In 2008, toen de commotie over loverboys op haar hoogtepunt was, publiceerde Maria Mosterd, een slachtoffer van zo’n loverboy het boekje: Echte mannen lusten geen kaas. Het werd een bestseller; zo’n 300.000 exemplaren vlogen over de toonbank. Maria werd een graag geziene gast in talkshows. Kort daarna publiceerde haar moeder Lucie Mosterd, een boekje over hoe het is om een slachtoffer als kind te hebben. Daarna duikt ook Lucie in allerlei televisieprogramma’s op.

duivelMaria beschrijft in haar boek hoe ze op haar twaalfde op haar eerste schooldag met haar ‘loverboy’ kennismaakte. Ze was weliswaar gewaarschuwd voor foute vriendjes, maar wie had kunnen denken dat deze niet zo knappe, dikkige jongen die haar nooit complimentjes en cadeautjes gaf, een loverboy was? Het relativeren van het klassieke ‘loverboy verhaal’ zag ze daarom als de schone taak die voor haar was weggelegd.

In de media dacht immers iedereen te weten wat een loverboy is: een meestal allochtone knappe jonge man die een jonge vrouw (meisje) met cadeautjes en complimenten inpalmt met als doel haar de prostitutie in te manoeuvreren. Zo’n meisje zou worden gehersenspoeld en geen contact meer met haar eigen omgeving mogen hebben. Dit proces heet grooming. De slachtoffers zouden weinig zelfbewustzijn hebben en uit problematische gezinnen komen. [i]  En passant werden zo zowel de slachtoffers als hun omgeving in het klassieke loverboyverhaal gestigmatiseerd. [ii]

Het begin ofwel de sleutelgebeurtenis

loveboy internetDe ‘loverboy’ zou ontdekt zijn tijdens een mensenhandelzaak die in 1995 in Utrecht voor de rechter kwam. Toevallig zat ik als verslaggever op de publieke tribune. De verdachten waren een paar jonge Marokkanen. Hun vrienden waren tijdens de schorsingen druk in de weer met piepers.[iii] Maar niet de verdachten en hun trawanten trokken de meeste aandacht. Dat deden de slachtoffers doordat enkelen onder hen hun ‘jongens’ in bescherming namen. Ze beweerden alles vrijwillig en uit liefde te hebben gedaan. De politie stond perplex en vroeg zich af wat er aan de hand was.

De term loverboy werd toen nog niet gebezigd. Men had het nog over pooiers en vrouwenhandelaren. In 1997 werd de term loverboy slechts één keer gebruikt en wel bij de aankondiging van een televisieprogramma. (Volkskrant 5 februari 1997, Hansen, 2006) Pas in 1998 kwam de term loverboy in zwang, en wel door het volgende:

ROBERT VERKERK; SANDER KUYPERS, ANP − 17/09/98, 00:00

SCHOONHOVEN (ANP) – Op een zonnige zondagmiddag ging ze aan de oever van de Lek een ijsje halen. Zes weken later zat ze achter het raam en woonde ze samen met haar ‘loverboy’.

Mooi meisje, (kleine letters): dom sletje. enz.

Mooi meisje, (kleine letters): dom sletje. enz.

Vanaf toen hielp er geen moedertje lief meer aan. Overal in de media verschenen verhalen over de loverboy. Die werden ‘onderbouwd’ met allerlei cijfers.

De organisatie Child Right beweerde in 2001 dat er 9000 vrouwelijke en 6000 mannelijke slachtoffers van de loverboy- constructie in Nederland waren. Dat is heel veel, gelet op het toen geschatte aantal van 20.000 prostituees in Nederland. (Vanwesenbeeck en Venicz, 2000) [iv]. Zo bont als Child Right maakten andere organisaties het niet, maar die hebben evenmin betrouwbare schattingen aangeleverd. Het gebrek aan statistisch bewijs vulden zij aan door het tellen van ‘vermoedelijke’ slachtoffers. Ook namen ze een categorie ‘risicomeisjes tot 23 jaar ’ – jonge vrouwen die geen duidelijk slachtoffer waren maar het konden worden- in de statistieken op. Dit betekende dat volwassen vrouwen van 18-23 tot ‘meisjes’ werden ‘gedegradeerd’.[v] Bovendien werden slachtoffers die niet in de prostitutie belandden maar als drugskoerier fungeeden of leningen moesten afsluiten, er ook toe werden gerekend. Dat gold ook voor minderjarige prostituees. Maar zij zijn niet per definitie slachtoffer van een loverboy.

