Begin jaren zeventig had de Rotterdamse politiek ingezien dat er een alternatief moest komen voor de concentratie van prostitutie op Katendrecht. Een Eroscentrum gemodelleerd naar de Duitse Erosflats zou de grote oplossing gaan bieden. Op 30 augustus 1970 diende raadslid Mentink (toen nog D66, later PvdA) een preadvies in om een mogelijke concentratie van prostitutie in een Eroscentrum, voor te bereiden. In 1973 werd een motie aangenomen om dat te gaan realiseren. Het PvdA raadslid Lems – tevens Tweede Kamerlid- zag het al voor zich. Er moest een dames coöperatie komen die onder toezicht van de GGD en de NVSH een modelbordeel zou gaan exploiteren. Er waren nog wat vragen die sterk leken op de vijf klassieke vragen van de journalistiek: wat, waarom, wanneer, wie, waar en hoe, die nog moesten worden beantwoord. Het ‘hoe’ zat hem vooral in de bijkomende kwesties: hoe moest de financiering worden geregeld en hoe kwam de bedrijfsvoering eruit te zien? Het wat en waarom was duidelijk: alle prostitutie moest in het Eroscentrum worden geconcentreerd om Katendrecht te ontlasten.

Maar wie gingen er werken en wie ging de boel managen, wanneer kon het worden geopend en vooral waar moest het komen? Al deze vragen zijn meer dan een decennium in de lucht blijven hangen. Het hele gedoe bleef steken in de vraag: waar.

Waaro? Hiero of daaro?

eros 2Monter begon de politiek locaties voor het Eroscentrum aan te wijzen. Men stelde lichtvaardig dat er vóór 1 februari 1975 een geschikte locatie moest zijn gevonden. De meeste voorstellen voor plekken, zoals het driehoekje bij de diergaarde Blijdorp, de Kashba aan het Weena, het gebouw van de Holland Amerika Lijn, het Charloise Hoofd, het Brienenoord eiland en Villa Hoboken werden al snel te klein, te duur, te ver van of te dicht bij het centrum bevonden.

Het eerste serieuze voorstel, de Wijnhaven, wekte echter meer weerstand bij buurtbewoners dan was verwacht. Toen daarna het Poortgebouw werd voorgesteld kwamen hele wijken op de been. Dit leverde een ongekend verzet op. De Keileweg stuitte ook op enig verzet van bewoners, maar hier wisten vooral de omliggende bedrijven een flinke spaak in het wiel te steken. Maar niet het bewonersprotest was doorslaggevend voor het laten varen van De Wijnhaven, het Poortgebouw en uiteindelijk het Botenplan. Het laatste werd getorpedeerd door de Raad van State. En zo bleek bijvoorbeeld dat Het Witte Huis, een van de gedroomde locaties, al een eigenaar had die volstrekt werd verrast met het plan er een Eroscentrum van te maken. En wat te denken van een ander plan: het Poortgebouw waar de NS al een optie op had? Er moest namelijk een spoorlijn doorheen komen. Toen het Poortgebouw niet haalbaar was gebleken, lanceerde men het plan voor de Erosboten. Het antwoord op de vraag ‘waar’, zou uiteindelijk begin jaren negentig luiden: ‘Nergens’.

Wanneer?

Het Rotterdamse bestuur en de bewoners van Katendrecht konden niet wachten tot het Eroscentrum open zou gaan. In 1975 moest de prostitutie immers van Katendrecht zijn verdreven. Dat lukte niet, waarop de politiek herhaalde dat er uiterlijk in 1976 een plek voor het Eroscentrum moest zijn aangewezen. Ook dat gebeurde niet en toen heette het dat er voordat het jaar 1978 was aangebroken, er een beslissing moest zijn gevallen over het waar en het hoe van het Eroscentrum. Daarna werd het in 1985, vervolgens in 1987 en uiteindelijk in 1991.

