In de jaren zeventig van de vorige eeuw, in de tijd van de schaalvergroting van de prostitutie, waren alle ogen niet zozeer op De Wallen in Amsterdam, maar op de Rotterdamse rosse buurt Katendrecht ofwel De Kaap gericht. De geschiedenis van deze wijk vertelt een verhaal van pogingen van de overheid om behalve prostituees ook andere gestigmatiseerde groepen, zoals passagierende zeelui en gestrande Chinezen op het hermetisch afsluitbare schiereiland te isoleren. Dit artikeltje gaat over de Chinezen die aanvankelijk als stakingsbrekers op het schiereiland belandden, een mannengemeenschap vormden en al of niet tijdelijke seksuele relaties met vrouwen op De Kaap aangingen.

Chinese stakingsbrekers

In 1911 brak er in Amsterdam een staking uit onder zeelieden om betere condities op de schepen af te dwingen. Al spoedig sloeg de staking over naar Rotterdam. Grote reders wisten echter hun schepen in de vaart te houden door Chinezen als stakingsbrekers in te zetten. Zo kwamen de eerste Chinezen op Katendrecht aan. Ze arriveerden om precies te zijn op 17 juni 1911. Op die dag lag er al een schip aan de kade. Opeens kwam er een ander schip langszij en 26 Chinezen stapten daarvan over op het schip dat reeds lag aangemeerd. Daarna kwamen er nog meer Chinezen. Dit gebeurde ook in Amsterdam, maar de Chinese gemeenschap groeide daar minder snel dan in Rotterdam.

Logement op De Kaap

Logement op De Kaap

De staking werd al snel beëindigd. Het was toen gebruikelijk dat stakingsbrekers na afloop van de actie werden ontslagen, maar in dit geval bleven de Chinezen gewoon aan het werk. Geheel tegen de zin van de vakbonden kondigde scheepvaartmaatschappij Lloyd aan dat ze de Europeanen op de schepen ging vervangen door Aziaten. Zij waren veel voordeliger want ze kregen maar 70 procent van wat Europese zeelieden aan gage beurden. Bovendien hoefde er voor hen geen bijdragen in het risicofonds gestort te worden. De Chinezen vielen ook niet onder sociale wetgeving. Aanvankelijk werden de Chinese stakingsbrekers in Duitsland en Engeland geronseld. Zo waren de 26 Chinezen die in juni 1911 aan de wal gingen in Londense logementen gerekruteerd. Maar in Engeland werden na de Eerste Wereldoorlog de reders gedwongen hun voorkeur voor goedkope Chinezen te laten varen voor Engelse soldaten die na de oorlog emplooi in de scheepvaart zochten. De wervers verlegden hun werkveld naar Duitsland en Rotterdam.

De Chinezen werkten vooral als kolenstokers en kolentremmers. De laatsten moesten de loodzware kolen naar de bloedhete stookplaatsen brengen. Zij moesten soms in temperaturen van 55 graden Celsius werken. Ze zouden goed tegen de hitte kunnen. Of dat zo was, valt echter te betwijfelen. Op hun 35ste waren ze al oud en ziek.

De Chinese zeelieden vestigden zich op Katendrecht. De wijk lag dicht bij de haven, er waren al logementen voor zeelieden en de huren waren er laag. In 1914 kwam het eerste Chinese logement op De Kaap. In augustus 1922 waren het er al 16 waar in totaal 444 Chinezen woonden. Daarnaast werden er Chinese winkels, Chinese restaurants en Chinese gokhuizen geopend. De Chinese gemeenschap op De Kaap bestond in 1929 uit 534 mensen, in 1931 al uit 1906. Zo groeide Katendrecht in de jaren twintig uit tot de grootste Chinatown van Europa.

‘Menschenhandel’

menschenhandel cpnIn 1900 schreef de journalist Brusse een boekje over de misstanden bij het aanmonsteren van zeelieden. De problemen ontstonden vooral doordat rederijen het rekruteren van zeelieden aan shipping masters of wervers overlieten, die vanuit logementen opereerden. Vaak was de baas van het logement tevens werver. Wervers kregen meestal vijf procent vooraf en nog een groot deel van de gages van de ingehuurde zeelieden achteraf. Bootslieden en hoofdstokers betaalden nog meer. De zeelieden kregen altijd een voorschot. Ze kregen geen contant geld, maar een wissel. Het verzilveren van die wissel kostte ook weer het nodige aan provisie. Door de publicatie van Brusse kwam er een einde aan deze praktijken. Maar op Katendrecht, waar het vooral Chinezen betrof, veranderde het systeem juist in hun nadeel. Een Chinees kon namelijk niet als individu maar alleen als lid van een ploeg aanmonsteren. Dat maakte hem nog afhankelijker van de werver. Dit betekende dat Chinezen moesten wachten tot de werver een complete ploeg bijeen had.