Loverboys ook in Putten

Loverboys ook in Putten

De organisatie Movisie, identificeerde in het eerste halfjaar 129 (vermoedelijke) slachtoffers in Nederland, waaronder 27 duidelijke gevallen. Bij Comensha schommelt het aantal meldingen per jaar tussen 180-210. Helaas heeft Comensha de gewoonte ook vermoedelijke slachtoffers mee te tellen. Daar komt nog bij dat de instellingen die zich met de slachtoffers bezighielden,  gebrekkig registreerden en geen eensluidende definities van loverboy hanteerden. (Verwey Jonker Instituut, 2011)

De meest betrouwbare schatting kwam van de criminoloog Frank Bovenkerk, die constateerde dat op een doordeweekse dag in Amsterdam gemiddeld 20 slachtoffers achter de ramen werkten. Maar de gemeente Amsterdam twijfelde aan die conclusies. [vi] Zo weinig maar?

Preventie en repressie van loverboys

Intussen werd de roep om overheidsmaatregelen luider. Er moest aan preventie gedaan gaan worden. Als ultieme preventie werden sommige meisjes die ‘duidelijk’ gevaar liepen in een al of niet gesloten instelling ingekwartierd. (Lune, 1997, Verwey Jonker, 2011)

Een ‘zachtere’ vorm van preventie was ‘voorlichting’. Zo moesten jonge meisjes worden gewaarschuwd dat verliefdheid wel een hele risicovolle gemoedstoestand was. Termen als ‘Gevaarlijke Liefde, Helse Liefde’, moesten er bij hen worden ingestampt. Tevens werd iedereen getraind op het herkennen van ‘signalen’ van mogelijk slachtofferschap. Dat waren bijvoorbeeld veranderingen in het uiterlijk en gedrag.

In alle uithoeken van Nederland werden voorlichtingsbijeenkomsten belegd. In 2011 telde het Verwey Jonker Instituut 74 anti-loverboy projecten. De loverboy- industrie was dus in ieder geval een bron van werkgelegenheid voor hulpverleners.

Het effect van voorlichting valt moeilijk te meten. Het feit dat voorlichting ook averechts kan werken, wilde men echter niet zien. Bij De Rode Draad kregen we af en toe jonge meisjes aan de telefoon die vroegen of we een loverboy voor ze konden regelen, want het leek hun zo spannend. Zij waren kennelijk aangetrokken door de gangsta-rap cultuur. Docudrama’s leverden aspirant loverboys ongewild tips op over hoe ze het moesten aanpakken. Politiefunctionarissen die in de media fabelachtige hoge verdiensten van loverboys noemden, brachten mogelijk bepaalde types op een idee.

Behalve preventief moest er ook repressief tegen loverboys worden opgetreden. Dat werd op het bordje van de politie gelegd. De politie behandelde de ‘loverboy constructie’ – terecht- als een vorm van mensenhandel. Politiefunctionarissen waren zeer gemotiveerd om signalen van uitbuiting door loverboys opvolging te geven, maar men stuitte steeds op het probleem dat bewijzen voor mensenhandel moeilijk aan te dragen waren. Niettemin bleef de hulpverlening en de media vasthouden aan de term ‘loverboy’. Dat is een definitie van het delict vanuit de visie van het slachtoffer, wat bij andere misdrijven niet het geval is. Een oplichter is toch geen gentleman- charmeur? In 2008 deed de toenmalige minister van Justitie Hirsch Ballin een poging de term loverboy te vervangen door het minder lieflijke ‘pooierboy’, maar dat heeft buiten het ministerie weinig zoden aan de dijk gezet.[vii]

Nieuw?

Amerikaan schrijft autobio over zijn ervaringen, jaren zestig.

