tegeltje siteVoor de oriëntatie van de andere berichten over geschiedenis, is het van belang de grove lijnen te kennen.

De beroepsmatige en openlijke prostitutie dateert van de twaalfde eeuw. In heel katholiek Europa werden prostituees door de overheid gesommeerd in bordelen te gaan wonen die veelal door de stad werden gesticht. Uit die tijd stammen de eerste documenten over dit verschijnsel. Diverse auteurs (Van de Pol, 1996, Volmuller, 1966, Stemvers, 1985, Meyer, 1989) noemen de steden Utrecht en Den Briel. In Den Briel bestonden er in de twaalfde eeuw Keuren (verordeningen) waarin bijvoorbeeld werd bepaald dat het enige bordeel binnen de stadsmuren moest worden afgebroken en dat een nieuw bordeel buiten de stadsmuren moest worden gevestigd. Het stadsbestuur was over het algemeen verantwoordelijk voor het beheer van de bordelen. De prostituees ofwel hoeren, moesten zich voor zover ze zich in de openbaarheid vertoonden, aan bepaalde regels houden.

De overheden konden echter niet voorkomen dat in sommige steden ‘de deernen’ voor een zelfstandige bedrijfsuitoefening kozen. Veel prostituees leidden een zwervend bestaan en trokken met legers mee. Aan het eind van de middeleeuwen ontstonden de badstoven, waar mannen en vrouwen (illegaal) met elkaar konden verkeren.

Aan dit alles kwam een eind door twee ontwikkelingen: de syfilis epidemie en de reformatie. De syfilis was toen een ernstige ziekte die vaak spoedig tot de dood leidde. Prostitutie werd verboden en ging een ondergronds bestaan leiden. Al snel gingen de overheden weer tot het tolereren van de prostitutiebedrijven over, op voorwaarde dat die zich aan bepaalde normen hielden. In de achttiende eeuw werden de bordelen grootschaliger en gingen vooral mannen bordelen exploiteren. Daarvoor was dit meer een aangelegenheid van vrouwen.

In de Napoleontische periode werd er naar Frans model de registratie van prostituees ingevoerd, met als doel ze voor een verplicht medisch onderzoek naar de politiechirurgijn te sturen. Wanneer een besmetting werd geconstateerd, betekende dit opsluiting in het hospitaal voor de ‘publieke vrouwen’. Na het vertrek van de Fransen ontstond er een debat over dit nut van registratie en verplichte medische keuring. Den Haag en enkele garnizoenssteden bedachten een eigen variant van het Franse systeem, waarmee ze aan de wens van Koning Willem I tegemoet kwamen, de legers ‘gezond’ te houden.

In de tweede helft van de negentiende eeuw ontstond er echter verzet tegen deze reglementering. Een coalitie van christenen en vrouwenorganisaties vonden het een schande dat de staat misstanden en handel in ‘blanke slavinnen’ tolereerde.

De sterke lobby van deze groeperingen leidde tot het bordeelverbod van 1911, toen het exploiteren van bordelen werd verboden. Maar de prostitutie verdween niet, integendeel, het werd steeds zichtbaarder in de jaren zeventig, en leidde tot debatten om dat bordeelverbod maar op te heffen. Aanvankelijk wilde men door de opheffing van het bordeelverbod een regulering van prostitutie mogelijk maken; later meende men dat dit ook de sekswerkers ten goede zou komen.

In 2000 werd dit bordeelverbod opgeheven. De exploitanten moesten zich als normale werkgevers gaan gedragen en de prostituees, inmiddels  sekswerkers geheten, zouden in alle vrijheid hun beroep moeten kunnen uitoefenen.

Anno 2013 wil de overheid de prostitutie nog strenger reguleren en worden er pogingen gedaan de wet te veranderen. (Wet Regulering, Klantcriminalisering)

Sietske Altink