Wat ging er mis met het prostitutiebeleid in Rotterdam? Het niet in gesprek gaan met de meest betrokkenen, de sekswerkers, was niet het enige. Zo zijn niet alle Katendrechters gehoord. De gemeente is – toen het gedoe begon-  op slechts één Katendrechtse bewonersgroep blindgevaren. Men mocht zelfs geen onderzoek naar de representativiteit van het Wijkorgaan Katendrecht doen. Burgemeester Van der Louw had het plan van het CDA gedwarsboomd om eens een enquête onder alle bewoners op De Kaap te houden. Er is ook nauwelijks gesproken met andere spelers in het veld zoals verhuurders en horeca-ondernemers. Aan de klanten was al helemaal niet gedacht.

Het onderstaande schreef een man in 1979 in een ingezonden stuk naar de krant. Daarin stelde hij nog enkele andere enkele voor de hand liggende vragen over het Eroscentrum:

‘Is er marktonderzoek gedaan onder klanten? En welke vrouwen willen daar de peeskamers huren? Hoe leuk is het daar werken/ vertoeven met alle bewakingscamera’s en het feit dat ieder moment een smeris kan komen controleren? Men wil het zakelijk aanpakken, maar ik heb geen woord gelezen over klant of personeel.’

Katendrecht

Een kroegbaas op Katendrecht vatte de situatie al in 1971 goed samen:

Het geld voor een Eroscentrum moet van hier en de meisjes komen. En dan is het mis. Maak het eerst maar wettelijk in orde en zoek dan de mensen.

Maar er was meer: valse beloften, wishful thinking, tunnelvisie, haastige spoed en het negeren van feiten en deskundigheid.

Valse beloften

‘Beloofd is beloofd’, met deze tekst dook Actiegroep Red Katendrecht steeds op. En daar had men een punt. Reeds in 1973 was de bewonersgroep een snelle oplossing van de problematiek op Katendrecht beloofd. In 1974 zou de prostitutie geheel van Katendrecht zijn verdwenen. In 1975 heette het dat De Kaap binnen twee jaar prostitutievrij zou zijn. In 1987 werd gesteld dat de zo’n 50 sekswerkers die er toen nog werkten in 1989 weg moesten zijn, want dan pas zou het Eroscentrum aan de Keileweg gereed zijn.

De beloftes aan de bevolking van Katendrecht zijn gedaan zonder dat het Rotterdamse bestuur er zich van had vergewist of er een geschikt instrumentarium was om dit doel te bereiken. Het bleek immers niet zo gemakkelijk de bordelen die jarenlang waren gedoogd, te sluiten.

Wishful thinking en tunnelvisie

De ene ongefundeerde veronderstelling werd op de andere gestapeld. Zo dacht de PvdA dat het Eroscentrum zichzelf financieel wel zou kunnen bedruipen. De verwachting dat een Eroscentrum snel uit de grond kon worden gestampt, was eveneens een fraai staaltje wishful thinking. Dat gold ook voor de veronderstelling dat de sekswerkers wel de ‘souteneurs’ zouden volgen. Alle tekenen wezen erop dat alle Rotterdamse prostitutie niet in één Eroscentrum kon worden ondergebracht, maar met name wethouder Van der Have bleef maar volhouden dat dit wel mogelijk was. De verwachting dat ook straatwerkers een Eroscentrum in zouden marcheren, was al helemaal nergens op gebaseerd. De angst van buurtbewoners, dat de prostitutie uit zou waaieren werd weggewimpeld met de belofte van nog meer APV’s  (Algemene Politie Verordeningen). Maar zowel de buurten en de politie betwijfelden of dit wel afdoende zou zijn. Ook bleef men stellig beweren dat een Eroscentrum de enige oplossing was voor problemen die werden veroorzaakt door overlast gevende prostitutie. Tot slot bleef de gemeente maar veronderstellen dat het bordeelverbod, een kleine hindernis zou blijken te zijn die binnen afzienbare tijd uit de weg kon worden geruimd.

Haastige spoed

Kaart van Rotterdam met plekken voor het Eroscentrum. Bron Hazewinkel.

Kaart van Rotterdam met plekken voor het Eroscentrum. Bron Hazewinkel.