Amerikaan schrijft autobio over zijn ervaringen, jaren zestig.

Het grote maatschappelijke probleem van de loverboy zou nooit eerder zijn onderkend. De vergelijking- of zelfs de juridische identificatie- van de loverboy met de mensenhandelaar roept echter de vraag op wat er zo nieuw is aan de loverboy. Het betreft hier immers hetzelfde soort pooierschap (met afhankelijkheid, dwang en dreiging) dat in 2000 mensenhandel is gaan heten. Dus niets nieuws onder de zon. Nieuw zou zijn dat de ‘verliefdheid’ en niet het geweld de methode van de loverboy uitmaakt. Dat is onzin, misleiding in naam van de liefde, zonder geweld is van alle tijden. In het verleden zijn vele vrouwen door een man verliefd gemaakt en de prostitutie in gemanipuleerd.  [viii].

Uit een interview uit 1988 met een vrouw die jaren achter het raam heeft gewerkt: ‘Ik was natuurlijk smoor en smoor verliefd. Dan denk je, wat is een half jaartje in een heel mensenleven, niks, het is voor een goed doel, etc, etc.’

Het zou ook een nieuwigheid zijn dat het niet om Nederlandse ‘penoze’ gaat, maar om allochtonen. Maar de als pooier optredende ‘vreemdeling’ kennen we ook al lang. In de jaren zeventig zagen we het fenomeen van de wakaman, de ‘hosselende’ Surinamer die een gevaar zou vormen voor jonge blanke meisjes. (Buiks, 1983) Volgens Bovenkerk ligt de verklaring voor dit fenomeen in het feit dat pooier worden een ‘ economische’ niche voor migranten is. Er is geen startkapitaal voor nodig, wat wel het geval is bij bijvoorbeeld drugshandel.

De term ‘loverboy’ suggereert iets internationaals. Maar in Angelsaksische landen kent men de term ‘loverboy’ in deze betekenis niet. Een Engelstalig publiek krijgt onvermijdelijk te horen dat ‘loverboy’ vertaald moet worden met ‘pimp’. Bovenkerk noemt de term ‘loverboy’ dan ook een soort fantasie- Engels. [ix]

Een hoog begaafde criminele dreumes

maria mosterdDe vele bochten waarin mensen zich moesten wringen om het (vermeende) verschil tussen loverboys en pooiers aan de man te brengen waren de eerste aanwijzingen dat het verhaal over loverboys niet zo sluitend was als iedereen wel dacht. Zo bleek bijvoorbeeld dat er ook vrouwelijke pooiers of mensenhandelaren actief waren. Geen probleem, dat waren gewoon ‘lovergirls’.

De eerder genoemde Maria Mosterd kluste ook bij als ‘lovergirl’. In haar boekje ‘bekende’ ze mensen in onder meer de Rotterdamse raamprostitutie aan het werk te hebben gezet. [x]

Huh? Raamprostitutie in Rotterdam? Die was sinds 1991 daar toch definitief verdwenen? Maria, die in 1989 was geboren, moet toen twee of drie jaar zijn geweest. Een hoogbegaafde criminele dreumes die mensen kon ronselen voor prostitutie? De politie die naar haar lezingen kwam, had toch beter moeten weten. En al die journalisten zoals Knevel en Van den Brink, die invoelend zaten te knikken wanneer het ‘slachtoffer’ los ging?

Maria beweert in haar schrijfsel dat ze op haar dertiende promoveerde tot spil in een criminele organisatie die niet alleen mensen maar ook drugs en wapens verhandelde. Een meisje van dertien als hoofd van een criminele organisatie? Toen dit ter sprake kwam bij Paul Rosenmuller, (bekijk hier het interview 10-1-2009) reageerde hij met een vraag in de trant van: had je niet in de gaten dat je een grens aan het overschrijden was? Hij had natuurlijk moeten vragen of het normaal was dat een criminele organisatie een naïef meisje van dertien als leider accepteerde.

