ceimiIn de twintigste eeuw werd de aloude strijd van sekswerkers tegen registratie voortgezet. Sekswerkers voelen registratie als iets dat hen tot criminelen bestempelt. Ze menen dat het stigma daardoor wordt versterkt. Bovendien worden door registratie de risico’s dat hun beroep bekend wordt alleen maar groter, met alle gevolgen van dien: verlies van contact met familie, een beperking van de mogelijkheid andere keuzes te maken, problemen met voogdij, kortom. alle nadelen die het stigma oplevert.

In 1911 werd het bordeelverbod ingevoerd. Na het in werking treden van het bordeelverbod verdween de prostitutie echter niet. Het vond plaats in en nabij woonhuizen, sigarenwinkels en in bierhuizen met ‘damesbediening’. In de praktijk was het moeilijk hier iets tegen te doen. Om een beroep te doen op art 250 bis Wetboek van Strafrecht ofwel het bordeelverbod, moest men immers aantonen dat er een gewoonte werd gemaakt van het gelegenheid geven tot ontucht en wel in een beroepsmatige vorm. De politiekorpsen vonden dit een taakverzwaring en daarom werd in de jaren twintig in de meeste grote steden een zedenpolitie in het leven geroepen.

Het is schrijver dezes (nog) niet bekend of de zedenpolitie tot de Tweede Wereldoorlog individuele prostituees registreerde, maar men hield, in ieder geval in Amsterdam en Rotterdam, registers bij van plaatsen waar (vermoedelijk) prostitutie werd bedreven. Maar later werd de individuele registratie op nogal dramatische wijze ingevoerd door de Duitse bezetter.

De Duitse bezetting

In 1941 kondigde de Rijkscommissaris een verordening af om de explosieve stijging van geslachtsziekten tegen te gaan. Vanaf 1941 hield men razzia’s. In zo’n geval zette de Groene Politie de straat af waarna de Sicherheitsdienst (SD), de Feldgendarmerie en de rechercheurs van de Zedenpolitie een café binnenvielen. Daar moesten mannen en vrouwen apart gaan staan. Mannen die niet op de lijst van gezochte personen stonden waren vrij om te gaan, net als de vrouwen die aan konden tonen dat ze er met hun verloofde of hun wettige echtgenoot waren. De andere vrouwen werden in vrachtwagens naar het ziekenhuis vervoerd. Daar nam men een ‘afstrijksel’ om ze op geslachtsziekten te controleren. Als ze ziek waren, werden ze opgenomen en behandeld, gezonde vrouwen mochten gaan. De Sicherheitsdienst kreeg een lijst met namen van de zieke vrouwen. Op die lijst  kwamen ook vrouwen te staan die door besmette soldaten als infectiebron waren genoemd. Wanneer deze vrouwen voor de derde keer geïnfecteerd raakten, werden ze naar concentratiekamp Vught gebracht. (Westerhof, 2008)

Politieregistratie in de periode van 1945 tot 1997

In veel steden ging de zedenpolitie over tot ‘vrijwillige’ registratie van prostituees en anderen die bij prostitutie waren betrokken. (Volmuller, 1966) In tegenstelling tot de negentiende eeuw was deze vorm van registratie niet gebonden aan een ‘reglement’. De politie wilde echter zicht krijgen op de prostitutie, het klassieke argument om tot registratie over te gaan.

Een andere reden zou de reeks moorden op prostituees in de jaren zestig kunnen zijn. Men was misschien bang met onbekende lijken te worden geconfronteerd. Niet voor niets beweerde de zedenpolitie dat registratie ook de bescherming van sekswerkers tot doel had. Volgens de brochure Prostitutie en Maatschappelijk Werk (1964) lieten prostituees zich in dat tijdsgewricht inderdaad registreren omdat ze zich erdoor beschermd voelden.

Later vroegen sekswerkers zich af welke rol registratie in hun bescherming vervulde. Op deze vraag kregen ze steevast het antwoord dat men dan wist wie een dode prostituee was. (Overigens fungeert dit nog steeds als argument voor registratie in landen als Oostenrijk.)

Mogelijk speelde de schaalvergroting in de prostitutie een rol. Het breidde zich namelijk uit, de mobiliteit van prostituees nam toe en er ontstonden nieuwere vormen van prostitutie: zoals seksclubs en prostitutie in pornobioscopen. Volgens de eerder genoemde brochure waren veel prostituees niet op de hoogte dat de registratie bij de politie op basis van vrijwilligheid geschiedde. Het bleek ook niet altijd zo vrijwillig te gaan als het wel werd voorgesteld. Volgens Haag en Haansma (1988), zorgden pooiers tot de jaren zeventig ervoor dat hun vrouwen zich lieten registreren bij de politie. Dit veranderde in de jaren zeventig toen sekswerkers zonder tussenkomst van derden de kamers van de exploitanten gingen huren of in clubs gingen werken. Maar nu waren het de exploitanten die de vrouwen tot registratie dwongen om problemen met de politie te vermijden.

