Register prostituees, 19de eeuw.

Vanaf de jaren tachtig meent de politie registratie in te kunnen zetten als remedie tegen mensenhandel, toen nog vrouwenhandel geheten. In 1985 werd bijvoorbeeld in de Haagse Vervolgnota Prostitutiebeleid voorgesteld een voorzichtige vorm van registratie te introduceren om mensenhandel tegen te gaan.

Bepaalde politiekorpsen, bijvoorbeeld Twente en Rotterdam, registreerden in de jaren tachtig en negentig illegale vrouwen, die vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel waren. De exploitanten kwamen met pas gearriveerde vrouwen naar het bureau om een gedoogstempel te halen. In 1997 vertelde een vertegenwoordiger van de politie Twente tegen De Rode Draad dat de paspoorten van deze vrouwen via de exploitanten bij hem terechtkwamen. (Klik hier voor het verslag van het gesprek) De politie had zo contact met ze en kreeg bijvoorbeeld te horen dat ze hoge schulden bij exploitanten hadden. Maar als de vrouwen de aangiften niet door konden of wilden zetten, stond de politie machteloos. Onder de ogen van de politie ging de vrouwenhandel in zo’n geval gewoon door. De politiediensten Twente en Rotterdam stopten er daarom eind jaren negentig mee, maar op andere plaatsen (Groningse Ommelanden en Alkmaar) werden tot 2004 door De Rode Draad nog vrouwen met gedoogstempels gesignaleerd. [ii]

Nu geeft men sekswerkers in spe in enkele grote steden informatiemateriaal tijdens een intakegesprek. Maar volgens de nieuwste richtlijnen van bijvoorbeeld Amsterdam mag men geen privacy- gevoelige informatie noteren, maar moet men wel een verslag maken. Overigens hebben sekswerkers het meeste aan info als ze aan het werk zijn en al doende tegen problemen aanlopen. Moeten ze bijvoorbeeld meedoen aan acties om meer klanten te werven? Veldwerk om die informatie ter plekke te verstrekken is een goed alternatief voor registratie en intake- gesprekken.

Er dringt zich een historische parallel op. Aan het eind van de negentiende eeuw werd een ambtenaar naar de bordelen gestuurd om zich ervan te vergewissen dat een nieuweling op de hoogte was van de aard van het bedrijf. Dit gebeurde op grond van de wet Van Houten uit 1886:

‘De bordeelhouder die in het huis waarin hij zijn bedrijf uitoefent, eene niet tot zijn gezin behoorende vrouw opneemt, zonder haar vooraf, op voor haar verstaanbare wijze, in tegenwoordigheid van den burgemeester of van den door deze aangewezen ambtenaar op diens bureel te hebben bekendgemaakt met het bedrijf dat aldaar wordt uitgeoefend, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Bossenbroek en Kompagnie, 1998)

In zes maanden tijd leverde dit twee vrouwen op die ander werk wilden maar toch weer in de prostitutie terug gingen. Deze laat negentiende eeuwse actie leverde in ieder geval informatie op over ‘waar ze zaten’. En wat dan nog? Was het eigenlijke doel niet de vooral Franse geregistreerde vrouwen op hun plaats te houden? De autoriteiten wilden namelijk niet dat ze op straat of elders ‘clandestien’ gingen werken. Deze migranten werkten aan het eind van de negentiende eeuw in bordelen met geblindeerde ramen. Mensenhandel was toen juist een reden om de reglementering met registratie af te schaffen.

Protest van de Duitse organisaties

De politie begon er weer mee toen bleek dat sekswerk niet te onderdrukken viel. De zedenpolitie, aan het begin van de 20ste eeuw in verschillende steden opgericht, speelde hierin een rol. De Duitse bezetter stuurde op grond van de registratie zeker veertig Rotterdamse sekswerkers naar kamp Vught. In de jaren tachtig werden de protesten tegen registratie luider en leidden vooral uit Groningen tot klachten bij de Registratiekamer, de voorloper van de Autoriteit Persoonsgegevens. In 1997 velde die een vernietigend oordeel over de legitimiteit van registratie. Dat mocht alleen als de sekswerker van een misdrijf werd verdacht. Dit betekende echter niet dat gemeenten en politiekorpsen geheel stopten met registratie. Doordat het wel toegestaan was vermoedelijke slachtoffers te registreren in een ‘slachtoffervolg’ systeem, kwamen sommige politiefunctionarissen op het idee om iedere sekswerker totdat het tegendeel was bewezen, als vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel te zien. Dat gebeurde bijvoorbeeld in Nijmegen. De Rode Draad was naar aanleiding van een klacht over politieregistratie van medewerkers van een SM salon voor een gesprek naar die stad afgereisd. Het ging om Nederlandse vrouwen tussen de 30- en 40 jaar die geen enkel signaal afgaven slachtoffer van vrouwenhandel te zijn. Integendeel; ze waren allen zelfstandig en werkten met plezier als meesteres. In 2001 [I]op 23-10- 2001 verdedigde de politie hun registratie met het argument: ‘Pas als een vrouw bij Albert Heijn is gesignaleerd, weten we zeker dat er geen vrouwenhandel in het spel is.‘

