Illustratie uit Klaasje Zevenster, een relaas van een verhandelde vrouw van Van Lennep

Illustratie uit Klaasje Zevenster, een relaas van een verhandelde vrouw van Van Lennep

De mensenhandelaar wordt vaak als een gevaarlijke vreemdeling beschreven. Aan het eind van de negentiende eeuw werden vooral joden beschuldigd van mensenhandel. Na de Wereldoorlogen was de typische vrouwenhandelaar een Afrikaan of Arabier die au-pairs aan een harem zou willen toevoegen. Later zien we de Afrikaanse man weer terugkomen als de tovenaar die plattelandsmeisjes door middel van voodoopraktijken uit hun vertrouwde omgeving weghaalt. Men vergeet dan licht dat de geperverteerde vorm van wat hier voodoo heet –  slechts fungeert als een handige truc om meisjes onder controle van de handelaren te brengen. (Afrika Studie Centrum, 2006) In Oost-Europa wordt de gevaarlijke vreemdeling door de zigeuner of beter, de Roma belichaamd. Hij is nu de ontheemde zonder burgerrechten die vrouwen ronselt voor de internationale mensenhandel. In Nederland is de meest recente vinding op dit gebied de ‘loverboy’, de bij voorkeur Marokkaanse of Antilliaanse crimineel die verliefde meisjes met mooie beloften in de prostitutie brengt en houdt. (Doezema, 2000).

De handelaren zijn echter niet altijd vreemdelingen maar zij zijn soms zelfs familie of goede bekenden van de vrouw. De klant Vincent Bakker (1997) had al van veel migranten gehoord dat ze door hun familie werden verhandeld en uitgebuit. In sommige gevallen gaat dat om Roma[vi]. Matei (2011) Maar ook familie van Hongaarse vrouwen zou bij de handel van hen naar Nederland betrokken zijn. (Rode Draad, 2011) De mensenhandelaar is dus zeker niet altijd een vreemdeling, maar ook niet altijd een man. In sommige gevallen hebben vrouwen een leidende positie in mensenhandelbendes. (Siegel en Blank, 2010, Siegel, 2007, Altink, 1993).

Slachtoffers vertellen altijd opvallend weinig over de handelaren. En de informatie die ze aan de politie geven, moet altijd in een strafrechtelijk kader worden geplaatst en komt in vertrouwelijke dossiers terecht. In de jaarlijkse rapportage van het BNM (vanaf 2001) wordt altijd wel de landen van herkomst en de leeftijden van de verdachten van mensenhandel opgegeven maar erg veel meer informatie over de verdachten is er niet te vinden. [vii] Werson (1012) schrijft dat volgens deskundigen mensenhandelaren vaak psychopaten zijn. Wat de handelaar betreft, is er alleen enig onderzoek gedaan naar de zogeheten loverboys; ze zijn vooral allochtoon, de grootste groep is 20-30 jaar oud, ze zijn laag opgeleid en werken veelal alleen of in kleine groepen. De meerderheid is veroordeeld voor andere delicten. (Dijke en Terpstra, 2005). Andere gegevens over de handelaren zijn schaars. Voor zover wij weten heeft slechts één van hen een autobiografisch werkje gepubliceerd. Dit was Dirk Trioen, volgens zijn eigen zeggen een van de minder belangrijke leden van de 8-bende-van-de-miljardair. [viii] (Trioen, 1993). In dit boekje vertelt hij hoe hij van bodyguard en vrachtwagenchauffeur is opgeklommen tot een functie  waarin hij tot taak had de politie om te kopen. Hij beschrijft ook duidelijk, iets wat ook in de rechtszaak naar voren is gekomen, dat de bende in haar beginperiode veel geweld gebruikte, in drugs en vastgoedfraude deed en wapens in haar bezit wist te krijgen.

Er is echter één gelegenheid bij uitstek om de handelaren sprekend te horen optreden: tijdens de rechtszaken die vanaf de publieke tribune zijn te volgen. De handelaren zijn daar onveranderlijk in de verdediging; ‘de meisjes’ waren verliefd op hen, verhalen over verkrachting zijn slechts praatjes die uit jaloezie voortkomen. Ze wisten dat ze in de prostitutie terecht zouden komen, ze wilden uit zichzelf bij hen wonen, ze kregen keurig betaald. De handelaren hadden alleen maar aan ‘ontwikkelingshulp’ gedaan.

