In 1810 werd in Nederland de reglementering naar Frans voorbeeld ingevoerd. Alle bordeeleigenaren moesten zich bij de politie melden. De publieke vrouwen dienden zich te laten registreren. Na inschrijving kregen ze een rode kaart waarop de uitslag van het verplichte medische onderzoek stond vermeld. Ze moesten dat twee maal per week ondergaan. Zo’n onderzoek kostte de vrouw 15 stuivers. In Amsterdam brachten de keuringen in totaal 14.440 gulden op. Met dat geld werden de chirurgijnen betaald. Wanneer de vrouwen ziek bleken te zijn kregen ze een witte kaart. Dit betekende een werkverbod of zelfs een opname. De vrouwen die niet naar de visitatie – destijds de term voor de verplichte controle- kwamen, kregen straf. Door het vertrek van de Franse troepen kwam hier een einde aan. (Slobbe, 1937).

Gynaecologische instrumenten uit de 19de eeuw, te zien in het Boerhaavemuseum te Leiden.

Gynaecologische instrumenten uit de 19de eeuw, te zien in het Boerhaavemuseum te Leiden.

Daar was niet iedereen blij mee. In juli 1816 verzocht Koning Willem I via de Gedeputeerde Staten de gemeenten om verordeningen uit te vaardigen ‘tot genezing en stuiting van verdere uitbreiding der venerische ziekten.‘ Veel militairen waren namelijk met syfilis besmet. Hij verweet de burgerlijke autoriteiten zorgeloosheid in deze. (Slobbe, 1937) Niet alle steden waren enthousiast over dit plan. Vooral de grote steden –behalve Den Haag- verzetten zich ertegen. (Stemvers, 1985)

De burgemeester van Amsterdam vroeg uiteindelijk de Directeur der Politie en een stedelijke commissie van geneeskundig toezicht om advies over een verplichte keuring zoals onder het Franse bewind gangbaar was. De conclusie luidde dat publieke vrouwen weer onder politietoezicht moesten komen en dat de visitatie – ofwel het verplicht geneeskundig onderzoek –  in ere moest worden hersteld opdat besmette vrouwen in een gesticht konden worden opgesloten. De burgemeester was het daar echter niet mee eens. Hij vond het gedoe met de kaarten in strijd met de waardigheid van de overheid en bovendien een aanmoediging om de prostitutie in te gaan.

‘Indien de vrouwen weten en ondervinden dat zij bij besmetting met de teederste zorgen in een afzonderlijk gesticht worden verpleegd tot welstand en als het ware tot nieuwe geschiktheid worden gebracht, is het natuurlijk dat zij nog lichtzinniger het kwaad tegemoet treden en de ontucht aanmoedigen en vermeerderen’. (Geciteerd in Slobbe, 1937, pagina 45) Die ‘teederste zorgen’ behelsden meestal het ondergaan van de ruwheid van het meestal beschonken personeel in het Buitengasthuis. (Stemvers, 1985)

Tevens wilde men ook niet dat prostituees en groupe naar de dokter gingen en zodoende veel bekijks trokken. (Stemvers, 1985). In Rotterdam had men dit ‘opgelost’ door de prostituees extra te laten betalen voor een arts die naar het bordeel kwam. Sowieso vormden de hoge kosten waarmee dit gepaard ging een probleem. Officieel waren er in Amsterdam 800 prostituees, maar dat zouden er ook wel eens 3000 kunnen zijn. Het zou heel duur zijn om hen allemaal regelmatig te laten controleren.

Wie betaalt de dokter?

Het college van Burgemeester en Wethouders van Utrecht, maakte er nauwelijks gelden voor vrij. De arts in Utrecht, Goudoever, werkte echter voor niets. Hij was de zoon van de politiecommissaris en zag het onderzoek als een middel om vrouwen te kunnen bestuderen. Daarom wilde hij het wel onbezoldigd doen. Hij kampte namelijk met het probleem dat weinig vrouwen zich voor onderwijsdoeleinden beschikbaar wilden stellen.

Overige verpleegkosten werden – en niet alleen in Utrecht- verhaald op de gemeente waar de vrouw was geboren. Andere uitgaven werden uit het politiebudget gehaald. Pas twintig jaar na de invoering van dit Utrechtse systeem werd de gemeenteraad van deze regeling op de hoogte gesteld.