Men verwacht dat registratie op magische wijze de vrouwenhandel doet verdwijnen. Daarom had het stadsbestuur van Utrecht in 2010 verplichte registratie ingevoerd. Ondanks al dat geregistreer is het Zandpad in 2013 toch wegens mensenhandel gesloten. Wolfsen was toen nog geen voorzitter van – o ironie- de Autoriteit Persoonsgegevens maar burgemeester van Utrecht. Als burgemeester achtte hij registratie een probaat middel tegen mensenhandel.  Maar hij kon niet uitleggen waarom. Hij gaf in het programma Schepper & een fraai staaltje van magisch denken op dit gebied. Hij zei letterllijk: ‘We denken dat het helpt en daarom doen we het’.[II]29-11-2012

In landen waar sekswerkers door de politie worden geregistreerd tiert echter de vrouwenhandel nog welig. Bovendien is de relatie daar met de politie slecht wat de aangiftebereidheid niet ten goede komt. Voorstanders van registratie stoppen hun oren dicht als deze argumenten naar voren worden gebracht.

Gert Jan Segers van de ChristenUnie probeerde tijdens een uitzending van Pauw op 30 mei 2018 de sekswerkers van Proud te beschuldigen van gebrek aan solidariteit met slachtoffers van mensenhandel omdat ze zich tegen registratie verzetten. Overigens vraagt men slachtoffers van mensenhandel nooit wat er volgens hen moet worden gedaan. Zij worden immers niet als mondig gezien en kunnen dus ook niet protesteren tegen de wijze waarop hun collega’s tegen hen worden uitgespeeld. Ik heb meer slachtoffers gezien en gesproken dan Segers. Maar niet één heeft ooit registratie aanbevolen. Sterker nog, enkelen hielpen met verzamelen van handtekeningen tegen registratie.

Het gunstige effect van registratie van sekswerkers om welk doel dan ook te bereiken, zoals bijvoorbeeld terugdringen van syfilis in de negentiende eeuw, is nooit aangetoond. En niemand heeft tot nu toe kunnen uitleggen waarom registratie mensenhandel tegengaat. Zelf heb ik nooit -ook niet in de tijd dat ik bij STV werkte en toen ik later bij Atalantas, een zelforganisatie van slachtoffers van mensenhandel, betrokken was, ooit een slachtoffer horen pleiten voor registratie van sekswerkers als middel tegen mensenhandel.

Slechts eenmaal heb ik gehoord dat registratie vrouwen heeft gered. Maar dat ging om ‘registratie’ van een handelaar, niet van de vrouwen. De politie had de gegevens van een handelaar genoteerd waardoor hij kon worden afgeluisterd. Bijgevolg kon de politie tijdig ingrijpen toen hij op pad ging om twee slachtoffers te vermoorden. Deze vrouwen zijn dus letterlijk gered.

Niet altijd hebben strijders tegen mensenhandel registratie als heilzaam gezien. De Stichting tegen Vrouwenhandel (STV), de voorloper van Comensha was tegenstander van registratie van sekswerkers, toen nog prostituees geheten. Dat blijkt uit een rapport dat de criminologe Marga de Boer (actief lid van De Roze Draad) in samenwerking met STV in 1994 over de richtlijnen inzake vrouwenhandel schreef. (Klik hier voor dit schrijven). Zij wijdt enkele alinea’s aan politieregistratie die zij overigens als contraproductief in de strijd tegen vrouwenhandel ziet:

