Ongeveer tot het eind van de jaren zestig zag men prostitutie in wijken als Katendrecht als onderdeel van de woonomgeving. Dat veranderde toen de prostitutiewereld grootschaliger en professioneler werd. Maar was er voordien geen strijd tegen prostitutie?

In de jaren dertig verzette De Katendrechtse Vereniging voor Sociaal Cultureel Vormingswerk zich tegen prostitutie en probeerde ‘gezonde gezinsvorming’ te bevorderen. Ook deden kerkelijke organisaties hun best om de ‘de jeugd’ buiten de danshuizen te houden.

De angst voor ‘corruptie van de jeugd’ speelde hierbij een rol. Bejaarden merkten dat kinderen liever boodschappen voor sekswerkers deden dan voor hen. Zij betaalden hun immers meer! Opa De Ridder bijvoorbeeld, voormalig voorzitter van het Katendrechts Volkshuis:

‘De kinderen kregen geld van hoeren om boodschappen te doen. Een hard gelag voor de hardwerkende arbeiders. Hun dochters zouden ook wel eens in de verleiding kunnen komen.’

In 1946 schreef een man in een ingezonden brief in Het Vrije Volk de hartenkreet:

‘Er zijn 3600 bewoners, maar er is niet één arts, apotheker, predikant of politie-ambtenaar onder de bewoners. Er is maar één huis met een bad. Er moet een badhuis komen en een parkje op het Deliplein, zo luidde zijn klacht.

In 1947 stuurden bewoners een rapport aan de hoofdcommissaris van de politie waarin ze over de toename van prostitutie, drankmisbruik en smokkelpraktijken op Katendrecht klaagden:

‘Tot voor kort kon iedere bewoner zich aan het nachtleven onttrekken. Maar nu raken de kinderen vertrouwd met het immorele bedrijf. Ze wonen soms aan

Het orgaan van de Katendrechtse Vereniging voor Sociaal Cultureel Vormingswerk

een trap waarvan de prostituees met hun slachtoffers ook gebruik maken. Ze zijn nog laat op straat om van de vreemdelingen sigaretten te bietsen. Ook de Katendrechtse meisjes dreigen te worden meegesleurd in de prostitutie. Het arbeidende deel der bevolking ziet in zijn midden een toenemen van drankzucht bij mannen en vrouwen, van snoeplust bij kinderen, het vermeerderen van echtscheidingen en verlatingen en ook van geslachtsziekten. Er ontstaan verkapte logementen, die aan de controle van de vreemdelingendienst ontsnappen.’

Het bewoners rapport uit 1947 maakte gewag van de angst voor corruptie van de politie: ‘De gemoedelijkheid in de buurt is verleidelijk, vooral voor jonge agenten. De al te vertrouwelijke omgang tussen agenten en hen, die op de een of andere wijze voordelen trekken uit de prostitutie, doet ons vermoeden, dat streng toezicht op de jonge agenten, wenselijk zou zijn’.

De Katendrechtse kunstenaar Dolf Henkes kreeg steeds meer last kreeg van de prostitutie. Hij haalde zich in 1968 een gebiedsverbod voor De Kaap op de hals. Hij had namelijk in een schemertoestand ene Pedro D. met een mes gestoken nadat hij door hem tot het uiterste was getergd.

Het volgende was er voorgevallen: De gebroeders en gezusters Henkes woonden op Katendrecht aan de Veerlaan 92 A . Tot 1956 konden ze van het prachtige uitzicht genieten. Maar in dat jaar opende een vrouw op no. 94 een bordeel waar eerst een Engelse vrouw en daarna nog enkele anderen kwamen te werken. Een paar Antilliaanse pooiers, waaronder ene Pedro, voegden zich bij hen. Henkes kon soms zijn huis niet in omdat er vrouwen voor de deur stonden. De hele nacht werd hij door gestommel op de trap uit zijn slaap gehouden. Hij klaagde maar werd vervolgens belaagd door Haagse makkers van deze Pedro.

Toen De Kaap na de oorlog het uitgaanscentrum werd, protesteerden enkele Katendrechters tegen het feit dat zij als hardwerkende burgers steeds met prostitutie werden geïdentificeerd. Ze klaagden over discriminatie en gingen gebukt onder het stigma op prostitutie. Grote winkelbedrijven bezorgden ze namelijk geen folders meer en/ of wilden er geen bestellingen afleveren. Degene die boven een bordeel woonde moest een duurdere inboedelverzekering nemen dan elders in de stad gebruikelijk was. Katendrechters konden moeilijk een krediet bij een bank krijgen. Een condoomfabriek meende dat alle Katendrechters met prostitutie te maken hadden en stuurde alle bewoners condooms in geschenkverpakking. Een andere Katendrechtse beweerde dat haar kind op school haar boterhammen in het fietsenhok moest opeten.’ Al deze discriminatie en overlast was in 1972 reden voor sommige buurtbewoners om hun belastingformulier blanco terug te sturen.