In de jaren dat de gemeente Rotterdam de prostitutie in een Eroscentrum wou concentreren, wekte het bestuur de indruk aan paniekvoetbal te doen. Men lette niet op de uitvoerbaarheid en de haalbaarheid van de plannen. Hoe is het bijvoorbeeld mogelijk dat men niet wist wie de eigenaar van Het Witte Huis was? Of dat de Nederlandse Spoorwegen een spoortunnel had gepland in het gebied bij het Eroscentrum? En wat te denken van de ontdekking dat het ten koste zou gaan van de bouw van zo’n 1200 woningen?

Gebrek aan kennis

Iedereen had in de jaren zeventig en tachtig een mening over prostitutie maar niemand had de deskundigheid om die te onderbouwen. En de weinige deskundigheid die er wel was, zoals die van sekswerkers, werd genegeerd. Zo ook die van de politie. De waarschuwingen dat het niet zou gaan lukken prostitutie tot de boten te beperken, werden in de wind geslagen. De juristen die op problemen met 250 bis Wetboek van Strafrecht, ofwel het bordeelverbod attendeerden spraken tegen dovemans oren. De inzichten van de commissie Melai, de commissie die de zedelijkheidswetgeving moest herzien, werden niet serieus genomen.

Ook wist niemand precies hoeveel sekswerkers er moesten worden geherhuisvest. De politie had een groot aantal sekswerkers geregistreerd maar een onbekend aantal niet. Mannelijke sekswerkers waren al helemaal niet in beeld. Alleen een D66 raadslid heeft een keer de vraag naar prostitutie door mannen gesteld.

Als het gemeentebestuur verder had gekeken dan naar een Deense scheepswerf en de Erosflats in Duitsland, dan had het gezien dat er zich ook in andere (grote) steden een schaalvergroting in de prostitutie aan het voltrekken was. In Amsterdam en Den Haag bijvoorbeeld werden er geen raamgebieden gesloten, maar daar waren er ook clubs en andere vormen van prostitutie bij gekomen. Ook in andere steden waren er problemen met heroïneprostitutie. Uiteindelijk heeft Rotterdam wel gepoogd daar iets mee te doen, maar dat gebeurde pas nadat alle buurten de problemen met de prostitutie hadden vereenzelvigd met verslaving aan hard drugs. Slechts een enkele roepende in de woestijn wees  erop dat prostitutiebeleid en drugsbeleid twee verschillende zaken waren.

Morele politiek

Is het prostitutiebeleid van Rotterdam in de jaren zeventig en tachtig een voorbeeld van morality politics (moralistische politiek)? Op het eerste gezicht lijkt dat niet het geval te zijn. Alle betrokkenen waren het er immers over eens dat prostitutie niet meer uit een stad als Rotterdam viel weg te denken. Zelfs het CDA wilde er realistisch mee omgaan en pleitte ervoor het gewoon op ‘Katendrecht’ te concentreren. Vanuit Rotterdam was er juist een sterke lobby gestart naar de landelijke overheid toe om de moralistische politiek te laten varen. In 1977 merkte burgemeester Van der Louw in de gemeenteraad korzelig op: ‘Ethisch Reveil, er is niets ethisch aan het een wijk met overlast laten zitten.‘ De bewoners die tegen de komst van een Eroscentrum in hun buurt protesteerden, hanteerden vaak zakelijke en praktische argumenten, zoals de reële angst voor uitwaaiering. En veel klachten over overlast waren gegrond.

Niettemin speelden bepaalde vooroordelen wel een rol: ‘onze vrouwen kunnen niet meer over straat’ en ‘de veiligheid van onze kinderen is in het geding.’ Alle discussies maakten heftige emoties los. Op Katendrecht waren emoties zelfs in belangrijke mate de aanleiding om het beleidscircus te starten. Het stigma op prostitutie was voelbaar. Het was bijvoorbeeld een reden om niet met sekswerkers of klanten in gesprek te gaan.

Mogelijk valt het beleid in Rotterdam daardoor te kenschetsen als een variant van morality politics. Emoties en fantasieën bepaalden immers de te nemen maatregelen, niet de feiten. Hoewel er geen sprake was van ideologische afkeuring van prostitutie vertoonde het beleid in Rotterdam wel alle kenmerken van moralistische politiek.

