De gemeente nam zich voor op te gaan treden tegen de bordelen op Katendrecht. In 1975 moest De Kaap immers prostitutievrij zijn! Maar dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan.

Een van de maatregelen van de gemeente tegen prostitutie was het instellen van een tippelverbod. Maar een tippelverbod was niet toegesneden op raamprostitutie. Dus gingen de vrouwen ‘inpandig’ werven.

Annie uit Katendrecht klaagde in 1972:

Eerst liepen we op straat, maar door acties van het wijkcomité zijn we achter het raam gezet.

Later werd het tippelverbod uitgebreid: prostituees mochten niet meer stilstaan of heen en weer lopen. Dit gaf grote onduidelijkheid.

Annie weer:‘ Als ik een krantje ga kopen mag ik niet lopen of stilstaan’.

2015: Atjehstraat

2015: Atjehstraat

Er bestond nauwelijks een geschikt instrumentarium om raamprostitutie aan te pakken. Men kon niet zoals bij de clubs met eisen voor drank- en bioscoopvergunningen schermen. Een van de weinige instrumenten die een gemeente ter beschikking stond was huisvestingsbeleid.

Huisvestingsbeleid

De eerste actie op dit gebied was een oproep aan huiseigenaren om huizen bij verkoop eerst aan de gemeente in plaats van aan exploitanten aan te bieden. In 1972 had de gemeente zo twaalf panden aangekocht. Het probleem was echter dat veel panden niet te koop stonden maar reeds in handen van exploitanten waren.

De gemeente kon ook de eisen die aan het verkrijgen van een woonvergunning werden gesteld, wijzigen. In de jaren zestig en zeventig bestond er onder andere in Rotterdam het fenomeen van de ‘huisjes onder de huurwaarde’. Dat waren woningen die voor minder dan tachtig gulden per maand werden verhuurd. Mits de verhuurder ermee instemde konden die zonder woonvergunning door een huurder worden betrokken. Ook op Katendrecht waren er van die huisjes onder de huurwaarde.

In september 1971 besloot B en W echter dat er zwaardere eisen aan bewoners van die huizen op Katendrecht moesten worden gesteld. Op Katendrecht trad een regel in werking dat vrijgekomen woonruimte met een huur van beneden de 80 gulden per maand niet aan alleenstaanden jonger dan dertig  jaar mocht worden verhuurd.

In 1972 werden die eisen weer versoepeld. De gemeente wilde de panden niet vorderen omdat er elders op Katendrecht huizen leeg stonden en sommige huizen clandestien werden bewoond.

Dit type oplossingen ging ervan uit dat raamprostitutie een vorm van gebruik van woonruimte was. Dat idee was echter achterhaald; raamprostituees woonden in die periode zelden meer in de panden waar ze werkten. Later werd erkend dat ze een bedrijfsruimte huurden. Dat bood meer perspectief; het was namelijk verboden om woonruimte als bedrijfsruimte te gebruiken.

Woonruimte versus bedrijfsruimte

In 1972 verzocht het wijkorgaan Katendrecht B en W negen panden van Van Oostenbrugge in de Atjehstraat als woonruimte te vorderen. De woonruimtewet uit 1947 die gebruik van woonruimte als bedrijfsruimte verbood zou de wettige basis hiervoor zijn. Wethouder Jetttinghoff en de minister waarschuwden echter dat een rechter dit wel eens als misbruik van de woonruimtewet zou kunnen beschouwen. De vordering was immers niet bedoeld om meer woonruimte ter beschikking te krijgen maar om prostitutie te bestrijden.

De gemeente zat in een lastig pakket. Ze had immers sinds 1965 prostitutie in die panden gedoogd. Er was nooit een woonvergunning voor die ‘woningen’ afgegeven, wat gold als aanwijzing er voor dat de gemeente ermee had ingestemd dat die panden voor prostitutiedoeleinden zouden worden gebruikt. Van Oostenbrugge wees erop dat die huizen zodanig waren vertimmerd dat ze niet meer voor gewone gezinsbewoning geschikt waren. Andere exploitanten bevestigden dat veel van die woningen door de aangebrachte sluipwegen onbewoonbaar waren geworden. En er stond al zoveel leeg op Katendrecht, want wie wou daar nu wonen? Er volgde een slepende rechtszaak.

Sluitingsbevelen

De gemeente veranderde de APV (Algemene Politie Verordening) en kon daarmee deze zogeheten verloederingsverordening – speciaal geformuleerd om de stadsvernieuwing mogelijk te maken- inzetten.

De rechter bepaalde daarop dat de gemeente bordelen die na juni 1974 waren geopend, gesloten mochten worden. Dit leverde weer een nieuw kat- en muisspel op. In 1975 wilde de gemeente Atjehstraat 2 van exploitant Simons sluiten omdat het een nieuw bordeel was. Maar Simons voerde aan dat hij op die plek eerder een bordeel had gehad, dat helaas in vlammen was opgegaan. Hij moest echter toch zijn bordelen sluiten maar wist nog één kamertje in gebruik te houden.