Katendrechters konden lange tijd heel moeilijk naar andere wijken verhuizen. Ze konden alleen een woonvergunning voor elders krijgen als ze konden aantonen dat ze niets met prostitutie of andere perfide zaken waar Katendrecht zo berucht om was, hadden te maken. Het was sowieso moeilijk om een woonvergunning te krijgen. Er heerste in heel Nederland, maar vooral in Rotterdam door het bombardement, woningnood. Om in aanmerking te kunnen komen voor een behoorlijke huurwoning, moest men als de huur boven een bepaald bedrag lag, ook voor een pand van een particuliere eigenaar een woonvergunning aanvragen. Dat kon alleen als men boven de dertig of gehuwd was. Maar niet op Katendrecht. Daar waren de huren over het algemeen laag en voor deze ‘huisjes onder de huurwaarde’ gold echter het vereiste van het beschikken over een woonvergunning niet. Daar kwam bij dat veel mensen ondanks de woningnood niet op Katendrecht wilden wonen. De huisjes daar waren slecht onderhouden en vele huizenbezitters waren maar al te bereid hun onroerend goed voor veel geld – veelal afkomstig uit handel in soft drugs en illegaal gokken – aan nieuwkomers te verkopen.

Behalve hardwerkende arbeiders was er op De Kaap ook een hardwerkende middenstand, die zich dankzij de prostitutie in een goede klandizie kon verheugen. En sommige hardwerkende arbeiders klusten erbij door werkkamertjes voor sekswerkers te timmeren.

Katendrecht was op aandringen van politie en medici een vrijplaats voor prostitutie geworden. Artsen wilden het er concentreren om de geslachtsziekten beter onder controle te kunnen houden. De politie pleitte ervoor dat alle verboden die Rotterdam in de jaren 1910 -1914 tegen prostitutie had uitgevaardigd op De Kaap werden opgeschort. Zo hoopte ze een verspreiding van de clandestiene prostitutie door de hele stad tegen te gaan. Opa De Ridder, voormalig voorzitter van het Katendrechts Volkshuis, hierover: ‘De gemeente strooide hier kwistig met horecavergunningen. Artsen, politici en politie hebben altijd gezegd dat het onmogelijk was prostitutie van Katendrecht weg te halen. [I]Het Vrije Volk  21-8-1973 Prostitutie moest voor de politie koste wat het kost op De Kaap blijven. De prostitutie elders in de stad werd dan ook harder aangepakt dan die op het schiereiland. ‘Als we het concentreren weten we waar de bordelen zijn’, liet een politieman weten. Deze mantra: ‘dan weten we waar het zit’ is een bezweringsformule die we anno 2018 nog steeds horen.

De politie heeft dit beleid heel lang volgehouden. Een gemeenteraadslid van de PvdA, Wim van der Vlerk zei achteraf: ‘Er waren bij de politie elementen die bewust klachten uit Katendrecht weghielden’. De politie zou wantoestanden niet willen zien. En Dolf Henkes: ‘De politie was onze grootste vijand. Die hield de prostitutiewereld de hand boven het hoofd.’

Het idee dat (zichtbare) prostitutie niet in een woonwijk thuishoorde kwam nog sterker naar voren toen ‘stadsvernieuwing’ een factor van belang werd. De krotten moesten worden opgeruimd of gerenoveerd. Dit betekende meestal een huurverhoging, waar wel meer woongenot tegenover moest staan. In Rotterdam werden buurtorganisaties nauw bij dit stadsvernieuwingsproces betrokken. De aanwezigheid van prostitutie werd als een belemmering gezien.

Katendrechtse jongeren verspreidden al in 1970 een affiche met een afbeelding van een kind met de tekst: ‘Kan dit kind leven op Katendrecht? Nee! Waarom niet? Door de prostitutie’.

Sietske Altink

Terug naar de inhoudsopgave van het boek

Lees de andere artikelen in deze reeks

De achtergrond

  1. De invoering van het bordeelverbod is mislukt
  2. Schaalvergroting van prostitutie op de kaart

Een carnavaleske inhoudsopgave

  1. De Maasstadoperette

Katendrecht

  1. Katendrecht: een depot van beleefde Chinezen met tijdelijke liefdes
  2. Het gecontroleerde ontstaan van een rosse buurt: bijnamenromantiek en huisjesmelkers
  3. Dit artikel
  4. De strijd tussen bewoners en de prostitutiewereld ontbrandt (letterlijk)
  5. Over een glazenwasser, caféhouders en kaartavondjes voor bejaarden
  6. Bordeelsluiting, een heidens karwei
  7. ‘Niet tegen maar langs de wet’.

Het Eroscentrum

  1. Het Eroscentrum, waaro, hiero of daaro?
  2. De Wijn- en Trijnhaven
  3. Het Poortgebouw ofwel Fuckingham Palace
  4. Bordeelboten, prostitutie tussen de wal en het schip
  5. De Keileweg: een erotisch luchtkasteel op een desolate vlakte
  6. De gemeente vraagt criminelen een monopoliepositie in te nemen in de prostitutiewereld

Achteraf

  1. Oeps, vergeten te vragen wat sekswerkers van al dit moois vonden
  2. Het Rotterdamse prostitutiebeleid in de jaren 70 en 80: een catalogus van blunders

Een opmerking over bronnen. Voor deze artikelenreeks zijn veel krantenartikelen gebruikt. De leesbaarheid zou zeer worden aangetast als die steeds in een notenapparaat moesten worden opgenomen. Daarom zijn de bronnen voor al deze artikelen in een aparte file vermeld die hier te downloaden is.

Overige bronnen

 

 

Noten   [ + ]

I. Het Vrije Volk  21-8-1973