Dokter van Goudoever

Dokter van Goudoever

Het was moeilijk om een arts te vinden die bereid was dit werk dat vaak ook nog eens onderbetaald was, te verrichten. De visiteur in Amersfoort kreeg slechts 200 gulden per maand. (Stemvers, 1985) Alleen in Den Haag en Rotterdam investeerden de stadsbesturen in uitbreiding en verbouwing van de verpleeglokalen.

De prostituees met klachten werden aanvankelijk niet geloofd. Jannetje Klatten en van Johanna Christa van der Graaff, die juffrouw Truitje bontkleding hadden geschonken maakten ondanks hun angst voor het ziekenhuis hun klachten wel hard. Toen een van deze twee vrouwen bij een tweede bezoek geen cadeau voor Juffrouw Truitje bij zich had, mocht ze niet naar de dokter. Dit speelde rond 1885. (Seidler, 2011)

Uit de registers blijkt dat sommige vrouwen meer dan zeven keer in het Rotterdamse ziekenhuis waren opgenomen. Genezing bleef meestal uit. Dat is niet verwonderlijk want er waren nog geen adequate medicijnen. En de wijze waarop de visitatie verliep was niet bepaald bevorderlijk voor de gezondheid. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het verslag van een Nederlandse geneesheer die in 1889 naar Brussel en Parijs was geweest om daar visitaties in de publieke huizen bij te wonen.

Hij schreef “Met verwonderlijke oppervlakkigheid werd in korte tijd een groot aantal vrouwen gevisiteerd. Deze visitaties gingen gewoonlijk niet verder dan de genitaliën en bepaalden zich meestal tot een vluchtige applicatie van het speculum: ‘zoodat niet meer dan een paar minuten aan het onderzoek van iedere vrouw werd besteed’. Volgens hem gebeurde het in Brussel omstandiger, maar ook niet nauwkeurig. Ook de waardige houding van de geneesheren liet te wensen over. Bovendien werden die artsen door hun omgeving veracht. (Nater, 1986, p. 51)

Aletta Jacobs maakte als eerste vrouwelijke arts zo’n visitatie mee. Ze schreef:

Op zekere dag verzocht een der hoogleraren mij, met hem en zijn assistent naar een bijlokaal van het ziekenhuis te gaan, waar negen armoedig gekleede vrouwen onze komst bleken te verbeiden. Op ruwen toon werd haar gelast, zich een voor een te ontblooten en op een houten tafel te gaan liggen. Zonder dat ze ook maar met een vinger werden aangeraakt, bekeken de mannen hunne ‘objecten’. Een kort overleg volgde, waarna zeven vrouwen konden vertrekken en de andere twee de aanzegging kregen zich naar het hospitaal te begeven. De zeven vrouwen verdwenen onder geleide van een brutaal uitziende kerel door wien zij werden opgewacht. (De Vries, 1997, p. 16.

Hoeden en dweilen

Stoel gebruikt voor onderzoek

Stoel gebruikt voor onderzoek

Hoe ging het? De vrouw trok haar broek uit en moest op een tafel klimmen die meestal op een podium stond. Soms was dat een gewone keukentafel, soms een sofa met een verhoging. Het voeteneinde stond richting raam om voldoende licht te krijgen. De bank moest zodanig worden geconstrueerd dat de vrouw haar hoed kon ophouden, want het op- en afzetten van de hoed kostte te veel tijd. Daarna volgde een inspectie van de liezen, genitaal onderzoek en een inspectie van de anus. Er werd op gezwollen klieren gecontroleerd. Soms werd er een speculum gebruikt. Rubberen handschoenen waren er nog niet. Als de vrouw een twijfelgeval vormde werd ze naar het ziekenhuis doorgestuurd. In dat geval maakte de dokter de tafel schoon met een dweil.

Het geringe resultaat van de behandelingen- als er al iemand genas dan was dat waarschijnlijk een spontane genezing- droeg bij aan de afschaffing van de reglementering. Een van de artsen die de keuringen moest doen, Chanfleury van Ijsselstein, sloot zich aan bij het verzet tegen de reglementering.

Sietske Altink

Bronnen

Lees meer:

Inleiding: prostitutie en soa

Geschiedenis van de Syfilis

Clubartsen

De komst van aids in de prostitutiewereld

De geschiedenis van het condoom