Veel gemeenten hadden na 1911 als aanvulling op het landelijk bordeelverbod plaatselijke verordeningen (APV’s Algemene Politie- Verordeningen) opgesteld. Die hielden meestal een tippelverbod in. Die tippelverboden en andere verbodsbepalingen werden echter op aandringen van de politie voor Katendrecht opgeschort. Dat ging goed tot vlak na de oorlog toen er in 1947 beroering ontstond over ‘nette meisjes’ die ook wilden profiteren van de komst van de zeelieden.

Er lekte toen een rapport uit waarin het volgende te lezen viel:

Spotprent. Burgemeester van der Louw

Spotprent. Burgemeester van der Louw

‘Ofschoon het een publiek geheim is, dat honderden vrouwen van verdachte zeden die voor de oorlog op de Schiedamse Dijk en omgeving haar domicilie hadden, thans op Katendrecht een permanent gevaar vormen, is thans ook vast komen te staan, dat grote aantallen z.g. nette meisjes zich daar aan prostitutie overgeven. Vaak zijn het eigenlijk nog kinderen die uit andere stadsdelen naar de havenwijk trekken, om zich voor chocolade, sigaretten, Nylonkousen etc., aan boord van zeeschepen te begeven.’

Deze vrouwen en meisjes – zogeheten scheepshaaien – zouden geslachtsziekten verspreiden. Hier moest wat tegen gedaan worden. In overleg met het comité Zeemanswelvaren belegde burgemeester Oud in datzelfde jaar een bijeenkomst met vertegenwoordigers van cargadoors- en stuwadoorsmaatschappijen, de zeemanshuizen en het maritiem centrum over deze kwestie. Het resultaat hiervan was dat de tippelverboden naar vaartuigen werden uitgebreid.

Tippelverboden

Later werden in Rotterdam de tippelverboden steeds meer aangescherpt. Bijvoorbeeld in 1959:

Het is verboden iemand door woorden, gebaren, geluiden of op enige andere wijze aan te lokken, of in of in de nabijheid van de in- of uitgang van de woning post te vatten aan vrouwen van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat zij zich aan prostitutie overgeven. Het is verboden zich binnenshuis bevindende, hetzij door houding of kledij, hetzij op enige andere wijze de aandacht tot zich te trekken van hen die zich op de weg bevinden. Het is verboden zich binnenshuis van buitenaf zichtbaar op te houden op een door houding, kledij, gebaar of anderszins onvoegzame wijze, welke de morele gezondheid van jeugdige personen kan schaden.

In 1973 lanceerde B en W een Voorstel om APV 48, het tippelverbod, zodanig te veranderen dat niet alleen het tippelen maar ook het ‘op straat’ postvatten werd verboden. Daar wilde men ook nog de term ‘met kennelijk ontuchtige bedoelingen’ aan toevoegen. Dit was zeer tegen de zin van de politie. Zij achtte namelijk het vergaren van bewijslast aangaande ‘ kennelijk ontuchtige bedoelingen’ buitengewoon moeilijk. Er moest eerst gefloten of geroepen worden om ‘aan te tonen dat iemand ‘kennelijk’ iets ontuchtigs van plan was. Het woordje ‘kennelijk’ werd dan ook in 1975 geschrapt.

Die tippelverboden waren vaker omstreden. Gedeputeerde Staten wees Rotterdam erop dat ze door al die verboden ten onrechte in de rol van wetgevende landelijke overheid trad. In 1979 oordeelde de rechter dat het nieuwe tippelverbod een ondeugdelijk wapen in de strijd tegen prostitutie was en verklaarde het onverbindend. Het verbod op heen en weer lopen van mensen van wie bekend was dat zij ‘zich aan prostitutie overgaven’ betekende volgens de magistraat namelijk dat prostituees strafbaar waren als ze geen dienst hadden en bijvoorbeeld op de tram stonden te wachten. Dus moest er een aanvulling komen in de trant van ‘zich aldus beschikbaar houden voor prostitutie of andere ontucht’.

