Het verschijnsel dat we tegenwoordig mensenhandel noemen, bestaat al heel lang. De wetgever Solon (ca 640-560 v. Chr.) verbood bijvoorbeeld de verkoop van dochters en zusters aan bordelen. Keizer Justinianus (527-565) schreef in De Leonibus:

Een waarschuwing voor vrouwen die op reis zijn, van een organisatie die stationswerk deed: alleenreizende vrouwen zoeken op het station. (Rond 1900) In bezit van Aletta.

Een waarschuwing voor vrouwen die op reis zijn, van een organisatie die stationswerk deed: alleenreizende vrouwen zoeken op het station. (Rond 1900) In bezit van Aletta.

‘Ons is te ore gekomen dat veel van onze onderdanen, aangezien ze de inkomsten van prostitutie te gering vinden door het hele rijk reizen en profijt trekken uit de armoede en onervarenheid van jonge meisjes, door ze te verleiden met beloften van mooie kleren en vergelijkbare zaken, ze vervolgens in huizen op te sluiten, ze een contract laten tekenen waarin staat dat ze in een bordeel zolang de eigenaar het goeddunkt, verblijven, dat deze behoeftige vrouwen slecht gekleed en gevoed worden, van hun vrijheid beroofd worden en zich moeten prostitueren met iedere klant, zonder dat ze onderscheid mogen maken. Pooiers pakken al hun geld af. Deze handelaren hebben in hun sluwheid zekerheid ingebouwd, waardoor mensen die ze vrij willen kopen, hoge bedragen moeten betalen.’ (Geciteerd in Mancini, 1963)

De historie vermeldt dat het in de middeleeuwen volgens het Schwabische recht verboden was ‘onschuldige  vrouwen’ aan de zogeheten vrouwenhuizen, de door de stadsbesturen bestierde bordelen, te verkopen. (Bruine Ploos Van Amstel, 1930). Hieruit kunnen we opmaken dat het kopen/verkopen van vrouwen voor betaalde ontucht een zodanig gangbare praktijk was, dat ertegen moest worden opgetreden.

Behalve de directe koop/ verkoop van vrouwen zien we in het verleden ook die verschijnselen optreden die we nu als componenten van mensenhandel opvatten: economische uitbuiting, schuldslavernij en dwang tot seks. Dit laatste kon zich uiten in het niet kunnen weigeren van bepaalde klanten en een afhankelijkheidsrelatie met een geliefde of een bordeelhouder. Het verschijnsel van de relatie- afhankelijkheid die we nu zouden aanduiden als de invloed van een ‘loverboy’ was ook in het verleden geen onbekend verschijnsel. In de 17de eeuw werd er in Nederland melding gemaakt van dergelijke beschermers/partners, de zogeheten kochen die financiële belangen bij het werk van de ‘deernen’ hadden. (Amsterdamsch Hoerdom, 1681).

Hoge boetes voor overtreding van bordeelregels en de afroming van verdiensten lijken ook van alle tijden te zijn. De vrouwen in de 17de  eeuwse bordelen hadden weinig bewegingsvrijheid en liepen schulden op omdat ze bijvoorbeeld hun kleren moesten afbetalen. (Volmuller, 1966, Amsterdamsch Hoerdom, 1681) Een vergelijkbare truc werd in de negentiende eeuw uitgehaald door de zogeheten ‘besteedsters’, bijvoorbeeld Sara Migiels, alias zwarte Sara, die jonge vrouwen op zoek naar werk in de grote stad, voorspiegelde dat ze veel konden verdienen als ze een japon bij haar bestelden –  die zo zou blijken- door middel van prostitutie moest worden afbetaald. (Siegel en Blank, 2010).

Naast deze afhankelijkheidsrelaties en uitbuiting vermeldt de geschiedenis gevallen van het niet kunnen weigeren van klanten, wat wij een vorm van dwang tot prostitutie zouden noemen. Bijvoorbeeld de  prostituees die Alva bij zijn intocht in De Lage Landen (mei 1567) vergezelden, deserteerden toen hij decreteerde dat ze iedere soldaat als klant moesten aanvaarden. Ook de auteur van Het Amsterdamsch Hoerdom beschrijft dat vrouwen die het niet accepteerden dat ze alle klanten moesten bedienen, met anderen eigen ruimtes moesten gaan huren. (Bruine Ploos van Amstel, 1930).

In de tweede helft van de negentiende eeuw komen er meer gevallen van vrouwenhandel boven tafel. Vanuit Oost-Europese getto’s werden vooral Joodse vrouwen uit arme families die ‘overbleven’ omdat de ouders de bruidsprijs niet konden betalen, door (organisaties van) pooiers naar Zuid_Amerika en India verhandeld. (Bristow, 1983). De vrouwen kwamen terecht op plekken waar veel mannen zich hadden gevestigd om aan grote infrastructurele projecten zoals het Panamakanaal te werken. Ook in West-Europa werden jonge vrouwen (door Europese malafide bemiddelaars) een betrekking in het buitenland beloofd waarna ze in de prostitutie terechtkwamen. (Balkestein, 1900).

Slavernij afschaffen

De associatie van vrouwenhandel en slavernij stamt uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Aan het eind van de negentiende eeuw kwam mensenhandel als ‘handel in blanke slavinnen’ op de politieke agenda terecht. Het idee achter deze benaming was dat vrouwen in de prostitutie brengen met slavenhandel viel te vergelijken. Vandaar dat de groepen die ijverden voor de afschaffing van de (georganiseerde) prostitutie zich abolitionisten (= letterlijk afschaffers) noemden, net als degenen die de slavernij trachtten af te schaffen. De vergelijking met slavenhandel sprak tot de verbeelding omdat in deze periode veel landen slavenhandel hadden afgeschaft. De vergelijking van mensenhandel met slavenarbeid  (i.t.t. slavenhandel) is van een latere datum.