Een van de kenmerken van moralistische politiek (Morality Politics, Wagenaar en Altink, 2012) is dat er onduidelijkheid bestaat over de kernbegrippen. Dat was bijvoorbeeld het geval met de term ‘souteneurs’. Ook verwarde men ‘tippelen’ met raamprostitutie, gezien de teksten van de APV’s.

Morality politics is daarnaast in hoge mate een vorm van lekenpolitiek. Iedereen heeft een mening en presenteert die mening als een feit. Dat was in Rotterdam regelmatig het geval. Sterker nog, de meningen in Rotterdam transformeerden zich tot fantasieën die halverwege de uitvoeringsfase in de prullenbak belandden. Een ander kenmerk van morality politics is dat men zijn toevlucht neemt tot haastige, vaak onuitvoerbare maatregelen. Ook daarin heeft Rotterdam gegrossierd. Vervolgens houdt men in morality politics geen rekening met ongewenste gevolgen. In Rotterdam stopte het bestuur de oren dicht als de politie of bewoners tegen bijvoorbeeld uitwaaiering van prostitutie waarschuwden. Rotterdam scoorde hoog op ‘feitenresistentie’ een ander kenmerk van morality politics. Wat de gevolgen zouden zijn van het overlaten van de exploitatie aan criminelen, wilden de beleidsmakers al helemaal niet weten. Overigens was de aanwijzing van gokbazen als exploitant een nogal abrupte beleidswijziging. De gedroomde exploitanten van het Eroscentrum waren aanvankelijk ‘Nette NVSH- achtige mensen, de GGD en collectieven’. Maar zij moesten al spoedig wijken voor kapitaalkrachtige onderwereldfiguren. Zo’n beweging van het ene naar het andere uiterste is een kenmerk van morality politics.

Vaak verliezen’ moralistische’ beleidsmakers, het doel van het beleid uit het oog. Want wat wilde Rotterdam? Concentratie van alle prostitutie? Of concentratie van sommige vormen van prostitutie? Bordelen sluiten of alleen overlast bestrijden? Of ging het om het laten doorgaan van de stadsvernieuwing? Wat het doel ook was, het stichten van een Eroscentrum bleek niet het geëigende middel om welk doel dan ook te bereiken.

Sietske Altink

Lees de andere artikelen in deze reeks

Bronnen bij deze artikelenreeks en bronnen algemeen

De achtergrond

  1. De invoering van het bordeelverbod is mislukt
  2. Schaalvergroting van prostitutie op de kaart

Een carnavaleske inhoudsopgave

  1. De Maasstadoperette

Katendrecht

  1. Katendrecht: een depot van beleefde Chinezen met tijdelijke liefdes
  2. Het gecontroleerde ontstaan van een rosse buurt: bijnamenromantiek en huisjesmelkers
  3. Bewoners versus Het Leven
  4. De strijd tussen bewoners en de prostitutiewereld ontbrandt (letterlijk)
  5. Over een glazenwasser, caféhouders en kaartavondjes voor bejaarden
  6. Bordeelsluiting, een heidens karwei
  7. ‘Niet tegen maar langs de wet’.

Het Eroscentrum

  1. Het Eroscentrum, waaro, hiero of daaro?
  2. De Wijn- en Trijnhaven
  3. Het Poortgebouw ofwel Fuckingham Palace
  4. Bordeelboten, prostitutie tussen de wal en het schip
  5. De Keileweg: een erotisch luchtkasteel op een desolate vlakte
  6. De gemeente vraagt criminelen een monopoliepositie in te nemen in de prostitutiewereld

Achteraf

  1. Oeps, vergeten te vragen wat sekswerkers van al dit moois vonden

Een opmerking over bronnen. Voor deze artikelenreeks zijn veel krantenartikelen gebruikt. De leesbaarheid zou zeer worden aangetast als die steeds in een notenapparaat moesten worden opgenomen. Daarom zijn de bronnen voor al deze artikelen in een aparte file vermeld die hier te downloaden is.

Overige bronnen