Er was namelijk een klein probleempje: teneinde een legaal Eroscentrum te kunnen stichten moest 250 bis, Wetboek van Strafrecht ofwel het bordeelverbod worden geschrapt. Totdat de opheffing van het bordeelverbod een feit was, kon de gemeente immers geen actieve rol in het stichten van een Eroscentrum spelen! Zij zou namelijk in dat geval de wet overtreden. Dit kreeg Rotterdam ook keer op keer te horen vanuit het ministerie en van de rechter. De Rotterdamse bestuurders beschouwden dit als een kleinigheid en gingen ervan uit dat Den Haag deze hindernis spoedig zou wegwerken. Maar dat duurde en duurde… Het bordeelverbod werd uiteindelijk in 2000 geschrapt.

Wie?

Aangezien een gemeente geen actieve rol in het stichten van een Eroscentrum mocht hebben, kon Rotterdam ook niet eisen dat het modelbordeel door een ‘damescollectief’ zou worden geleid. Het plan om de GGD en de NVSH als managers aan te stellen en om met behulp van erfpachtovereenkomsten uitbuiting van prostituees onmogelijk te maken, verdween zo naar de prullenbak. Maar wie moest het dan wel gaan beheren? De bordeelhouders op Katendrecht zagen er niet veel in. Het was te duur en in Duitsland hadden ze gehoord dat klanten er niet heen wilden.

Van Oostenbrugge en de eigenaar van enkele seksclubs, Leyten,meldden zich toch nog als gegadigden. Leyten wilde een superseksclub. Van Oostenbrugge wilde er daarentegen raamprostitutie plaatsen. Want hij wist wat de klanten wilden: eerst kijken en dan pas diensten afnemen. Leyten vond dat een slecht plan, want de concurrentie tussen de vrouwen zou te groot worden. De gemeente had niet echt een visie op wat minister van justitie Van Agt in navolging van de commissie Melai ‘de symbolische armzaligheid van het in beton en staal geconcentreerde liefdesbedrijf’ noemde. Wel vond men dat het geen bunker moest worden, maar iets gezelligs met patatkramen enzo. Het voorbeeld was Dusseldorf, waar men een paar keer is wezen kijken.

Vervolgens ging de gemeente onderhandelen met een zekere Stichting Exploitatie en Beheer van Eros- en Vermaakcentra Rotterdam die op 24 november 1978 was opgericht. De eerder genoemde Leyten maakte daar ook deel van uit. De andere ‘grote mannen’ in die stichting waren de gokbazen Henk Smol en Ger van Driel Vis. Zij werden later naar voren geschoven door de directeur Bouw en Woningtoezicht, Porreyn, die dacht dat de gemeente door de rechter als ‘onschuldig’ aan bordeelhouderij zou worden beschouwd, als het Eroscentrum met ‘neutraal’ dus zwart geld zou worden gefinancierd. Deze mannen bleven tot ver in de jaren tachtig de discussie beheersen. Uiteindelijk wist de politie een stokje te steken tussen de onderhandelingen van de gemeente met de gokbazen. Driel Vis werd van fraude beschuldigd en vluchtte naar Brazilië. Henk Smol begon voorbarig seksbedrijven aan de Keileweg te openen, die steeds weer door de rechter werden gesloten.

De financiering

Het optimisme van de bestuurders kon niet op. Begin jaren zeventig dacht de PvdA nog dat de Erosflats zich zelf financieel zouden bedruipen. Ook wethouder Van der Have meende dat het wel in orde zou komen omdat er zich interessante investeerders hadden gemeld. De namen van Caransa en Heineken werden genoemd; Verolme zag wel wat in de financiering van de Erosboten, een plan uit het begin van de jaren tachtig. De Duitse stichter van de Erosflats zat ook op het vinkentouw. Deze Kurt Kohls bezocht in 1972 voor de vijfde keer Rotterdam. Kohls liet in Duitsland seksuologen toezicht houden op de Erosflats. Souteneurs kwamen er niet in, degenen die buiten het centrum erbij klusten, vlogen er uit, maar verder bemoeide hij zich niet met het werk. Dat sprak een politicus als Mentink wel aan.