Een interview uit 1987: Maar in Eindhoven ben ik, dat is heel gek, ben ik vermoedelijk geregistreerd, daar zorgden de vrouwen van het privéhuis voor. Die zeiden, als je morgen geen foto bij je hebt, hoef je niet meer te komen. Want, die man van de bijzondere wetten wou die foto’s met de gegevens hebben. Ik had eerst foto’s van mezelf als twaalfjarige ingeleverd. Anderen hadden prentjes van filmsterren uit de krant geknipt. Allemaal van dat soort dingen, en toen zeiden ze, nu is het afgelopen met dat gedonder. Als jullie morgen geen foto hebben, hoeven jullie niet meer terug te komen. Toen heb ik een foto meegenomen. Als ik dan vroeg om uit de registratiebak gehaald te worden, kreeg ik te horen dat ik er niet in zat. Dus konden ze me er ook niet uithalen. Maar ja. Ik weet er het fijne ook niet van. Dat is een van de reden waarom ik zo tegen registratie ben. (Interview afgenomen door Sietske Altink)

De Rode Draad tegen registratie

De Rode Draad heeft zich vanaf haar ontstaan verzet tegen politieregistratie. Dat uitte ze in de media. Ook probeerde ze het tijdens congressen aan te kaarten, bijvoorbeeld  in 1987. Klik hier. Ze verzamelde  klachten van sekswerkers door middel van het uitdelen van klachtenformulieren en pamfletten onder de doelgroep te verspreiden. Ook in de Vluggertjes werd er aandacht aan besteed.  (Vluggertjes 1993) en  (Vluggertjes 1995)

De Rode Draad schreef op grond van de verhalen van vrouwen brieven naar de politiekorpsen van de regio’s waaruit de klachten kwamen. Alleen de politie Den Haag was bereid het registratiebeleid onder de loep te nemen. (Brief Den Haag) Andere korpsen reageerden nogal standaard met een uitleg die erop neer kwam dat de registratie conform de wet gebeurde en dat gegevens niet aan derden werden verstrekt.

Dat laatste bleek echter niet altijd het geval te zijn. Uit bijvoorbeeld Groningen kwamen sterke aanwijzingen dat de gegevens uit de registers aan de Belastingdienst werden doorgegeven. In 1996 schreef de registratiekamer een brief aan de politie Groningen om ze te kapittelen. (Klik hier).

Begin 1996 brengt De Rode Draad een bezoek aan de Registratiekamer in Rijswijk, de voorloper van het College Persoonsbescherming, in 2017 Autoriteit Persoonsgegevens geheten. (klik hier voor het verslag). De vrouwen van De Rode Draad kregen toen te horen dat – mits er een goede afweging werd gemaakt in verband met het privacybelang – andere overheidsdiensten gegevens konden opvragen als zij dat nodig achtten voor het uitoefenen van hun taken. De Rode Draad schrijft in haar verslag: ‘Iedereen is nogal verbijsterd door hetgeen we zojuist hebben gehoord. De politie heeft ons altijd gezegd dat niemand in hun hoerenbestand kon komen, bovendien zeggen zij nooit dat registreren op basis van vrijwilligheid is, dus dat je mag weigeren.’

Andere tegenstanders van registratie klimmen ook in de pen. Hans Scholtes van de Mr, de Graafstichting, de voorzitter van het Landelijk Prostitutie Overleg schrijft een notitie over registratie. (klik hier) De Stichting tegen Vrouwenhandel draagt ook argumenten aan tegen registratie.

De Vereniging Exploitanten (VER) beklaagt zich bij het Ministerie van Justitie, de politiekorpsen en bij de Registratiekamer over de registratie. (klik hier voor Interview met Rode Draad in hun orgaan Relax) en de brief naar de Registratiekamer.

1997

In 1996 dienden prostituees uit Groningen een klacht in bij de Registratiekamer, tegenwoordig de Autoriteit Persoonsgegevens. De Registratiekamer stelde een onderzoek in. [I]Registratiekamer, juni 1997 (download). De registratiekamer constateerde dat de klacht kwam in een periode waarin de situatie zou gaan veranderen: de aanstaande wetswijziging. In verband met het onderzoek sprak de Registratiekamer met het Coördinerend Politie Beraad (later de Raad van Hoofdcommissarissen) die meende door middel van registratie sekswerkers beter te kunnen beschermen en de werkomstandigheden van sekswerkers gunstig te kunnen beïnvloeden. Dit betekende dat de registratieactiviteiten aan de Politiewet van 1993 moesten worden getoetst.