Andere verordeningen

Een ander lokaal instrument dat tegen prostitutiebedrijven kon worden ingezet was de zogeheten verloederingsverordening. Wanneer er in een bepaalde wijk bedrijvigheid kwam die verloedering in de hand werkte of de stadsvernieuwing hinderde, konden die worden geweerd.

In 1976 kwam er een vergunningplicht voor erotische bedrijven. Regelmatig werden ook bestemmingsplannen gebruikt om een bedrijf te ontruimen of  een vergunning te onthouden. Maar dat was nog niet alles. In 1974 kreeg de brandweer de opdracht brandgevaarlijke seksbedrijven te sluiten.

Landelijke wetgeving en het bordeelverbod

Behalve lokale wetgeving konden ook nationale wetten op het gebied van drankvergunningen en vergunningen voor het vertonen van films worden aangewend. Dat was niet altijd succesvol omdat seksclubs vervolgens gewoon besloten verenigingen werden. En deze wetgeving was al helemaal niet geëigend om raamprostitutie aan te pakken.

Op landelijk niveau was er ook nog de woonruimtewet uit 1947- de wet die het onttrekken van woonruimte voor bedrijvigheid- verbood. Deze wet werd ook met overigens weinig resultaat ingezet.

De enige landelijke wet die bij uitstek voor prostitutiebestrijding was bedoeld, te weten het bordeelverbod, bleek nu juist ongeschikt te zijn. Het overtreden van deze wet was namelijk heel moeilijk te bewijzen. Daarom had die inmiddels een andere functie gekregen. Het bordeelverbod werd krachtens de jurisprudentie vooral gebruikt om overlast te bestrijden en jeugdigen te beschermen, maar niet om prostitutie te laten verdwijnen.

Rotterdam had nog een probleem met deze wet dat heel zwaar woog. Het bordeelverbod maakte het voor de gemeente namelijk heel moeilijk een actief prostitutiebeleid te voeren zonder deze wet te overtreden. Dat speelde vooral bij de pogingen van Rotterdam de problemen op te lossen door de prostitutie in een Eroscentrum te concentreren.

Burgemeester Thomassen waarschuwde als een van de weinige Rotterdamse politici dat een actieve bemoeienis met Eroscentra problemen zou opleveren met artikel 250 bis, Wetboek van Strafrecht, ofwel het bordeelverbod. Tot dezelfde conclusie kwamen professor Hulsman en een groep studenten die op verzoek van de gemeente het plan voor een Eroscentrum hadden bestudeerd.

In 1973 verklaarde – toen nog raadslid- Mentink met grote stelligheid dat Thomassen niet strafbaar zou zijn als de gemeente een Eroscentrum zou stichten. Een hoogleraar, ene Christiaanse had echter op de tv gezegd dat dit wel het geval was. Maar volgens Mentink had deze professor tegen hem toegegeven dat hij het Wetboek van Strafrecht verkeerd had geïnterpreteerd.

Van Agt en het bordeelverbod

Vanuit Rotterdam kwam er een flinke lobby op gang om Minister van Justitie Van Agt te bewegen het bordeelverbod te schrappen. En indien dit niet gebeurde, moest Van Agt de gemeente Rotterdam maar toestemming geven om het bordeelverbod te overtreden. Dat vroeg Rotterdam in 1975, maar kreeg weer te horen dat een gemeente geen rol mocht spelen in de exploitatie van een Eroscentrum.

Katendrechtse bewoners hadden bij de woning van Van Agt gedemonstreerd en een gesprek met hem gekregen. Maar niemand kreeg te horen wat Van Agt bij die gelegenheid precies had gezegd. Als antwoord op Kamervragen over dit gesprek liet hij weten geen haast te gaan maken met de wijziging van 250 bis, het bordeelverbod. Hij zou daarna vaag blijven; af en toe kwam er een raadselachtig commentaar uit zijn mond zoals in 1975: ‘Het kan soms zo uitkomen dat de gemeente verhuurder wordt van een perceel waar rare dingen gebeuren.’