Aan boord stond de ploeg onder het gezag van een voorman, de Number One, die meestal als enige Engels sprak. Om de aantrekkelijke baan van voorman te krijgen moest de gegadigde 200-2000 gulden op tafel leggen. Dat bedrag moest hij dan weer bij zijn ploeg terughalen. De werver mocht de ploeg ook verversen, zodat hij na een paar maanden opnieuw al die bedragen kon vangen. Als hij een boete kreeg omdat er problemen met de bemanning ontstonden, werd dat ook weer op de zeelieden verhaald.

Negentig procent van wat dan nog van de gage over bleef ging naar de baas van het logement voor kost en inwoning. Wanneer een zeeman dat niet meteen kon betalen, kreeg hij tegen hoge rente krediet van de logementsbaas. Dit hele systeem werkte schuldslavernij in de hand. De Chinezen hielden gewelddadige incidenten die voortvloeiden uit de misstanden met de wervers onder elkaar.

Leefomstandigheden

Een gevolg van de logementsverordening.

Een gevolg van de logementsverordening.

De logementen bestonden meestal uit enkele etages in een gewoon woonhuis. In 1925 stelde de commissaris van politie Alberda op eigen initiatief een onderzoek in naar de situatie aldaar. In de Delistraat telde hij 134 Chinezen in één huis. Alberda stuurde het rapport over de brandgevaarlijke en ongezonde situatie naar de pers. Het Rotterdams Nieuwsblad trok daarop zelf op onderzoek uit en trof 122 Chinezen in een kelder aan. Tevens ging een exemplaar van het rapport naar Alberda’s baas, Sirks. Deze schoof het rapport door naar Bouw -en Woningtoezicht die het  naar B en W doorstuurde die vervolgens een onderzoekscommissie instelde. Behalve dat er onder druk van de publieke opinie een logementsverordening werd opgesteld gebeurde er niets.

In 1936 trof de onderzoeker Van Heek nog dezelfde toestanden aan. Wel had de logementsverordening ervoor gezorgd dat er ‘‘slechts vijf a zes Chinezen op een kamertje zaten”.

Zorgen over gebrek aan vrouwen

In de rapporten over de leefomstandigheden van de Chinezen werden ook zorgen geuit over de afwezigheid van Chinese vrouwen in deze gemeenschap. Katendrechtse vrouwen zouden daarvoor gevaar lopen. Maar er waren volgens Van Heek, die in 1936 het eerste sociologisch rapport over de Chinese gemeenschap van Katendrecht schreef, al 13 huwelijken tussen Chinese mannen en Nederlandse vrouwen gesloten en 19 Chinezen leefden in een concubinaat met Nederlandsen. Van Heek schreef in de krant Het Vaderland:

‘Niettegenstaande de vele minder gewenschte verschijnselen die zich bij het samenleven van Nederlandsche vrouwen met Chineezen voordoen is het toch een gunstig teeken, dat van de dertig vrouwen die met Chinezen gehuwd zijn of in concubinaat leven, zich slechts een drietal geregeld aan prostitutie schuldig maakt.’

Vooral de rijke Chinezen waren gewilde huwelijkskandidaten. Er kleefde wel een groot nadeel aan een huwelijk met een Chinees. Een Nederlandse die met een Chinees trouwde verwierf daarmee de Chinese nationaliteit en moest haar Nederlanderschap opgeven. Een officieel huwelijk was echter niet altijd mogelijk omdat een Chinees alvorens te kunnen trouwen eerst een verklaring van zijn ouders in China moest vragen dat hun zoon ongehuwd was. Dat lukte niet altijd of de betreffende Chinees wilde zijn ouders niet met gezichtsverlies belasten omdat een door hen gearrangeerd huwelijk in China niet kon doorgaan.

Voor tijdelijke relaties waren zij aangewezen op sekswerkers die door een specifiek huisvestingsbeleid en het lokaal buiten werking stellen van anti-prostitutiewetgeving aldaar naar het schiereiland waren gemanoeuvreerd. De poltieman Alberda had in zijn rapport een passage aan de relatie met sekswerkers gewijd. Hij constateerde dat de Chinezen als klant geliefd waren. Ze stelden zich bescheiden op en waren nooit dronken.

Er deed een veelzeggende anekdote de ronde op De Kaap. Een Chinees dacht dat hij door een prostituee op de thee was gevraagd. Toen ze vroeg of het niet eens tijd was naar bed te gaan, antwoordde hij dat hij nog geen slaap had en vertrok.

Uit de verhalen over de relaties van Chinezen met Nederlandse vrouwen blijkt dat het verhaal dat de Chinese gemeenschap zich afzijdig hield van de Nederlandse, niet altijd klopte. Er waren – vooral zakelijke- contacten tussen Chinezen en winkeliers. Zo werd een van de wasserijen gerund door een Chinees met een Nederlandse partner. in het Witte Huis aan de Veerlaan vulde de Nederlandse eigenaresse de Chinese loterij in met Chinese karakters. [i]

Overigens waren Chinese gelegenheden als de gokhuizen en de opiumkitten niet toegankelijk voor Nederlanders. Drie kwart van de Chinezen gebruikte opium. De politie tolereerde dit door de Opiumwet van 1919 niet op De Kaap te handhaven. Maar er was een grens aan die tolerantie. Door de toenemende opiumsmokkel werd er toch in 1928 Rotterdam  een aparte opiumrecherche opgericht. Alleen al in 1934 onderschepte men 464 pakjes opium.

