Het sekswerkersvriendelijk collectief en het Eroscentrum kwamen er niet. Wat er wel is, is een catalogus van blunders. Het niet in gesprek gaan met de belangrijkste betrokkenen, de sekswerkers, was niet de enige fout. Zo waren niet alle Katendrechters gehoord. De gemeente is – toen het gedoe begon-  op slechts één Katendrechtse bewonersgroep blindgevaren. Men mocht zelfs geen onderzoek naar de representativiteit van het Wijkorgaan Katendrecht doen. Burgemeester Van der Louw frustreerde daarom de wens van het CDA om eens een enquête onder alle bewoners op De Kaap te houden. Er is ook nauwelijks gesproken met andere spelers in het veld zoals verhuurders en horeca-ondernemers. Aan de klanten was al helemaal niet gedacht.

Parodie op Eroscentrum van architect C. Weeber. (1978)

Het onderstaande schreef een man in 1979 in een ingezonden stuk in de krant. Daarin stelde hij enkele voor de hand liggende vragen over het Eroscentrum:

‘Is er marktonderzoek gedaan onder klanten? En welke vrouwen willen daar de peeskamers huren? Hoe leuk is het daar werken/ vertoeven met alle bewakingscamera’s en het feit dat ieder moment een smeris kan komen controleren? Men wil het zakelijk aanpakken, maar ik heb geen woord gelezen over klant of personeel.’

Een kroegbaas op Katendrecht vatte de situatie al in 1971 goed samen: “Het geld voor een Eroscentrum moet van hier en de meisjes komen. En dan is het mis. Maak het eerst maar wettelijk in orde en zoek dan de mensen.’

Er zijn beloftes aan de bevolking van Katendrecht gedaan zonder dat het Rotterdamse bestuur er zich van had vergewist of er een geschikt instrumentarium bestond om die belofte in te lossen. ‘Beloofd is beloofd’, met deze tekst dook Actiegroep Red Katendrecht steeds op. En daar had men een punt. Reeds in 1973 was de bewonersgroep een snelle oplossing van de problematiek op Katendrecht beloofd. In 1974 zou de prostitutie geheel van Katendrecht zijn verdwenen. In 1975 heette het dat De Kaap binnen twee jaar prostitutievrij zou zijn. In 1987 werd gesteld dat de zo’n 50 prostituees die er toen nog werkten in 1989 weg moesten zijn, want dan pas zou het Eroscentrum aan de Keileweg gereed zijn.

De ene ongefundeerde veronderstelling werd op de andere gestapeld. Zo dacht de PvdA dat het Eroscentrum zichzelf financieel wel zou kunnen bedruipen. De verwachting dat een Eroscentrum snel uit de grond kon worden gestampt, was eveneens een fraai staaltje wishful thinking. Dat gold ook voor de veronderstelling dat de sekswerkers wel de ‘souteneurs’ zouden volgen. De angst van buurtbewoners, dat de prostitutie uit zou waaieren werd weggewimpeld met de belofte van dat er nog meer APV’s  (Algemene Politie Verordeningen) zouden worden opgesteld. Maar zowel de buurten als de politie betwijfelden of dit wel afdoende zou zijn. Ook bleef men stellig beweren dat een Eroscentrum de enige oplossing was voor overlast gevende prostitutie. De gemeente bleef er tevens van uitgaan dat het hinderlijke bordeelverbod, binnen afzienbare tijd kon verdwijnen.

In de jaren dat de gemeente Rotterdam de prostitutie in een Eroscentrum wou concentreren deed het bestuur aan paniekvoetbal. Hoe was het bijvoorbeeld mogelijk dat men niet wist wie de eigenaar van Het Witte Huis was? Of dat men niet van de plannen voor een spoortunnel  op de hoogte was? En wat te denken van de ontdekking dat het ten koste zou gaan van de bouw van zo’n 1200 woningen?

