Medisch onderzoek maakte deel uit van het regime waaraan prostituees werden onderworpen. De politiedokter hield op werkdagen van 10-12 uur spreekuur in het politielokaal aan het Hofplein, bijgenaamd De Galerij.

Ook was er een door de politie gedetacheerde chirurgijn bij betrokken. De politiechirurgijn had geen officiële graad en was niet officieel bevoegd tot medisch handelen. Het was maar de vraag op grond van welke medische kennis de politieartsen hun handelingen verrichtten. Wanneer een vrouw hersteld was, lichtte de heelmeester de politiechirurgijn in. Als die laatste haar niet voldoende genezen vond, stuurde hij haar terug naar het ziekenhuis waar ze na een week opnieuw werd gekeurd. Dit gaf veel gedoe.

Bij het hele proces waren chirurgijns betrokken die lager waren opgeleid dan de doctor medicinae, maar ook

Syfilis, Boerhaave museum

gespecialiseerde artsen en zelfs hoogleraren, zoals in Utrecht en Groningen.

Dit past in een lange traditie waarin geslachtsziekten werden behandeld door zowel professionele artsen als door ‘amateurs’.  De satiricus Jacob Campo Weyerman had al eens geschreven dat hij een arts aan de wandel zag met een blinde patiënt. ‘Soort zoekt soort’, zo concludeerde hij. [I]Weyerman, 1720Het was moeilijk om een arts te vinden die bereid was dit werk dat vaak ook nog eens onderbetaald was, te verrichten. [II]Stemvers, 1985 In Rotterdam kreeg Van Wijkhuizen deze weinig begeerde baan. Een heelmeester van het ziekenhuis deed naast zijn taken als arts de administratie van het ziekenhuis.

De wijze waarop de visitatie verliep leek niet bepaald bevorderlijk voor de gezondheid. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het verslag van een Nederlandse geneesheer die in 1889 naar Brussel en Parijs was geweest om daar de visitaties in de publieke huizen bij te wonen.

Hij schreef: ‘Met verwonderlijke oppervlakkigheid werd in korte tijd een groot aantal vrouwen gevisiteerd. Deze visitaties werden beperkt tot de genitaliën en de arts gebruikte het speculum vluchtig: ‘zoodat niet meer dan een paar minuten aan het onderzoek van iedere vrouw werd besteed’. Volgens hem gebeurde het elders omstandiger, maar ook niet nauwkeurig. Ook de houding van de geneesheren was niet altijd in overeenstemming met de waardigheid van de arts.

Aletta Jacobs maakte als eerste vrouwelijke arts zo’n visitatie mee. Over deze ervaring schreef ze het volgende:

Op zekere dag verzocht een der hoogleraren mij, met hem en zijn assistent naar een bijlokaal van het ziekenhuis te gaan, waar negen armoedig gekleede vrouwen onze komst bleken te verbeiden. Op ruwen toon werd haar gelast, zich een voor een te ontblooten en op een houten tafel te gaan liggen. Zonder dat ze ook maar met een vinger werden aangeraakt, bekeken de mannen hunne ‘objecten’. Een kort overleg volgde, waarna zeven vrouwen konden vertrekken en de andere twee de aanzegging kregen zich naar het hospitaal te begeven. De zeven vrouwen verdwenen onder geleide van een brutaal uitziende kerel door wien zij werden opgewacht. [III]geciteerd in De Vries, 1997

Alleen in Den Haag en Rotterdam investeerden de stadsbesturen in uitbreiding en verbouwing van de verpleeglokalen. Ruim een eeuw later kon men nog steeds vraagtekens zetten bij het optreden van het medisch personeel. In Rotterdam ging het als volgt: De vrouw trok haar broek uit en moest op een tafel klimmen die meestal op een podium stond. Soms was dat een gewone keukentafel, soms een sofa met een verhoging. Het voeteneinde stond richting raam zodat de dokter voldoende licht kreeg. De bank moest zodanig worden geconstrueerd dat de vrouw haar hoed kon ophouden, want het op- en afzetten van het hoedje kostte te veel tijd. Daarna volgde een inspectie van de liezen, genitaliën en de anus. Er werd gekeken of de lymfklieren waren opgezwollen. Rubberen handschoenen bestonden nog niet. Als de vrouw een twijfelgeval vormde werd ze naar het ziekenhuis doorgestuurd. In dat geval nam de dokter de moeite de tafel schoon te maken met een dweil.