Minder dan de helft van de afdelingen van de zedenpolitie voert een registratie van prostituees. “Er wordt geregistreerd op (werk) naam en werkadres en er wordt een foto van de prostituee gemaakt. Waarom de ene afdeling van de zedenpolitie wel en de andere niet registreert is niet duidelijk. Als redenen voor de registratie worden door de zedenpolitie genoemd handhaving van de openbare orde en het zicht krijgen op strafbare feiten zoals tippelen, vrouwenhandel etc. Aan prostituees wordt als reden opgegeven dat de registratie is bedoeld ter bescherming van hun eigen veiligheid of om vrouwenhandel tegen te gaan. Als bijkomend argument wordt door de zedenpolitie aangegeven dat de registratie geheel vrijwillig is. Er is geen wettelijke grondslag om medewerking aan deze registratie af te dwingen. Volgens informatie van Stichting De Rode Draad mogen in sommige steden of werkvormen (raam-, straat-, of clubprostitutie) vrouwen niet eerder werken voordat ze zich hebben gemeld bij de zedenpolitie voor registratie. Veelal is een dergelijke regeling in overleg met de exploitanten tot stand gekomen. Bij prostituees echter werkt de registratie wantrouwen  jegens de politie in de hand. Voor vrouwen die het slachtoffer zijn van vrouwenhandel kan dit tot gevolg hebben dat zij niet naar de politie durven om aangifte te doen. Bovendien is bij registratie van één specifieke groep door de politie het gevaar voor criminalisering groot. Het vestigt de nadruk op één groep en om deze reden moet worden gecontroleerd en als probleem beheersbaar moet zijn. Andere groepen blijven buiten beschouwing. …

Op grond van informatie uit de interviews moeten er vraagtekens bij de vrijwilligheid van de registratie worden geplaatst. Er wordt niet echt duidelijk  gemaakt welke steekhoudende reden de zedenpolitie heeft om juist deze groep te registreren. Dat afdelingen van de zedenpolitie niet helemaal zeker lijken te zijn van de gronden voor registratie, is af te leiden uit de reacties van politiefunctionarissen over de registratie van prostituees.  Politiefunctionarissen van verschillende korpsen vertellen dat zij na het vraaggesprek door onderzoekers van de Registratiekamer, hun registratie tijdelijk of definitief hebben gestopt. Het niet langer hanteren van een registratieplicht sluit aan bij de conclusie in het rapport van de Werkgroep Vrouwenhandel. De werkgroep is van mening dat voor een goede uitoefening van de politietaak in de opsporing van vrouwenhandel een registratieplicht voor prostituees niet noodzakelijk is. [III]De Boer, 1994 pp 51-52

Geen remedie tegen mensenhandel

De strijd tegen registratie beperkt zich niet tot Nederland. In Nieuw -Zeeland werd de politieregistratie direct na de wetswijziging afgeschaft. In Duitsland is het één van de speerpunten van de organisaties van sekswerkers. In Oostenrijk wordt het bestreden als zijnde een ernstige schending van de mensenrechten en in combinatie met het verplichte medische onderzoek een vorm van marteling. Ook zien ze het als een schending van de privacy, wat het krachtens Europese wetgeving ook is. Het is namelijk verboden om seksueel gedrag van burgers vast te leggen. Het argument dat het seksueel gedrag van sekswerkers niet privé is als ze aan het werk zijn, gaat niet op, zo leert de jurisprudentie over dit onderwerp.

Registratie zou ook als een vorm van overheidsgeweld tegen sekswerkers kunnen worden beschouwd, als ‘gedwongen outing’. In de publicatie ‘Legale façade’ (2018) van st. soa- aids wordt al beschreven hoe acties tegen thuiswerkers tot ‘gedwongen outing’ leiden. Deze term is al van toepassing op homoseksuelen die onder dwang hun identiteit bekend moeten maken. Zoals Boris Dittrich het op ‘coming out dag’ verwoordde: ‘Je hebt het recht je te uiten, maar ook om je niet te uiten’. (Gaykrant, oktober 2018)

Zijn er dan groepen of beroepsgroepen die geregistreerd mogen of dienen te worden? Jawel, bovengenoemde mensenhandelaren. Maar er zijn ook een paar beroepsgroepen die door de overheid worden geregistreerd om beunhazerij tegen te gaan of om een kwaliteitsnorm te kunnen stellen. Artsen, advocaten en therapeuten zien zelf het belang van hun registratie en zullen het als een vorm van erkenning beschouwen. Hun werk betreft echter niet seksualiteit, waardoor ze geen of weinig last van een stigma op hun beroep hebben.

Sietske Altink

 

 

 

Noten   [ + ]

I. op 23-10- 2001
II. 29-11-2012
III. De Boer, 1994 pp 51-52