In 1975 beweerde wethouder Van der Have van Van Agt toestemming te hebben gekregen om de prostitutie te verplaatsen. Maar die opmerking kwam de wethouder op een berisping te staan. Van Agt liet de gemeente weten dat hij tijdens het gesprek op 18 juni met Van der Have niets had toegezegd over de verplaatsing van de prostitutie naar de Wijnhaven. Van Agt: ‘Van beide kanten had dit gesprek een oriënterend karakter’. Van Agt verklaarde dat hij alleen toestemming had gegeven openbaar te maken dat hij niet bij voorbaat afwijzend stond tegen de plannen maar dat die nog moesten worden uitgewerkt. Hij had alleen beloofd dat hij de minister van Binnenlandse Zaken over het gesprek zou inlichten. ‘Het is voorbarig om nu al enig oordeel aan de plannen te verbinden’ aldus de minister. In 1973 had hij zich al bereid verklaard de klachten voor te leggen aan de commissie zedelijkheidswetgeving, ofwel de commissie Melai. Tevens liet hij weten eerst het oordeel van deze commissie af te willen wachten.

In 1977 komt deze commissie met een interimrapport dat de prostitutiewetgeving behandelde. De commissie oordeelde kritisch over een Eroscentrum. Ze maakte zich zorgen over de grote bedragen die met zo’n Eroscentrum waren gemoeid. Bovendien meende de commissie dat de prostitutie in al haar veelvormigheid niet in een Eroscentrum zou passen. En het zou moeilijk zijn een locatie te vinden waar een klant niet onmiddellijk als zodanig werd geïdentificeerd. De commissie stond echter welwillend tegenover de gedachte sociale bordelen te stichten. Maar ze maakte ook een kanttekening: ‘De verlaging die zij (prostituee) ondergaat door haar beroepsuitoefening, de uitbuiting die daarmee gepaard gaat en de criminele randaspecten veranderen niet als de gemeente als ‘huisbaas’ gaat optreden.’

De commissie vond het tevens niet verstandig om 250 bis te schrappen omdat dit artikel kon worden gebruikt om prostitutie van zeer jeugdige mensen te voorkomen.

In 1978 belandde de afschaffing van 250 bis bij Van Agt in het bakje ‘heden’ Zoals later bekend is geworden archiveerde hij daar alle hem onwelgevallige zaken. Rotterdam moest maar doormodderen.

In 1984 zei wethouder Linthorst over het Rotterdamse prostitutiebeleid: ‘We roeien met de juridische middelen die we hebben. We gaan niet tegen de wet in, maar langs de wet.’

Sietske Altink

Lees de andere artikelen in deze reeks

De achtergrond

  1. De invoering van het bordeelverbod is mislukt
  2. Schaalvergroting van prostitutie op de kaart

Een carnavaleske inhoudsopgave

  1. De Maasstadoperette

Katendrecht

  1. Katendrecht: een depot van beleefde Chinezen met tijdelijke liefdes
  2. Het gecontroleerde ontstaan van een rosse buurt: bijnamenromantiek en huisjesmelkers
  3. Bewoners versus Het Leven
  4. De strijd tussen bewoners en de prostitutiewereld ontbrandt (letterlijk)
  5. Over een glazenwasser, caféhouders en kaartavondjes voor bejaarden
  6. Bordeelsluiting, een heidens karwei
  7. Dit artikel

Het Eroscentrum

  1. Het Eroscentrum, waaro, hiero of daaro?
  2. De Wijn- en Trijnhaven
  3. Het Poortgebouw ofwel Fuckingham Palace
  4. Bordeelboten, prostitutie tussen de wal en het schip
  5. De Keileweg: een erotisch luchtkasteel op een desolate vlakte
  6. De gemeente vraagt criminelen een monopoliepositie in te nemen in de prostitutiewereld

Achteraf

  1. Oeps, vergeten te vragen wat sekswerkers van al dit moois vonden
  2. Het Rotterdamse prostitutiebeleid in de jaren 70 en 80: een catalogus van blunders

Een opmerking over bronnen. Voor deze artikelenreeks zijn veel krantenartikelen gebruikt. De leesbaarheid zou zeer worden aangetast als die steeds in een notenapparaat moesten worden opgenomen. Daarom zijn de bronnen voor al deze artikelen in een aparte file vermeld die hier te downloaden is.

Overige bronnen