Anno 2015 wordt wel eens beweerd dat de opheffing van het bordeelverbod op een teleurstelling is uitgelopen. Of dat zo is, is maar de vraag. Maar men kan echter wel met grote stelligheid zeggen dat juist de invoering  van het bordeelverbod uit 1911 is mislukt. Het bordeelverbod – zoals het in de wandeling is gaan heten – ofwel 250 bis, Wetboek van Strafrecht bleek namelijk heel moeilijk te handhaven. Dit kwam ten eerste door de vage formulering van de wettekst. Ten tweede viel de steeds toenemende prostitutie buiten de ‘bordelen’ er moeilijk mee te bestrijden. De straat- en raamprostitutie waren bijvoorbeeld sinds het verbod toegenomen. Daarnaast gebruikte de prostitutiewereld sigarenwinkels, cafés, massagesalons en hotels als façades van prostitutie. In Rotterdam werd het bordeelverbod zelfs als een hinderpaal gezien bij het bestrijden van de raamprostitutie op Katendrecht.

Het bordeelverbod

In 1911 werd het gelegenheid geven tot prostitutie verboden, met andere woorden, het uitbaten van een bordeel werd strafbaar gesteld. Dit wetsartikel luidde als volgt:

‘Artikel 250 bis Wetboek van Strafrecht:

Hij die van het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht door anderen met derden een beroep of eene gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste duizend gulden”.

Al spoedig bleek dat de wetgever Nederland had opgezadeld met een vrijwel onbewijsbaar delict. Want hoe viel het te bewijzen dat het gelegenheid geven ‘opzettelijk’ gebeurde? Wat is precies ‘beroepshalve’ of slechts uit ‘eene’ gewoonte ontucht bevorderen? Teneinde bijvoorbeeld aan te tonen dat het om een ‘gewoonte’ ging moest de politie langdurig een bepaalde gelegenheid observeren. En hoe viel te bewijzen dat een caféhouder financieel profiteerde van contacten tussen mannelijke klanten en vrouwelijke bezoekers? De politie kon alleen maar door geruime tijd ‘undercover’ in bepaalde gelegenheden te vertoeven, met moeite daar enig bewijs voor aanleveren.

En als er al bewijs aan te dragen viel, hadden processen die op grond van dit artikel werden gevoerd betrekkelijk weinig succes. Toch probeerde men het af en toe. Berucht was de officier van justitie Hartsuiker- bekend geworden van zijn proefschrift over souteneurs– die in de jaren zestig een signaal wilde afgeven door krachtig op te treden tegen de georganiseerde prostitutie. De daaruit resulterende rechtszaken leverden echter maar weinig veroordelingen op. Daarna werden er in de jaren zeventig in Amsterdam en in bijvoorbeeld het Zeeuwse Hulst [i]sporadisch processen gevoerd op grond van dit artikel, met weinig resultaat. De politie beperkte zich daarom al spoedig tot het opsporen van minderjarigen in de zogeheten rendez- vous huizen. (Stemvers,1985).

Uit jurisprudentie was gebleken dat het artikel alleen nog werd gebruikt om overlast te bestrijden en jeugdigen te beschermen. (Hazewinkel, 1982). In 1974 oordeelde De Hoge Raad dat 250 bis niet meer diende om bepaalde seksuele zeden te bestrijden maar dat het een instrument was om de openbare orde te handhaven bij overtredingen van wetten en verordeningen. Door een uitspraak van de Raad van State werd duidelijk dat alleen gemeenten en niet de politie de bevoegdheid hadden om bordelen te sluiten. [ii]

Toen het wijkorgaan van Katendrecht de gemeente Rotterdam verzocht om met een beroep op het bordeelverbod de prostitutie aldaar aan te pakken, bleek dit dus niet meer mogelijk te zijn.

Gemeenten waren voor het inperken van de prostitutie aangewezen op APV’s (Algemene Politie Verordeningen). Ze konden ook een beroep doen op het feit dat een bepaald bordeel niet in het bestemmingsplan paste. De grotere steden, behalve Rotterdam, zetten hun ‘sluitingsbevoegdheid’ alleen nog in om de prostitutie in bepaalde raamgebieden te concentreren. Er heerste aanvankelijk enige onduidelijkheid of die lokale aanvullingen wettelijk wel mogelijk waren. Maar het kantongerecht in Rotterdam verklaarde aanvullende bepalingen op lokaal gebied verbindend.