Iedereen had in de jaren zeventig en tachtig een mening over prostitutie maar niemand had de deskundigheid om die te onderbouwen. En de weinige deskundigheid die er wel was, zoals die van sekswerkers, de GGD en de politie, werd genegeerd. Niemand wist hoeveel sekswerkers er in een Eroscentrum moesten worden geherhuisvest. De politie had een groot aantal sekswerkers geregistreerd maar een onbekend aantal niet. De mannelijke sekswerkers waren al helemaal niet in beeld. Slechts één keer heeft een raadslid van D 66 de vraag naar prostitutie door mannen gesteld.

Het Rotterdamse bestuur stopte de oren dicht als de politie of bewoners tegen bijvoorbeeld uitwaaiering van prostitutie waarschuwden. Tevens weigerde de stad in te zien dat een Eroscentrum nooit groot genoeg zou zijn om alle vormen van sekswerk in te huisvesten.  De gemeente ging er jarenlang van uit dat ook de verslaafde sekswerkers naar het Eroscentrum zouden verhuizen. Alleen de GGD en de politie beseften dat dit niet zou gaan gebeuren. Tevens bleef de verantwoordelijke wethouder, Van der Have, er tot de jaren tachtig gemakshalve vanuit gaan dat de sekswerkers de ‘souteneurs’ wel naar het Eroscentrum zouden volgen. Pas in 1982 gaf deze wethouder toe dat hij over het hoofd had gezien dat heel veel sekswerkers niet meer voor ‘een souteneur’ werkten. Juristen die wezen op de strijdigheid van de plannen met 250 bis Wetboek van Strafrecht, ofwel het bordeelverbod spraken tegen dovemans oren. De inzichten van de commissie Melai, de commissie die de zedelijkheidswetgeving moest herzien, werden evenmin serieus genomen.

Als het gemeentebestuur verder had gekeken dan naar een Deense scheepswerf en de Erosflats in Duitsland, dan had het gezien dat er ook in andere (grote) steden zich een schaalvergroting in de prostitutie aan het voltrekken was. De prostitutie had zich al door de hele stad heen verspreid. Concentratie was niet realistisch. Het werkt niet om alle vormen van prostitutie in één gebiedje te concentreren. Er ontstaat dan bijvoorbeeld geheid concurrentie tussen raamprostituees en tippelaarsters. Klanten van seksclubs willen vaak niet in gebieden met zichtbare prostitutie worden gezien. De zichtbare prostitutie is meestal  geconcentreerd, minder zichtbare prostitutie in clubs en privéhuizen speelt zich meestal door de stad verspreid af. De gelegenheden vallen dan minder op en exploitanten willen geen problemen met de buren, zodat de overlast over het algemeen binnen de perken wordt gehouden.

Wagenaar en ik betogen in een (Engelstalig) artikel dat prostitutie beleid altijd morality politics of wel moralistisch beleid is. Nu heeft veel beleid ethische dimensies; men wil bijvoorbeeld een goed pensioenbeleid ontwerpen, maar ethisch handelen is niet hetzelfde als moralisme.