Fragment telefoontaps, voorgelezen tijdens de rechtszaak van de Bende van de Miljardair: (juli 1997)

M.  had X.  gevraagd of hij niet te veel meisjes had ‘opengetrokken’. Er was ook een gesprek over een Filipijnse en een Tsjechische. We citeren:  ‘de Filipijnse werkt goed. Ze werkt met plezier.’

‘En de Tsjechische?

‘Die is flink opengetrokken.’ (SA: verkracht)

‘Door wie?”

‘Door jou’.

‘Je bent flink tekeer gegaan.’

Een telefoontap tussen twee andere bendeleden: ‘Geef ze een jurk en make-up. Voor 200 dollar mag je ze zo vaak nemen als je wilt’.

 

 

De exploitant

In de volksmond wordt de exploitant vaak gelijkgesteld aan de pooier. Dat is niet terecht. Een enkele (oudere) exploitant is weliswaar begonnen als kleinschalige pooier, zoals bijvoorbeeld Frits Adriaanse, bijgenaamd Frits van de Wereld, maar is zich later, zoals zovele anderen, gaan toeleggen op de hasjhandel en het gokwezen. Een verleden in de gokwereld komt opvallend vaak voor bij de oudere generatie exploitanten: Zwarte Jopie, Ger Driel Vis en Theo Heuft. De laatste was eigenaar van Yab Yum. (Heuft, 2009). Driel Vis was kandidaat exploitant voor het Eroscentrum Rotterdam en Zwarte Jopie exploiteerde gokhallen naast sekstheaters. (Kingma, 2002). Vanaf halverwege de jaren negentig zijn er ook mensen uit totaal andere (niet criminogene) branches exploitant geworden, bijvoorbeeld uit de meubelbranche.

Tot 2000 waren veel exploitanten echter wel medeplichtig aan vrouwenhandel. Sommigen waren zelfs direct betrokken bij de rekrutering van vrouwen.[ix] In aangiften uit de periode van voor 2000 komen verhalen voor over meeprofiterende exploitanten in onder andere Den Haag, Haarlem, Rotterdam, Amsterdam, Den Bosch en Limburg. Zij stopten een deel van het geld dat de klant betaalde in een envelop en bewaarden die voor de handelaar. Die kwam op gezette tijden de gelden ophalen.[x] C.Fijnaut, in 1995 onderzoeker voor de Cie Van Traa: ‘In Nederland vond ik de betrokkenheid van clubeigenaren bij vrouwenhandelzaken opvallend. Ze verdienen er soms vies grof geld aan en ze weten heus wel dat het niet in de haak is.’ (Geciteerd in Altink en De Bruijn, 1996 pp 5-9)

Later bevestigden E. van Dijk (2002)  en de Nationale Rapporteur (Tweede Rapportage, 2003) dat exploitanten voor de legalisering veel meer van vrouwenhandel profiteerden dan in de periode daarna. Brand (1996) vermeldt dat de betrokkenheid van exploitanten in dat tijdsgewricht per regio verschillend werd beoordeeld. In Rotterdam meende de gemeente dat exploitanten erbuiten stonden; in Limburg daarentegen werden ze als medeplegers beschouwd. Ruth Hopkins beschrijft hoe een exploitant in Nieuwegein die van mensenhandel beschuldigd was gewoon een vergunning kreeg. (Hopkins, 2005). Overigens waren er in die periode ook exploitanten die meteen de politie belden wanneer er zich handelaren met vrouwen meldden. Die regionale verschillen bleven de eerste jaren na de legalisering bestaan. Dit kwam vooral in gemeenten voor waar men weinig aandacht voor een prostitutiebeleid had.

Wanneer zij niet direct betrokken waren, bagatelliseerden ze het nogal eens. Zie bijvoorbeeld hoe de VER (Vereniging Exploitanten Relaxbedrijven) de volgende situatie in 1999 beoordeelde:  een groep Braziliaanse vrouwen moest per persoon 4200 gulden voorschieten voor een ticket dat 1500-2000 gulden kostte. Deze vrouwen betaalden 100 gulden per week voor het slaapadres en 35 gulden voor schoonmaak. Ze sliepen samen in één bed. Daarnaast moesten ze nog 50 procent afdragen. Ze hadden een beperkte bewegingsvrijheid. Ze werkten zeven dagen per week van twaalf uur ‘s middags tot vier uur ‘s nachts. Ze moesten hun paspoort afgeven en mochten niet weg wanneer zij dat wilden en konden hun geld niet opeisen. Ook werden ze bedreigd door de exploitant en zelfs geslagen, bijvoorbeeld omdat ze een relatie met een klant kregen. Ze kregen 500 gulden boete als ze buiten de club om contact met een klant hadden. Klanten moesten vrouwen voor hoge bedragen vrijkopen. (Averdijk, 2002). De VER: ‘Het is weliswaar uitbuiting, een ‘zakelijke onvoordelige situatie’ en niet zozeer pure dwang. De vrouwen zaten in een betere situatie dan in hun eigen land, dus is het geen mensenhandel.’ (Geciteerd in Averdijk, 2002).