Raamprostitutie

Veel gemeenten hadden al vóór 1911 bordeelverboden en vigileerverboden in hun Algemene Politie Verordeningen opgenomen. Dat kon op grond van de gemeentewet uit 1851. Die oude bepalingen leken al snel doelmatiger te zijn dan het nieuwe 250 bis Wetboek van Strafrecht. In 1913 wilde men in Amsterdam de oude verordeningen weer in ere herstellen. In 1919 lukte dat inderdaad. In 1935 vaardigde bijvoorbeeld Amsterdam zo’n APV (Algemene Politie Verordening) uit.

Artikel lid 2 van APV 259 in Amsterdam betrof het ‘ zich binnenshuis (hieronder begrepen in de huisdeur) bevindende, op eenigerlei wijze de aandacht der voorbijgangers tot zich te trekken, nadat men van een ambtenaar der politie in het belang der openbare zedelijkheid den last heeft ontvangen dit na te laten.‘

Critici vonden dat dit artikel te veel vaagheden bevatte. Wat bedoelde men bijvoorbeeld precies met ‘binnenshuis’? Gold dat ook voor het deel van het huis dat niet vanaf de openbare weg zichtbaar was? En wat bedoelde men met ‘eenigerlei’ aandacht trekken? Men nam die vaagheid maar op de koop toe. Het artikel bleef van kracht.

Prostitutie verdween niet. Binnen een decennia had zich wat vroeger ‘vigileren’ heette, voor of in de deuropening van een particuliere woning klanten werven, tot raamprostitutie ontwikkeld. In Amsterdam werden zo’n 180 kamers en kelders op deze wijze benut. Bij raamprostitutie kon de politie alleen maar voldoende bewijzen verzamelen door voortdurend voor de panden te posten. In die gevallen kon men niet aantonen dat huisbazen ‘gelegenheid tot ontucht gaven’. De vrouwen konden toch moeilijk zichzelf gelegenheid tot ontucht geven!

De vrouwen verhuisden heel vaak. Om dit weer het hoofd te kunnen bieden werd weer een nieuwe verordening van kracht. Een vrouw die op De Wallen een kamer huurde moest daar ook daadwerkelijk wonen. [iii]

Straatprostitutie

In de grote steden leidde het bordeelverbod tot een toename van de straatprostitutie. In de jaren dertig werkte 45% van alle prostituees in Amsterdam op straat. (Slobbe,1937)

In 1935 ging in Amsterdam APV artikel 259 in werking.

‘Het is verboden op door B en W bij openbare kennisgeving aangewezen openbare wegen, gedurende de uren in de kennisgeving genoemd, zich heen en weer te bewegen, of zich te eenigen achtereen, ter beoordeling van de politie, op dezelfde plaats op te houden nadat men van een ambtenaar van de politie in het belang van de openbare zedelijkheid den last heeft ontvangen zich te verwijderen.’ (Slobbe,1937)

 

Latere tippelverboden in andere steden bevatten dezelfde elementen: een verbod op heen- en weer lopen of stilstaan na een waarschuwing van een ambtenaar. Het enige wat een vrouw restte was dóórlopen, waarna men een straatje verderop weer ging stilstaan of opnieuw begon met heen en weer lopen. Deze verboden waren ook maar een beperkt aantal uren of dagen van kracht. Om dit weer tegen te gaan moest er een artikel aan het Wetboek van Strafrecht worden toegevoegd: een verbod op de schending van de openbare eerbaarheid. (Wetboek van Strafrecht artikel 239). In Rotterdam bijvoorbeeld vertaalde men dit als ‘met de kennelijke bedoeling ontucht te plegen’. Dit tot groot verdriet van de politie, die zich in allerlei bochten moest wringen om dit te kunnen bewijzen.

In veel APV’s werden er behalve tijdslimieten van de geldigheid van het verbod ook specifieke locaties genoemd. Heel veel APV’s sneuvelden daardoor voor de rechter omdat het gebied te ruim bemeten was. In Groningen werd bijvoorbeeld een mannelijke prostituee de toegang tot het gebied waar hij zelf woonde ontzegd. [iv]

Door het strengere optreden tegen tippelen in de stad, ontstond er een nieuwe vorm van ‘straatprostitutie’; de bermprostitutie, inmiddels evenals het bermtoerisme door de ontwikkeling van het wegennet verdwenen. Prostituees stonden zogenaamd als lifters langs de kant van de weg en pikten zo hun klant op. Zo ook in Soest. Daar mochten ‘betrapte’ vrouwen zich alleen op bepaalde dagen in een voertuig van het openbaar vervoer in het gebied begeven.[v] In Heerlen was zo’n tippelverbod alleen ’s avonds van kracht voor het centrum. De vrouwen moesten immers in de gelegenheid worden gesteld boodschappen te doen! [vi] In veel steden werd het werven ‘met kennelijk ontuchtige bedoelingen’ in vaar- en voertuigen eraan toegevoegd om ‘camperseks’ en prostitutie in woonboten te kunnen bestrijden.