De strijd tegen vrouwenhandel werd in de tweede helft van de negentiende eeuw gevoerd door feministen die in beweging waren gekomen tegen de reglementering van de prostitutie. Een van de belangrijkste strijdsters tegen de reglementering was de Engelse Josephine Butler. Zij was tegen de gereglementeerde prostitutie omdat daarmee de slavernij van prostituees in stand werd gehouden. Ze vond het hypocriet dat de overheid de prostitutie reguleerde en vrouwenhandel faciliteerde. Ze had echter geen problemen met de zelfstandige prostituee. Die moest volgens haar met rust worden gelaten

In Nederland maakten vrouwen ook deel uit van de abolitionistische beweging, maar als ondergeschikten, als maatschappelijk werkers. (De Vries, 1997). De mannen in de beweging vonden prostitutie geen geschikt gespreksonderwerp voor vrouwen. (Koenders, 1996). In Nederland werd de strijd gevoerd door Het Reveil, een beweging van protestanten die actief hun geloof wilden beleven en uitdragen. Zij richtten de Nederlandse Vereeniging tot Bestrijding van de Prostitutie op. Deze beweging bewerkstelligde het bordeelverbod als onderdeel van de zedelijkheidswetgeving van Regout. (Koenders, 1996)

Door de wereldoorlogen verdween de vrouwenhandelkwestie naar de achtergrond. Tot de jaren tachtig van de vorige eeuw kwam het fenomeen sporadisch ter sprake in de vorm van urban legends over bijvoorbeeld au pairs die werden doorverkocht aan Arabische harems. (Zie voor dergelijke verhalen bijv. Philippon, 1969, Barry, 1979, Koenders,1996) Een van de auteurs in dit segment ‘sensatiezoekers’, Stephen Barlay (1968) beschreef hoe ‘duizenden’ Franse meisjes vermist raakten en hoe ‘duizenden’ vermiste meisjes uit heel Europa in een beruchte gelegenheid in Basra terechtkwamen. De research voor zijn boek voerde hem ook naar Nederland. Hij verbaasde zich erover dat niemand Nederlandse meisjes kende die in dit soort problemen waren geraakt.

Uit Barlay (een bewerking)

Hij steekt zijn licht op bij een ‘souteneur’ die hem vertelde dat de meisjeshandelaren alleen een kans maken als een meisje buiten Nederland in de moeilijkheden is geraakt. Ook majoor Bosshardt komt aan het woord: ‘ Wallenprostituees slikken geen drugs en zijn niet zo avontuurlijk. Nederlandse prostituees blijven het liefst in eigen land. Ze bezoeken hun families en gaan gewoon hun eigen gang. Hun vrienden zijn eerder huismannen dan souteneurs. (he doesn’t keep a woman, he keeps house). Nederlandse prostituees houden hun hand op de portemonnee. Nederlandse prostituee heeft een zekere mate van zekerheid. Waarom zou de die opgeven voor een onzekere toekomst?’, aldus de majoor. (Barlay, 1968) pp 58,59)

Tot de jaren tachtig kon het aantal vrouwenhandelzaken in Nederland op één hand worden geteld. Zo stond er in 1960 stond een Marokkaan terecht die jonge vrouwen door middel van wurgcontracten tot seksuele dienstverlening in het Midden Oosten dwong. In 1982 speelde er een zaak met Portugese vrouwen. (Haveman, 1997)

In Nederland hadden feministen hun pijlen aanvankelijk op het sekstoerisme gericht. De touroperators die de vermaakcentra van de soldaten die voorheen in Vietnam vochten opnieuw benutten, creëerden zo een markt van bijvoorbeeld Thaise vrouwen voor westerse toeristen.  (Roerink en Vleuten, 1988)  Dit  sekstoerisme was een belangrijk thema tijdens de oprichting van de Global Feminist Workshop to Organize against Traffic in Women, in Rotterdam, 1983. Een prominente gast op deze bijeenkomst was Kathleen Barry, auteur van Female Sexual Slavery (1979). In dit boek beschreef zij enkele gevallen van mensenhandel vanuit het perspectief dat alle prostitutie female sexual slavery was. (Barry, 1979)  Zij was toen overigens de officiële adviseur van de Verenigde Naties inzake vrouwenhandel. [i]

In de tweede helft van de jaren tachtig kwam het als zijnde vrouwenhandel in de schijnwerpers toen bleek dat vooral Thaise en Zuid-Amerikaanse vrouwen niet alleen in hun eigen land sekstoeristen moesten bedienen maar ook werden geworven om onder andere in Nederland in de prostitutie te werken. Vanaf halverwege de jaren tachtig verschenen de eerste publicaties over dit thema in Nederland. (Ammelrooy, 1989, Buys, en Verbraken, 1985).

Wagenaar en Altink, onderdeel van een ongepubliceerde bijlage bij het Internationaal vergelijkend onderzoek. (2012)

Lees verder

 Bronnen


[i] Auteur Sietske Altink was aanwezig op deze bijeenkomst. Zo ook Jan Visser, Gail Pheterson, Margot St James en Violet, prostituee. Kathleen Barry weigerde de twee laatsten als officiële spreeksters te erkennnen.