Een groot deel van de malafide exploitanten is door de legalisering weggesaneerd. Tevens heeft er zich bij de exploitanten een mentaliteitsverandering voltrokken. In 2004 hebben organisaties van club- en privéhuisexploitanten een convenant gesloten om vrouwenhandelaren uit de bedrijven te weren en vonden ze de hierboven geschetste situatie wel degelijk vrouwenhandel.

Raamexploitanten beweerden en beweren nog steeds dat het niet in hun bedrijf voorkomt. ‘Meisjes die vastgeketend zijn aan de verwarming’, zo beschreef de voorzitter van de organisatie van raamexploitanten zijn beeld van vrouwenhandel. (Bijv. Opzij, 1 febr. 1999.) ‘Ik heb niemand hier werken uit een Derde Wereldland die dacht dat ze receptioniste zou worden’,  vertelde een van de raamexploitanten ooit.

 

Een minder beperkte opvatting van de delictsomschrijving had een andere raamexploitante:

Een Bulgaarse vroeg of een vriendin bij haar mocht werken. Op het laatst kwamen er steeds meer. Ik ging bij een van die vrouwen naar binnen en die zei, ga weg, wij worden allemaal gedwongen. De vrouwen mochten van mij niet overdag EN ’s avonds werken. Dus dan gingen ze ’s avonds ergens anders heen. Ik ging ze een keer een kerstpakket brengen. Toen merkte ik dat ze bang waren; ze moesten weg om ergens anders te gaan werken. Ik heb de politie gebeld en die heeft met die vrouw gepraat die zei dat ze gedwongen was. Die kon niets want ze had de politie verteld dat het geld voor pappie en mammie was. Ik heb haar toen geld gegeven zodat ze met de bus naar huis kon. (Februari 2011)

Door de ontwikkelingen op de werkvloer van prostitutiebedrijven, bijvoorbeeld de opting-in regeling en andere controles door de Belastingdienst, de intensievere controle door de politie en de aanwezigheid van goed geïnformeerde sekswerkers, is het nu veel moeilijker voor de exploitant om direct mee te werken aan de afdrachten aan mensenhandelaren. Exploitanten hebben bovendien een goede reden om alert op mensenhandel te zijn; het aantreffen van slachtoffers in het bedrijf kan ze immers hun vergunning kosten.

De exploitant kan de mensenhandelaar uit het bedrijf weren, maar hij kan niet voorkomen dat een vrouw buiten het bedrijf door een of meerdere mensen onder druk wordt gezet. De exploitant van het bedrijf waar we veel contacten voor het onderzoek hebben gelegd, probeerde in zo’n geval een gesprek met de vrouw aan te gaan. ‘Je merkt het als ze steeds sms’jes krijgt of steeds gebeld wordt met de vraag hoeveel ze heeft verdiend. We vragen dan aan de politie of die eens met zo’n vrouw wil praten’.

Sinds 2005 heeft men oog voor mensenhandel in andere sectoren dan prostitutie. De Nationale Rapporteur publiceert de gegevens over deze ‘daders’ in haar rapportages.

 

Sietske Altink, 2012

Lees verder

 Bronnen

[vi] Matei runt een opvanghuis voor slachtoffers in Roemenie.

[vii] Van sommigen kennen we hun beroep voordat ze mensenhandelaar werden of dat ze nog uitoefenden tijdens hun activiteiten als mensenhandelaar. De Stoop noemt bijvoorbeeld een oud- voetbalinternational. (1992)

[viii] Hij kwam vermoedelijk na de drie bendeleiders en hun regionale filiaalhouders in Brazilië, Hongarije, Polen, De Philippijnen, Indonesië en Thailand

[ix]  Bijvoorbeeld een exploitant uit Twente.

[x] In verband met eerdere publicaties: in het blad Keerzijde van de toenmalige Stichting tegen Vrouwenhandel en het artikel in Rijp en Groen, Grenzeloos ondernemerschap in vrouwenhandel, zijn geanonimiseerde aangiften bekeken.

[xi] Bakker, 1998, noemt dit overigens ook.