Steeds werd de gemeente bij de ontruiming gedwarsboomd door de exploitanten die sluitingsbevelen negeerden of van de gevel verwijderden of de bordelen weer openden. Als het vermoeden bestond dat een bordeel opnieuw openging, moest daar weer een agent posten.

In 1977 werden 40 politiemannen op De Kaap ingezet om te controleren of de sluitingsbevelen niet werden genegeerd, maar met een teleurstellend resultaat. Bij het negeren van een sluitingsverbod legde de rechter slechts een boete van 51 gulden op. Deze boetes waren volgens de rechter zo laag omdat de gemeente van de ene op de andere dag het beleid had gewijzigd. Later haalde de gemeente zelf de sluitingsbevelen weg omdat de advocaat van de exploitanten had aangevoerd dat de gemeente exploitanten onvoldoende op hun mogelijkheden had gewezen.

In 1979 openden de exploitanten weer clubs met grappig bedoelde namen als Van der Louw, Van der Have, Even Open, Never Closed. Die werden weer rap gesloten omdat de vereiste vergunningen ontbraken. Maar daarom niet getreurd. De exploitanten versjouwden de projector simpelweg naar een ander pand en kalkten vervolgens het woord ‘Sexclub’ op de ruiten. Dat was nog niet alles. De politie werd tijdens invallen regelmatig gejend. Voordat de flessen drank in beslag genomen konden worden, werden ze gevuld met urine.

Minder prostitutie

Tot woede van Areka verdween de prostitutie door al die acties niet. Areka was ook boos omdat niet één sekswerker werd beboet. Dat kon echter niet want het was toen (en in 2015 ook niet) nergens in Nederland verboden om het beroep van sekswerker uit te oefenen. Niettemin liep de prostitutie er wel enorm terug. In de jaren tachtig leek de prostitutie op Katendrecht een aflopende zaak. De dokter die in een café spreekuur hield, verdween. De cafés liepen leeg. In 1976 wilden 60 van de 65 caféhouders in verband met het toepassen van de verloederingsverordening De Kaap verlaten.

In 1980 klaagde de sekswerker Gerrie Bax dat de gemeente haar haar broodwinning had afgenomen. In mei 1979 ontving ze een brief waarin stond dat het wenselijk was dat ze haar pand aan de Tolhuislaan 69 aan de gemeente zou verkopen. Dat wou ze wel, als ze er maar goed van af kwam. Maar in maart 1980 werd haar huisje aan de Tolhuislaan gesloten wegens gelegenheid geven tot prostitutie.

In 1980 kraakten sekswerkers nog vijf panden. Die woningen stonden al lang leeg. Ook kwamen er weer enkele illegale clubs: Hotel 69, Wijkagent, Dat Lieg Je en D’r Op en D’r Af. Maar de loop naar De Kaap was er al uit. In dat jaar waren er volgens een schatting van de politie nog zo’n 180 sekswerkers actief op De Kaap. In 1981 was dit aantal teruggelopen tot 60 vrouwen in negen bordelen. In een laatste stuiptrekking van het protest tegen de sluiting van de seksbedrijven op Katendrecht stimuleren exploitanten de vrouwen weer te gaan tippelen. Elders in de stad mocht dat ook! Vanaf 1983 liet de politie de prostituees met rust.

In 1985 vatte de gemeente het plan op om toch maar een gedoogzone in de Atjehstraat te maken. De panden daar waren immers alleen geschikt voor mensen uit de prostitutiewereld. De laatsten zouden tijdelijke huurcontracten aangeboden krijgen.

In 1989 stelde de gemeente voor in afwachting van een andere oplossing, zoals een mogelijk Eroscentrum, tijdelijk containers voor de sekswerkers op Katendrecht te plaatsen op een speciaal daarvoor geselecteerd grasveldje. Er moesten vijf containers komen waarin per container vier mensen een werkruimte konden krijgen. De gemeente was al druk bezig het bestemmingsplan voor dit veldje te wijzigen, maar de protesten van Areka gooiden roet in het eten. Lembke: ‘De kinderen moeten er langs als ze naar school gaan’.

In 1991 wakkerde de strijd weer aan tijdens een laatste poging de exploitanten weg te krijgen om de stadsvernieuwing mogelijk te maken. De gemeente had exploitanten vervangende woonruimte op Katendrecht aangeboden. Ze mochten die alleen weigeren als die woning zich op of boven de tweede etage bevond. In de laatste fase van operatie Katendrecht is gepoogd de exploitanten richting Charlois, een andere wijk op Rotterdam-Zuid, te manoeuvreren. Maar de aangeboden woningen in Charlois hadden geen ramen aan de benedenverdieping. Bovendien moesten de exploitanten een verklaring tekenen dat ze niet meer aan sekswerkers gingen verhuren. Dat weigerden ze. Dit was een reden voor hen om weer eens richting rechtbank te togen, waar ze gelijk kregen. De rechter vond het namelijk geen gelijkwaardige vervangende woonruimte.

In 1991 zaten er nog zes exploitanten en werkte er nog een handjevol sekswerkers. Pas in het begin van de jaren negentig verdween de prostitutie definitief van De Kaap.