Overal, ook bij Rosenmuller, mocht Maria vertellen dat ze ‘duizenden euro’s’ per dag verdiende. Hoe dan? In de prostitutie was dat moeilijk, zelfs als iemand in die tijd zo’n 16 uur per dag werkte. Of ze moet al dat geld verdiend hebben met haar bijbaan als (zogenaamd) crimineel kopstuk.

Maar Maria werkte geen 16 uur per dag in de prostitutie, want ze deed het alleen onder schooltijd. Dus moest ze een notoire spijbelaarster zijn geweest. Reden voor moeder Lucie Mosterd om een proces tegen de school aan te spannen waarin ze een slordige 74.000 euro eiste omdat de onderwijzers dit allemaal hadden laten gebeuren. In haar boekje Ik stond laatst voor een poppenkraam klaagt ze dat ze tijdens ouderavonden niets hoorde over het schoolverzuim van haar dochter. Dat is vreemd, want een béétje school trekt al bij de eerste spijbelactie aan de bel en wacht niet tot er een ouderavond plaatsvindt. [xi] Daar werd moeder Mosterd echter niet mee geconfronteerd toen ze als voorbeeld van een ‘sterke vrouw’ bij het programma Moraalridders van Knevel en van den Brink mocht aanschuiven. Overigens kreeg Mosterd het geld niet, want de rechter had in de verzuimstaten van de school geen enkele aanwijzing gevonden dat het meisje had gespijbeld. In een latere uitzending van Moraalridders van 12-1-2010, vraagt Knevel wel door, maar moeders blijft vaag.

Maria had geen aangifte gedaan tegen haar loverboy, maar wel van een groepsverkrachting. Deze daders zijn veroordeeld. Ze was dus wel degelijk slachtoffer. Maar is ze ook uitgebuit? Volgens mij door haar moeder, een volwassen vrouw, die zo nodig een boekje moest opendoen over het veronderstelde falen van de politie, de school en de hulpverlening. En wilde uitgeverij Van Gennep niet een klapper en ‘vergat’ even aan elementaire ‘factchecking’ te doen? Dat laatste is wel gedaan, maar door de journalisten Hendrik Jan Korterink en Peter R. de Vries die Maria als leugenaarster ontmaskerden. De affaire Mosterd luidde overigens wel de laatste fase van de hype in. Maar wat is een hype?

De hype

Een hype is een kortdurende door veel mensen gedeelde belangstelling. Dit kan een modegril zijn maar voor de hype rond de loverboy is de omschrijving van ‘hype cocktail’ van Jaap van Ginneken het meest van toepassing.

‘Een mix van feiten, reacties, commentaren, maar ook van opwinding, verontwaardiging of zelfs paniek. Het resultaat is vaak vertekening, overrapportage en het opblazen van de zojuist ontdekte verschijnselen.’ [xii]

Een media hype kent verschillende fasen. De eerste fase, de identificatiefase, begint met berichten over gebeurtenissen die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben. Vervolgens doet zich een opvallend voorval voor: in dit geval is de rechtszaak in Utrecht de sleutelgebeurtenis. Een aantal gebeurtenissen wordt met elkaar in verband gebracht, de stukjes van de puzzel vallen op hun plaats en al snel heeft men het over een maatschappelijk verschijnsel.

In de verbredingsfase gaan steeds meer journalisten ermee aan de slag. Ze gaan op zoek naar verschijnselen die er ook onder vallen. Redacties gaan nieuwe invalshoeken zoeken. In de jaren 1997 tot 2005 verschijnen 400 artikelen over loverboys in kranten. (Hansen, 2008) In juni 2007 zijn er 32 rapportages over loverboys op de tv geweest. (Bovenkerk en Pronk, 2007)

Belangenorganisaties gaan zich ermee bemoeien en wijzen naar de overheid die het ernstige probleem moet gaan aanpakken. Deze organisaties blijven de media voeden met nieuwe voorbeelden. Er wordt gesproken over het topje van de ijsberg, iets wat moeder Mosterd ook in haar boek en tijdens haar vele media-optredens deed.