Andere schuilplaatsen

De prostitutie verschuilde zich ook achter andere bedrijvigheid zoals de verkoop van rookwaren en in de massagewereld. De eis dat prostituees daadwerkelijk op hun werkplek moesten wonen, leidde tot een toename van prostitutie in massagesalons. Tevens verschansten prostituees zich in cafés en nachtclubs ‘met damesbediening’. In Amsterdam trachtte men dit te bestrijden door de sluitingstijden van dergelijke gelegenheden te vervroegen. Maar ja, daar viel wel weer een mouw aan te passen: de betreffende lokalen werden besloten sociëteiten.

Sigarenwinkels

Een 'sigarenwinkel'.

Een ‘sigarenwinkel’.

In de jaren twintig nam vooral in Rotterdam en Amsterdam het aantal sigarenwinkels toe die door vrouwen werden bestierd. Hoewel vrouwen in deze periode ook gingen roken, werden deze sigarenwinkels vooral door mannen bezocht. Onder het mom van ‘een rokertje’ halen – dat er overigens niet werd verkocht- konden de klanten zich achterin de winkel even terugtrekken met het ‘winkelpersoneel’. Deze praktijken leidden tot een officieel protest bij de gemeente Amsterdam van de ‘gewone sigarenhandelaren’. (Stemvers, 1985) Reeds in 1906 beklaagde de Nederlandsche Vereeniging van Sigarenwinkels zich bij gemeente Amsterdam over dit fenomeen. De gewone roker zou niet meer naar de winkel komen, uit angst voor een prostitueebezoeker te worden aangezien.

De sigarenwinkels verdwenen spoedig. De prostitutie op straat en vanuit woonhuizen aan de openbare weg zou de komende decennia nog verder toenemen. .

[i] De Stem 24-7-1979

[ii] NOS RO 389.2632 EO 90.7080

[iii] Anno 2015 zien we het tegenovergestelde.

[iv] Nieuwsblad noorden 5-5-1964.

[v] Friese koerier 21-9-1961

[vi] Limburgsch dagblad 7-10-1972

Sietske Altink

Lees de andere artikelen in deze reeks

De achtergrond

  1. Dit artikel
  2. Schaalvergroting van prostitutie op de kaart

Een carnavaleske inhoudsopgave

  1. De Maasstadoperette

Katendrecht

  1. Katendrecht: een depot van beleefde Chinezen met tijdelijke liefdes
  2. Het gecontroleerde ontstaan van een rosse buurt: bijnamenromantiek en huisjesmelkers
  3. Bewoners versus Het Leven
  4. De strijd tussen bewoners en de prostitutiewereld ontbrandt (letterlijk)
  5. Over een glazenwasser, caféhouders en kaartavondjes voor bejaarden
  6. Bordeelsluiting, een heidens karwei
  7. Niet tegen maar langs de wet’.

Het Eroscentrum

  1. Het Eroscentrum, waaro, hiero of daaro?
  2. De Wijn- en Trijnhaven
  3. Het Poortgebouw ofwel Fuckingham Palace
  4. Bordeelboten, prostitutie tussen de wal en het schip
  5. De Keileweg: een erotisch luchtkasteel op een desolate vlakte
  6. De gemeente vraagt criminelen een monopoliepositie in te nemen in de prostitutiewereld

Achteraf

  1. Oeps, vergeten te vragen wat sekswerkers van al dit moois vonden
  2. Het Rotterdamse prostitutiebeleid in de jaren 70 en 80: een catalogus van blunders

Een opmerking over bronnen. Voor deze artikelenreeks zijn veel krantenartikelen gebruikt. De leesbaarheid zou zeer worden aangetast als die steeds in een notenapparaat moesten worden opgenomen. Daarom zijn de bronnen voor al deze artikelen in een aparte file vermeld die hier te downloaden is.

Overige bronnen