Vanaf 1817 werden de zieke prostituees opgevangen in het Stedelijk Gasthuis aan de Hoogstraat. De besmette vrouwen zaten daar op een aparte afdeling. Na de invoering van de nieuwe regels in 1847 werd die te klein. Het zat overvol met ‘de ongelukkigste wezens die al daar genezing kwamen zoeken tegen de verschrikkelijkste kwalen, waarmede zij meestal door eigen schuld besmet zijn.’ Het aantal zaaltjes moest worden uitgebreid. Op 12 februari 1847 kwam de stadsarchitect kijken wat soort verlichting er nodig was opdat de artsen behoorlijk hun werk konden doen. De wenkbrauwen werden gefronst toen bleek dat er kosten gemaakt moesten worden voor een speciale onderzoeksstoel en dat er extra wasbakken moesten komen. Na in 1848 korte tijd aan De Baan gevestigd te zijn geweest, verhuisde het Ziekenhuis voor aan syfilis lijdende vrouwen naar de Coolsingel. In 1852 ging het weer terug naar de Hoogstraat. Al dit gesol met de patiënten had tot gevolg dat men er nog eens een extra ziekenhuisadministratie erbij kreeg.

Het ziekenhuis aan de Rotterdamse Hoogstraat stond slecht bekend omdat bijvoorbeeld een vrouw tijdens de behandeling door Van Wijkhuizen door een hond was gebeten. Een andere klacht was dat de conciërge niet op bepaald zachtzinnige wijze orde in het ziekenhuis hield. Een van de huismeesters werd als een luie hoerenloper beschreven. Ook zouden vrouwen eerder naar huis kunnen als ze de leiding omkochten. Bordeelhouder van Haell klaagde bijvoorbeeld dat zijn geliefde, ondanks het feit dat hij steekpenningen betaalde, nog steeds niet uit het ziekenhuis was ontslagen. Dat was een financiële strop voor hem, want vrouwen die in het ziekenhuis waren opgenomen, konden geen inkomsten genereren. Vrouwen die zich misdroegen moesten acht of veertien dagen wachten voordat ze naar de dokter konden om genezen te worden verklaard. Ze mochten tot dan niet werken. Het eten was slecht en moest van buiten het ziekenhuis komen. Niet al het bestelde voedsel kwam echter in het ziekenhuis aan. Het werd kennelijk door het personeel gestolen. Van Wijkhuizen zou regelmatig geld lenen zonder het terug te betalen. Jannetje Klatten en Johanna Christa van der Graaff, hadden juffrouw Truitje kleding van bont geschonken. Toen een van deze twee vrouwen bij een tweede bezoek geen cadeau voor Juffrouw Truitje  bij zich had, mocht ze niet naar de dokter.

Er is een paar keer onderzoek gedaan naar het reilen en zeilen van dit ziekenhuis voor ‘syphilitische lijderessen’ De huismeester en zijn dochter Juffrouw Truitje ontkenden dat zo’n onderzoek nodig was en voerden aan dat ze niet overal op konden letten en dat door het tekort aan bedden de vrouwen soms samen in een bed moesten slapen. De prostituees die klachten over de leiding hadden werden aanvankelijk niet geloofd. Ze maakten ondanks hun angst voor de ziekenhuisleiding hun klachten wel hard. Dit speelde rond 1885.

Er zijn twee patiënten registers overgebleven die deels overlappen. In bijna dertig jaar tijd zijn meer dan 7000 vrouwen ingeschreven. Uit de registers blijkt dat sommige vrouwen meer dan zeven keer in het Rotterdamse ziekenhuis waren opgenomen. Dat wekt de indruk dat geslachtsziekten onbehandelbaar waren. Er waren nog geen adequate medicijnen. [IV]Seidler, 2011

Sietske Altink,

Voor dit stukje heb ik dankbaar gebruikt van de scriptie van Seidler. Klik hier voor informatie over overige bronnen.

Lees meer over de reglementering, de vrouwen en de bordelen

 

Noten   [ + ]

I. Weyerman, 1720
II. Stemvers, 1985
III. geciteerd in De Vries, 1997
IV. Seidler, 2011