Registratie moest krachtens deze wet het doel dienen van

–          Voorkomen en bestrijden van strafbare feiten.

–          Voorkomen overlast en verstoring openbare orde

–          Hulpverlening aan prostituees.

Uit het onderzoek bleek dat de inhoud en het gebruik van de politieregisters niet altijd conform de doelstelling geschiedde. Ook was er geen overeenstemming in het soort gegevens dat werd opgenomen. Soms ging het alleen om personalia, maar in andere gevallen werden ook gegevens over de relatie tot de exploitant genoteerd. Sommige korpsen sloegen zelfs foto’s op in de registers. Wanneer foto’s in de registers terechtkwamen, was dat niet altijd met expliciete toestemming van de prostituees gebeurd.

De Registratiekamer had ook twijfels over de mate van vrijwilligheid waarmee sekswerkers de gegevens verstrekten. In sommige gevallen betekende ‘vrijwillig’ dat als een prostituee niet vrijwillig meewerkte, ze naar elders kon vertrekken. Bovendien werden de gegevens niet altijd op tijd vernietigd. De politie verdedigde zich in zo’n geval met het argument dat de vrouwen waarschijnlijk weer terug zouden keren in de prostitutie. Sommige korpsen gaven gegevens door aan andere afdelingen in het korps of aan andere overheidsdiensten, andere deden dat niet. De toetsing van de gangbare praktijken van registratie aan de Wet op de Politieregisters (Wpolr) leverde het volgende op:

De registers mogen geen gegevens bevatten over seksualiteit en intiem levensgedrag. De gegevens mogen alleen rechtmatig worden verkregen en de registratie moet aan de bovenstaande doelstellingen beantwoorden. In alle ander gevallen mag registratie alleen als het doel aan betrokkene duidelijk is gemaakt en hij/zij dit uitdrukkelijk vrijwillig doet. De Registratiekamer concludeert dat er grote onduidelijkheid bestaat, dat er niet altijd binnen de grenzen van de wet wordt geopereerd en dat niet alle gegevens die in de registers terecht komen het doel van een goede uitoefening van de politietaak dienen. De politieregistratie op grond van het feit dat iemand het beroep van sekswerker uitoefende was onwettig verklaard.

De politie Groningen was hier niet blij mee. Ze moest alle sekswerkers inlichten dat ze onterecht waren geregistreerd en maar hopen dat er geen schadeclaims kwamen. [II]Nieuwsblad van het Noorden, 7-3-1998 In Arnhem reageerde men met de aankondiging dat de politie zou stoppen met registreren, maar de dossiers pas zou vernietigen als er een alternatief beschikbaar was. Arnhem beweerde dat te kunnen doen op grond van het feit dat de gegevens vrijwillig waren verstrekt… Overigens verschilde de politie Arnhem van mening met de sekswerkers over de mate van vrijwilligheid van de registratie. Vooral uit die stad kwamen klachten dat de politie tijdens de registratie instant foto’s –polaroidjes- zou maken.

Dat betekende niet dat gemeenten en politiekorpsen geheel stopten met registratie. Doordat het wel toegestaan was vermoedelijke slachtoffers te registreren in een ‘slachtoffervolg’ systeem, kwamen sommige politiefunctionarissen op het idee om iedere sekswerker als vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel te zien, totdat het tegendeel was bewezen. Dat gebeurde bijvoorbeeld in Nijmegen. Daar verdedigde de politie in 2001 op 23-10- 2001 hun registratie van iedere sekswerker met het argument: ‘Pas als een vrouw bij Albert Heijn is gesignaleerd, weten we zeker dat er geen vrouwenhandel in het spel is.‘

Rond 2009 nemen het aantal klachten weer toe. Dat heeft mogelijk te maken met de groeiende aandacht voor mensenhandel. In 2009 schrijft Mariska Majoor van het Prostitutie Informatie Centrum:

De laatste tijd bereiken ons klachten van prostituees over de wijze waarop de politie de paspoortcontrole uitvoert. De klacht is dat de politie niet volstaat met het controleren van paspoorten maar ook van de gelegenheid gebruik maakt om namen en andere gegevens te noteren. Dit laatste heeft geen wettige basis en wordt als een ernstige inbreuk op de privacy beschouwd. Men behandelt dan de vrouwen als verdachten en niet de handelaren en hun medeplichtigen. Wij kennen een geval waar de politie zelfs het mobieltje van de vrouw controleerde om te zien met wie ze de laatste uren gebeld heeft. In Amsterdam hanteert de politie zelfs voorgedrukte formulieren waarop prostituees al hun gegevens moeten invullen.