In de volgende fase, de reactiefase, blijven autoriteiten en belangenorganisaties volhouden dat er maatregelen moeten worden genomen. Zo stelde wethouder Belliot in weerwil van de conclusies van Bovenkerk dat er nauwelijks uit Amsterdam afkomstige slachtoffers werden aangetroffen, dat voorlichting over loverboys op Amsterdamse scholen verplicht moest worden gesteld. (Hansen, 2008) Tenslotte komt er de uitdovingsfase: het probleem ‘slijt’ of de feiten worden weerlegd. [xiii]

Loverboys, een ernstig probleem, een hype of allebei?

Relaties waarin een persoon wordt mishandeld en/of uitgebuit, vormen een ernstig probleem. Die uitbuiting kan in de prostitutie plaatsgrijpen. Dit soort relatie met misbruik kennen we echter ook wel als een vorm van huiselijk geweld. In Nederland associëren we dat met geweld achter de voordeur. Maar laten we die voordeur eens wegdenken. Dan is het begrip wel degelijk van toepassing. Maar het probleem los je niet op door een hype rond de ‘loverboy’ te starten en te voeden. [xiv]

Sietske Altink

Bronnen:

[i] Overigens waren deze meisjes misschien minder willoos dan iedereen wel dacht. De paar slachtoffers die ik heb ontmoet hadden meestal met hun loverboy gebroken toen ze ontdekten dat hij nog meer vriendinnen aan het werk hadden.

[ii] Bij De Rode Draad werd ik ook wel eens gebeld door ouders die zich zorgen maakten en niet bepaald de indruk wekten een gebrekkige gezinssituatie te creëren.

[iii] In die periode waren mobieltjes nog geen gemeengoed. Zij gebruikten een soort beepers; die gaven een telefoonnummer door dat gebeld moest worden. De politie- ook aanwezig op de publieke tribune- herkende dit gedrag als typisch voor jonge dealertjes.

[iv] Het cijfer van 20.000 is een algemeen cijfer. Het is nooit hard gemaakt. Als je berekent hoeveel sekswerkers op een bepaalde dag aan het werk zijn, kom je op een lager cijfer. (Wagenaar en Altink, 2012)

[v] Die leeftijdsgrens van 23 had te maken met de hulpverlening. In sommige opvangcentra konden ‘meisjes’ tot hun 23ste terecht.

[vi] Persoonlijke communicatie.

[vii] De journalist die deze delinquenten ‘loverboys’ noemden zou achteraf beweerd hebben dat hij die term direct aan de geïnterviewde slachtoffers had ontleend.

[viii] We kennen het uit de (populaire) cultuur: het lied Surabaya Johnny van Brecht en het meisje van zestien van Boudewijn de Groot, ‘een kind, zestien lentes zo blind’

[ix] In België kwam de term ‘loverboy’ wel eens bovendrijven, maar vooral als een exportartikel uit Nederland. Tot mijn verbazing zag ik onlangs een Duitse ‘krimi’ uit met de titel ‘Loverboy’. Deze aflevering van Schimanski was echter geschreven door een Nederlander die zijn best deed om Duitsland duidelijk te maken dat de Nederlandse term loverboy slaat op een zeer gevaarlijk fenomeen: de pooier die in tegenstelling tot de gewone ‘pooier’ bezit neemt van de hele persoonlijkheid van het slachtoffer.

[x] In de uitzending van 23-9-2008 vertelde meisje Mosterd dat ze al kort nadat ze contact had gelegd met haar loverboy zelf nieuwe slachtoffers moest gaan ronselen.

[xi] Persoonlijke communicatie met een decaan van een school.

[xii] Geciteerd in Steven de Jong, website: Politiek-actie-net, gepubliceerd op 5-2-2004, geraadpleegd op 7-11-2015

[xiii] Vasterman, P., geciteerd in Academie voor overheidscommunicatie. Februari 2004. (Naar aanleiding van een studiedag over het onderwerp.

[xiv] Een dieptepunt in de hype was een uitzending van het programma Vermist van de Tros op 10 maart 2000. Een jongen deed een oproep om via een hulpverlener zijn vriendin te zoeken die op De Wallen zou werken. Zij werd gevonden en twee weken later was ze dood, vermoord door de vriend die de oproep had gedaan.