Was het prostitutiebeleid van Rotterdam in de jaren zeventig en tachtig een voorbeeld van morality politics? Op het eerste gezicht lijkt dat niet het geval te zijn. Alle betrokkenen waren het er immers over eens dat prostitutie niet uit een stad als Rotterdam viel weg te denken. Zelfs het CDA wilde er realistisch mee omgaan en pleitte ervoor het op ‘Katendrecht’ te concentreren. Vanuit Rotterdam was er tevens een sterke lobby gestart naar de landelijke overheid toe om de moralistische politiek te laten varen. In 1977 merkte burgemeester Van der Louw in de gemeenteraad korzelig op: ‘Ethisch Reveil, er is niets ethisch aan een wijk met overlast laten zitten.‘ De bewoners die tegen de komst van een Eroscentrum in hun buurt protesteerden hanteerden vaak zakelijke en praktische argumenten, zoals de reële angst voor uitwaaiering. En veel klachten over overlast waren gegrond. Maar de gang van zaken in Rotterdam vertoonde wel enkele kenmerken van morality politics die men niet of nauwelijks op andere beleidsterreinen aantreft: de beleidsmakers lijden aan feitenresistentie, haastige spoed, hebben geen oog voor ongewenste gevolgen en voeren abrupte beleidswijzigingen door. Ook de kenmerkende emotionele geladenheid kwamen we in Rotterdam tegen: vooral als het om de veiligheid van kinderen en vrouwen op straat ging. De beleidsmakers in Rotterdam waren zeer feitenresistent, zoals we hebben gezien. Ze leken gedacht te hebben ‘Als de theorie niet klopt met de feiten, is dat jammer voor de feiten’. Het meest sprekende voorbeeld van de feitenresistentie is echter dat men bleef ontkennen dat het bordeelverbod roet in het eten kon gooien.

Zoals altijd in morality politics zagen we dat bepaalde groeperingen maatregelen eisen en wel direct. Er moest iets gebeuren, dus was het belangrijker om maatregelen aan te kondigen dan de uitvoerbaarheid daarvan te onderzoeken. Dat gold bijvoorbeeld voor bewonersgroepen in de jaren zeventig. De haastige spoed van het bestuur leverde geen goed beleid op.

Zo’n weigering om na te denken over de haalbaarheid van beleid is een kenmerk van moralistisch beleid. Wat de gevolgen zouden zijn van het overlaten van de exploitatie van Eroscentra aan criminelen, wilden de beleidsmakers al helemaal niet weten. Dit had vele ongewenste precedenten kunnen geven. Overigens was het aanwijzen van gokbazen als exploitanten een nogal abrupte beleidswijziging. De gedroomde exploitanten van het Eroscentrum waren aanvankelijk ‘Nette NVSH- achtige mensen, de GGD en collectieven’. Maar zij moesten al spoedig wijken voor kapitaalkrachtige onderwereldfiguren. Zo’n beweging van het ene naar het andere uiterste is ook een kenmerk van morality politics.

 

Sietske Altink

Terug naar de inhoudsopgave van het boek

Lees de andere artikelen in deze reeks

De achtergrond

  1. De invoering van het bordeelverbod is mislukt
  2. Schaalvergroting van prostitutie op de kaart

Een carnavaleske inhoudsopgave

  1. De Maasstadoperette

Katendrecht

  1. Katendrecht: een depot van beleefde Chinezen met tijdelijke liefdes
  2. Het gecontroleerde ontstaan van een rosse buurt: bijnamenromantiek en huisjesmelkers
  3. Bewoners versus Het Leven
  4. De strijd tussen bewoners en de prostitutiewereld ontbrandt (letterlijk)
  5. Over een glazenwasser, caféhouders en kaartavondjes voor bejaarden
  6. Bordeelsluiting, een heidens karwei
  7. Dit artikel

Het Eroscentrum

  1. Het Eroscentrum, waaro, hiero of daaro?
  2. De Wijn- en Trijnhaven
  3. Het Poortgebouw ofwel Fuckingham Palace
  4. Bordeelboten, prostitutie tussen de wal en het schip
  5. De Keileweg: een erotisch luchtkasteel op een desolate vlakte
  6. De gemeente vraagt criminelen een monopoliepositie in te nemen in de prostitutiewereld

Achteraf

  1. Oeps, vergeten te vragen wat sekswerkers van al dit moois vonden
  2. Het Rotterdamse prostitutiebeleid in de jaren 70 en 80: een catalogus van blunders

Een opmerking over bronnen. Voor deze artikelenreeks zijn veel krantenartikelen gebruikt. De leesbaarheid zou zeer worden aangetast als die steeds in een notenapparaat moesten worden opgenomen. Daarom zijn de bronnen voor al deze artikelen in een aparte file vermeld die hier te downloaden is.

Overige bronnen