Kohls meende de Erosflats te kunnen financieren door de uitgifte van certificaten. Daarvoor had hij een rekening geopend bij de Slavenburgse Bank. Hij maakte een prospectus waarin Nederlanders werden opgeroepen om 10.000 DM te storten voor ‘nette bordelen.’ Daar kwam echter weinig van terecht.

Kritiek

De gemeente ging er lang van uit dat ook de verslaafde prostituees naar het Eroscentrum zouden marcheren. Alleen de GGD en de politie beseften dat dit niet zou gaan gebeuren.Tevens bleef de verantwoordelijke wethouder, Van der Have, er tot de jaren tachtig gemakshalve vanuit gaan dat de prostituees de ‘souteneurs’ wel naar het Eroscentrum zouden volgen. Pas in 1982 gaf deze wethouder toe dat hij over het hoofd had gezien dat heel veel prostituees niet meer voor ‘een souteneur’ werkten. In de woorden van een sekswerker:

Hoerenbazen en pooiers, dat zijn pas mensen.

Bolle buiken, dikke pensen.

Van werken willen ze niet weten.

Maar van de muts blijven ze vreten.

Eind jaren zeventig kwamen prostituees eindelijk aan het woord in de media en gaven ongezouten hun mening over een Eroscentrum. Het merendeel wilde er niet werken. De vrouwen vreesden dat de huren te hoog zouden worden. Ze wensten ook niet door de Belastingdienst te worden geregistreerd.

Men weigerde in te zien dat concentratie van alle prostitutie een achterhaald idee was. In de periode dat de discussie over het Eroscentrum woedde was die spreiding echter al volop gaande.

Het Eroscentrum is er nooit gekomen. In 2003 kwam er een kleine opleving van het idee om een Eroscentrum te stichten. De Rotterdamse publiciste Carrie Jansen schreef voor kunstenaars een wedstrijd uit om een Eroscentrum in te richten.

In 2004 wilde Rotterdam toch weer een Eroscentrum stichten ten behoeve van raamprostitutie. Maar ook dat kwam er niet. De enige serieuze kandidaat kwam niet door de controle op grond van de Wet Bibob (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur) heen, de toetsing van de herkomst van gelden.

Sietske Altink

Lees de andere artikelen in deze reeks

De achtergrond

  1. De invoering van het bordeelverbod is mislukt
  2. Schaalvergroting van prostitutie op de kaart

Een carnavaleske inhoudsopgave

  1. De Maasstadoperette

Katendrecht

  1. Katendrecht: een depot van beleefde Chinezen met tijdelijke liefdes
  2. Het gecontroleerde ontstaan van een rosse buurt: bijnamenromantiek en huisjesmelkers
  3. Bewoners versus Het Leven
  4. De strijd tussen bewoners en de prostitutiewereld ontbrandt (letterlijk)
  5. Over een glazenwasser, caféhouders en kaartavondjes voor bejaarden
  6. Bordeelsluiting, een heidens karwei
  7. ‘Niet tegen maar langs de wet’.

Het Eroscentrum

  1. Dit artikel
  2. De Wijn- en Trijnhaven
  3. Het Poortgebouw ofwel Fuckingham Palace
  4. Bordeelboten, prostitutie tussen de wal en het schip
  5. De Keileweg: een erotisch luchtkasteel op een desolate vlakte
  6. De gemeente vraagt criminelen een monopoliepositie in te nemen in de prostitutiewereld

Achteraf

  1. Oeps, vergeten te vragen wat sekswerkers van al dit moois vonden
  2. Het Rotterdamse prostitutiebeleid in de jaren 70 en 80: een catalogus van blunders

Een opmerking over bronnen. Voor deze artikelenreeks zijn veel krantenartikelen gebruikt. De leesbaarheid zou zeer worden aangetast als die steeds in een notenapparaat moesten worden opgenomen. Daarom zijn de bronnen voor al deze artikelen in een aparte file vermeld die hier te downloaden is.

Overige bronnen