Een intermezzo: Bezoeken aan De Kaap

In 1987 heb ik op Katendrecht samen met een Thaise onderzoekster getracht respondenten te werven voor een onderzoek. Bij deze gelegenheid zagen we hier en daar meerdere vrouwen achter één raam. Ze zaten op tuinstoelen. We hebben toen kort met een paar vrouwen uit De Dominicaanse Republiek kunnen spreken. Ze wilden of konden niet veel vertellen. Ze zaten er pas drie dagen. Of we na het eten terug konden komen. We werden naar het naburige café gestuurd waar iets ‘gezelligs’ stond te gebeuren. De gezelligheid bestond uit het ten gehore laten brengen van liedjes met teksten als ‘Als ik bij jou naar binnen vaar’. Toen we terugkwamen kregen we te horen dat de vrouwen nu lagen te slapen. We zijn maar weer eens vertrokken….

Mijn een na het laatste bezoek aan De Kaap in die periode was in 1988. Ik was met een vrouw van De Rode Draad – de belangenorganisatie van prostituees- op pad gestuurd om BlackLights –het orgaan van De Rode Draad – aan de vrouw te brengen. Erg ver kwamen we niet. Reeds tijdens onze eerste sanitaire stop in een café kwam een agressief ogend heerschap ons vertellen dat het niet de bedoeling was dat vrouwen ‘boekies’ gingen lezen achter het raam. Ze moesten werken. We zijn maar ‘uit Rotterdam vertrokken’, maar hebben toch een melding achtergelaten bij de politie. Een jaar later bleek er een grootschalige mensenhandel – toen nog vrouwenhandel genoemd – bende actief te zijn die Dominicaanse 6-kunstfamilies vrouwen in Rotterdam afperste.

Herinneringen van de Laatsten der Dominicaansen

In 1991 sprak ik (elders) nog een paar migranten die in de laatste jaren van de prostitutie op De Kaap hadden gewerkt:

Het Chinese restaurant is er nog steeds. (2015)

Het Chinese restaurant is er nog steeds. (2015)

In 1991 werkten nog zo’n tiental vrouwen op Katendrecht, allen migranten. Een van hen, een Colombiaanse, sprak ik een jaar later. Zij was uit Utrecht gevlucht waar ze grote problemen had met exploitanten. Ze hadden haar paspoort en kleren verbrand. Een Dominicaanse had haar aan een werkadresje geholpen in ‘een comfortabel appartementje’ aan de Atjehstraat. Ze betaalde maar 300 gulden per week. Andere vrouwen werkten ook nog wel eens op straat maar zij niet. Ze bleef liever binnen. Ze haalde voor een hele week eten en stopte dat in de koelkast. Ze nodigde soms haar collega’s uit op de maaltijd. ‘Andere vrouwen moesten zich verstopt houden. Met mij hadden ze geen probleem, ik had geen sociale dienst. Ik had mijn rechten. De politie zou me wel helpen.’

Een Dominicaanse vertelde me in 1991 dat het beroemde Chinese restaurant meer klanten trok dan zijzelf. Zij herinnerde zich dat een klant zijn vrouw alvast naar het Chinese restaurant had gestuurd om een tafeltje te bemachtigen. Hij zou intussen een parkeerplaats voor zijn auto gaan zoeken. Dat was zijn excuus om haar nog een bliksembezoek te brengen.

Sietske Altink

Lees de andere artikelen in deze reeks

De achtergrond

  1. De invoering van het bordeelverbod is mislukt
  2. Schaalvergroting van prostitutie op de kaart

Een carnavaleske inhoudsopgave

  1. De Maasstadoperette

Katendrecht

  1. Katendrecht: een depot van beleefde Chinezen met tijdelijke liefdes
  2. Het gecontroleerde ontstaan van een rosse buurt: bijnamenromantiek en huisjesmelkers
  3. Bewoners versus Het Leven
  4. De strijd tussen bewoners en de prostitutiewereld ontbrandt (letterlijk)
  5. Over een glazenwasser, caféhouders en kaartavondjes voor bejaarden
  6. Dit artikel
  7. ‘Niet tegen maar langs de wet’.

Het Eroscentrum

  1. Het Eroscentrum, waaro, hiero of daaro?
  2. De Wijn- en Trijnhaven
  3. Het Poortgebouw ofwel Fuckingham Palace
  4. Bordeelboten, prostitutie tussen de wal en het schip
  5. De Keileweg: een erotisch luchtkasteel op een desolate vlakte
  6. De gemeente vraagt criminelen een monopoliepositie in te nemen in de prostitutiewereld

Achteraf

  1. Oeps, vergeten te vragen wat sekswerkers van al dit moois vonden
  2. Het Rotterdamse prostitutiebeleid in de jaren 70 en 80: een catalogus van blunders

Een opmerking over bronnen. Voor deze artikelenreeks zijn veel krantenartikelen gebruikt. De leesbaarheid zou zeer worden aangetast als die steeds in een notenapparaat moesten worden opgenomen. Daarom zijn de bronnen voor al deze artikelen in een aparte file vermeld die hier te downloaden is.

Overige bronnen