Enkele meningen van sekswerkers over registratie (schriftelijk in 2011 bij De Rode Draad ingediend).

“Op deze manier drijven jullie ons de illegaliteit in, met alle risico’s van dien. Niemand wil zijn toekomst op het spel zetten. Pak ons onze privacy a.u.b. niet af!!”(Leiden)

“Worden we nu nog afhankelijk van exploitanten en louche kamerverhuurders. Jullie maken me crimineel!” (Zwolle)

“Ik ben tegen. Ik wil anoniem blijven. Mijn buurvrouw werkt voor de gemeente.” (Amsterdam)

“Ik wil geen dubbele registratie!” (Utrecht) “Ik ben geen crimineel dus hou op me zo te behandelen!” (Den Haag)

“Ik ben het er NIET mee eens. Ik vind alles goed genoeg geregeld zoals het nu is!”( Den Haag)

“ Ik zie geen meerwaarde in een intakegesprek met een ambtenaar. Mensenhandel moet aangepakt worden, maar niet op deze manier.

“Dat beleidsmakers zo de plank mis kunnen slaan! Bedankt voor deze stommiteit!!!”(Den Haag)

“Waarom nog meer registratie? We zijn al bekend bij belastingdienst, GGD, Zedenpolitie etc. “ (Breda)

“Belachelijk idee! Dit gaat voor een hoop problemen zorgen.” (Rotterdam)

“Ik denk dat dit niet nodig is. Het is al goed zoals het is. Waarom de vrede breken en mensen onnodig geïrriteerd maken en ons meer geld laten betalen ” (Leiden)

“Ik denk niet dat het systeem werkt. Met hackers weet je het nooit.” (Hilversum)

Individuele vergunningen

Met een zekere regelmaat worden er plannen gelanceerd die nog verder gaan dan registratie; men wil sekswerkers dwingen zichzelf te registreren door hen een individuele vergunning aan te laten vragen. Een van de eerste voorstellen daartoe werd in 1989 door het Arnhemse gemeenteraadslid  Brouwer gedaan. Het nobele doel hiervan was de gezondheidszorg toegankelijk maken. (Arnhemse Courant 22-2-1989) De politieman Ter Wee uit Groningen bracht in 2001 zo’n plan naar voren. Hij had tot doel ‘de buitenlandse vrouwen’ zichtbaar te maken. [III]Persoonlijke communicatie en Nieuws blad van het Noorden, 8-4-2000

Voorstanders van de individuele vergunningen- ook wel peespassen genoemd- wijzen op de soepele invoering van de pasjes op sommige tippelzones, bijvoorbeeld in Rotterdam. In 2001 wilde de gemeenteraad Rotterdam een beperkte registratie invoeren en wel voor de werkers op de tippelzone. Andere steden zoals Utrecht volgden. Daar wilde men de toeloop op de Utrechtse tippelzone die ontstond na het sluiten van de tippelzone in Amsterdam, beperken. Het doel was te zorgen dat de schaarser wordende capaciteit van tippelgebieden beschikbaar bleef voor de doelgroep: verslaafde sekswerkers. Maar het lijkt erop dat deze klassieke doelgroep aan het verdwijnen is.

Voorstanders van de individuele vergunningen pareren het bezwaar dat dit een inbreuk op de privacy kan vormen met het argument dat er andere beroepen zijn waarvoor er een vergunningplicht is. Maar in dat soort gevallen gaat het om bescherming van de consument, die ervan uit kan gaan dat een vergunninghouder de juiste  opleiding heeft gevolgd en aan de eisen van het beroep voldoet.

Vanaf 2008 verschijnt registratie van individuele sekswerkers weer op de politieke agenda in verband met de  Wet Regulering Prostitutie. In 2014 keurde De Eerste Kamer de registratie af. Op 18 juni is het nog niet duidelijk of de nieuwe versie van de Wet Regulering Prostitutie door de Tweede Kamer is gekomen. Wel proberen enkele steden een vorm van registratie in te voeren. Een voorbeeld daarvan is weer Groningen, die overigens heftig ontkent dat het noteren van persoonsgegevens van sekswerkers tijdens een intake als registratie mag gelden. Het dient alleen maar om te checken of de vrouw bekend is. (???!!!).

In juni 2016 start de sekswerkersorganisatie Proud en de medestanders bij Swexpertise en de Vereniging Vrouw en Recht een proefproces tegen Groningen.

Zie artikel over registratie in vroegere eeuwen.

Sietske Altink

Bronnen


Noten   [ + ]

I. Registratiekamer, juni 1997
II. Nieuwsblad van het Noorden, 7-3-1998
III. Persoonlijke communicatie en Nieuws blad van het Noorden, 8-4-2000