De bedoeling van al dat getolereer was de Chinezen op De Kaap te houden zodat ze zich niet door heel Rotterdam gingen verspreiden. Daarom sjoemelde men maar wat met de Nederlandse vreemdelingenwetgeving die toch al onduidelijk was en veel ruimte voor diverse interpretaties liet. Een plan van Lloyd om ze elders in een loods onder te brengen werd afgewezen omdat ze zich dan door de hele stad zouden gaan verspreiden. Overigens voelden de Chinezen er ook niets voor om in een loods ingekwartierd te worden.

Die verspreiding over de hele stad vond echter wel plaats in de jaren dertig. Onder invloed van de crisis hadden de Chinezen weinig werk meer in de scheepvaart. Ze schakelden over op de pinda verkoop en begaven zich al doende buiten Katendrecht. Toen vond de overheid het tijd worden om deze ‘bedelnegotie’ een halt toe te roepen. Ze ging het ‘Aziatisch Ongedierte’ zoals ze door een ambtenaar van minister Donner werden genoemd, uitwijzen. Daarbij speelde de opvolger van de oogjes toeknijpende commissaris Sirks, de baas van de eerder genoemde Alberda, Louis Einthoven een grote rol. Hij maakte onderscheid tussen Chinezen van economische waarde en overtollige Chinezen. Vooral zieke en oudere Chinezen waren volgens hem ’overtollig’. Einthoven ging er prat op dat hij Nederland had verlost van overtollige Chinezen door er zo’n 3000 te deporteren. Hij haalde zelfs ‘zieke dus overtollige’ Chinezen uit de ziekenhuizen.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog woonden er nog zo’n 200 Chinezen op De Kaap. Zij zaten daar veilig omdat Duitse soldaten er niet mochten komen. Na WO II verspreidden ze zich over de stad en vonden nieuw emplooi als restauranthouders. Een enkel gokhuis bleef open. We weten dat in een van de gokhuizen een aanplakbiljet hing voor de enige seksclub voor Chinezen aan De Nieuwe Binnenweg 350. Langzaam verdween het Chinese karakter van De Kaap.

Na de oorlog – toen de andere rosse buurt (Schiedamse Dijk) weg was gebombardeerd, werd De Kaap de enige vrijplaats voor prostitutie. De logementen werden al spoedig tot kroegen en sexclubs getransformeerd. Sekswerkers hadden met Chinezen gemeen dat ze op De Kaap moesten blijven. Dit ging goed totdat de prostitutie grootschaliger werd en zich niet meer tot De Kaap beperkte.

Sietske Altink

 

[i] Het hoogtepunt van het ‘multiculti’ karakter was het Vol Vertrouwen Voorwaarts festijn in 1935.

 

Lees de andere artikelen in deze reeks

De achtergrond

  1. De invoering van het bordeelverbod is mislukt
  2. Schaalvergroting van prostitutie op de kaart

Een carnavaleske inhoudsopgave

  1. De Maasstadoperette

Katendrecht

  1. Dit artikel
  2. Het gecontroleerde ontstaan van een rosse buurt: bijnamenromantiek en huisjesmelkers
  3. Bewoners versus Het Leven
  4. De strijd tussen bewoners en de prostitutiewereld ontbrandt (letterlijk)
  5. Over een glazenwasser, caféhouders en kaartavondjes voor bejaarden
  6. Bordeelsluiting, een heidens karwei
  7. ‘Niet tegen maar langs de wet’.

Het Eroscentrum

  1. Het Eroscentrum, waaro, hiero of daaro?
  2. De Wijn- en Trijnhaven
  3. Het Poortgebouw ofwel Fuckingham Palace
  4. Bordeelboten, prostitutie tussen de wal en het schip
  5. De Keileweg: een erotisch luchtkasteel op een desolate vlakte
  6. De gemeente vraagt criminelen een monopoliepositie in te nemen in de prostitutiewereld

Achteraf

  1. Oeps, vergeten te vragen wat sekswerkers van al dit moois vonden
  2. Het Rotterdamse prostitutiebeleid in de jaren 70 en 80: een catalogus van blunders

Een opmerking over bronnen. Voor deze artikelenreeks zijn veel krantenartikelen gebruikt. De leesbaarheid zou zeer worden aangetast als die steeds in een notenapparaat moesten worden opgenomen. Daarom zijn de bronnen voor al deze artikelen in een aparte file vermeld die hier te downloaden is.

Overige bronnen