregen letterlijk een plaats in de maatschappij en de stad toegewezen. Ze moesten vaak in de meest vieze en gevaarlijke buurten een huis betrekken waar anderen met een ‘verachtelijk’ beroep zoals doodgravers en de beul woonden. Vaak werden ze verplicht een bepaald onderscheidend kostuum of kenteken te dragen, nogal eens in de kleur geel. De kleur geel hadden ze gemeen met joden, ook een gestigmatiseerde groep. Dat was bijvoorbeeld het geval in Zuid- Duitsland, Bern, Straatsburg en Baskenland. Zo ver ging men niet in de Lage Landen, met uitzondering van Maastricht waar ze een driehoekige gele doek en Luik waar ze een bepaald kenteken moesten dragen. Dit alles diende om de prostituees onder de duim te houden en ze duidelijk te onderscheiden van de ‘nette’ vrouwen’.

Sietske Altink

(met dank aan Jan Willem Verkaik)

Meer over de gebruikte bronnen.

 

 

Noten   [ + ]

I. Ravesteyn, 1930
II. Murray, 1944
III. Bazendijk, 1986
IV. Manneke, N., 1993
V, VII. Hazewinkel, 1974, 1975
VI. De Rotterdamse Kroniek van 1315-1499