In drie grote steden waren er in Nederland 138 bordelen bekend en 43 in de kleinere steden. (1889), althans volgens de burgemeesters. Er waren reeds tien bordelen geteld bij de Laurenskerk, de belangrijkste kerk van Rotterdam.[I]Bossenbroek en Kompagnie, 1998 In 1833 protesteerde de Kerkenraad van de Hervormde Gemeente in Rotterdam tegen de groei van de prostitutie. Men meende dat het maar beperkt moest blijven tot de ‘geschandvlekten hoek der stad ’ en niet op centrale punten mocht worden gevestigd.

Rotterdam had geen vergunningenstelsel. In totaal waren er vijf of zes officiële bordelen in Rotterdam. Het feit dat sommige auteurs het over vijf en anderen het over zes bordelen hadden, lag aan de door betrokkenen gehanteerde definitie van bordeel. De politie definieerde een bordeel als: ‘niet ingeschreven als voor het publiek toegankelijke inrichtingen voor het verbruik van eet- en drinkwaren.  Aan de Haringvliet zouden er twee hebben gezeten; volgens anderen was dat één bordeel. Eén van die zes bordelen stond ook te boek als ‘melkhuis’ en is mogelijk daarom niet mee geteld. Drie andere, goedkopere zouden er aan de Binnenrotte hebben gezeten en één aan de Rodezand 18. Volgens een andere bron [II]Werff, 1996 zat er een bordeel aan de Verlaatstraat maar die kan qua nabijheid tot de Binnenrotte zijn gerekend.

Palais Oriental

Het duurste bordeel,het Palais Oriental, zat aan de Haringvliet nummer 37. Aanvankelijk bestond het uit een cluster van bouwvallige pandjes. De toenmalige eigenaren hadden geen geld om ze op te knappen en besloten het geheel van de hand te doen.

Op 1 juli 1874 werd de firma André Quvilin, Pierre Simon, Abram Blum en Louis Xavier opgericht. Deze Belgische financiers lieten de gebouwtjes slopen en maakten er een ‘gemeubileerd’ hotel van, wat we nu waarschijnlijk een appartementen complex zouden noemen. Dit bracht niet voldoende op en dus werd het in 1878 verkocht, ditmaal aan Baptiste Albert Navez die uit een dorp in de buurt van Brussel kwam. Hij vond dat het maar een bordeel moest worden en stelde ene Nepthaly Edouard Barraine als bedrijfsleider aan. Ook als bordeel was het niet rendabel en Navez moest het bedrijf hypothekeren. Barraine werd de nieuwe eigenaar. Hij maakte reclame voor het bordeel door een ‘gouvernante’, ofwel madam met prostituees naar plekken te sturen zoals de opera waar leden van de bourgeoisie elkaar ontmoetten. Ze flaneerden ook door dure winkelstraten. Deze vorm van ‘marketing’ leverde overigens woedende ingezonden stukken in de krant op. [III]Visscher, 2000

In het voorhuis van het Palais Oriental, dat filialen in Antwerpen en Den Haag had, hing een uittreksel met statuten van een maatschappij die koninklijke goedkeuring genoot, met de mededeling dat 60 procent van de omzet aan de aandeelhouders zou worden uitgekeerd. [IV]Bergh, W., 1878 voetnoot p. 102 Het bordeel beschikte  over een goede keuken, ‘het laboratorium’ genoemd, een uitstekende wijnkelder en op meerdere kamers was er gelegenheid tot kaartspelen. Er stonden diverse piano’s. Bekende kunstenaars als Kees van Dongen en Koos Speenhoff frequenteerden het bordeel.

Het huis had meerdere salons benevens 26 kamers, maar niet alle kamers waren geschikt voor klantenontvangst. Zo hadden sommige kamers geen verwarming. Het meubilair sleet echter snel.

Barraine werd ziek en stierf in 1888. Zijn echtgenote Rachel Marx erfde het bordeel. Zij kreeg de deurwaarder Johannes Gouverne op haar dak en het bordeel werd in 1891 aan Fanny Petit uit Parijs verkocht. De waarde van het bordeel was inmiddels flink gedaald. In 1891 arriveerde Fanny’s veel jongere echtgenoot in Rotterdam. Hun samenzijn in de Maasstad mocht niet lang duren want hij overleed in 1893.

Na 1880 nam het aantal geregistreerde vrouwen in Rotterdam snel af wat in het bordeel te merken viel. In 1890 was er zelfs tijdelijk sprake van onderbezetting. Daarna nam het aantal prostituees weer toe. Soms waren er meer vrouwen dan het bordeel kon herbergen. Tussen 1879-1898 werkten er 10 tot 15 prostituees tegelijk. In die paar jaar hebben 597 mensen -inclusief dubbeltellingen-  in het bordeel gewoond.  Op 17 maart 1910 stelde de Rotterdamse raad het bordeelverbod in en het gebouw kreeg een nieuwe bestemming als opvanghuis voor vrouwen. Bij het bombardement van 1940 werd het van de kaart geveegd.

Er is enige controverse over de vraag of het model heeft gestaan voor Rood Paleis van Bordewijk. In het boek worden ‘afgedankte’ prostituees naar de Zandstraat gestuurd, wat een argument vóór is. Rotterdam was betrekkelijk laat met het invoeren van een bordeelverbod waardoor het in theorie mogelijk was dat de auteur, die een tijdje in Rotterdam heeft gewerkt, het bordeel heeft gekend.  Bordewijk beweerde echter zelf dat hij zijn kennis uit het Franse satirische tijdschrift Assiette de Beurre heeft gehaald.

Minder luxere bordelen dan Palais Oriental zaten aan de Binnenrotte. Prostitutie van lager allooi dan in de Zandstraat trof de bezoeker aan op de Schiedamsedijk, Delftschevaart, Rijsttuin, Schiestraat, Bagijnestraat en Wijde Broedersteeg.[V]Brusse, 1921

Clandestiene prostitutie

Op het eerste gezicht lijkt de omvang van de prostitutie in die periode beperkt te zijn geweest. Maar schijn bedriegt; er waren vele clandestiene bordelen, vooral in De Polder. Deze overtroffen in aantal de enkele vijf of zes officiële bordelen uit de registers. In 1905 trof de Berlijnse Kriminalkommissar Von Tresckov in Rotterdam zeven betere huizen, en dertig gewone huizen aan, vooral in ’de Sandstrasse’.

De vele bierhuizen met ‘damesbediening’ waren een doorn in het oog van de bestuurders. Deze gelegenheden fungeerden als dekmantel voor prostitutie. Commissaris Voormolen schrijft in zijn rapport van 11 juni 1895: dat ‘de groote toename in de laatsten jaren der clandestiene prostitutie, der huizen met kelnerinnenbediening, waarvan zeer vele als vermomde bordelen zijn aan te merken en der rendez-vous huizen maken dat het toezicht steeds gebrekkig moet worden genoemd’. Er waren tevens tientallen kroegen, ook met gelegenheid tot ‘logies’. Vóór de reglementering was prostitutie officieel verboden. Daarna was alles wat niet voldeed aan de reglementering meteen clandestiene prostitutie.  Politieman Voormolen wist vijf categorieën clandestiene prostituees te onderscheiden:

1: winkeljuffrouwen, strijksters, naaisters, dienstbodes die het deden uit ‘zucht tot opschik, uit geslachtsdrift en ook wel geldgebrek’. Vooral de minderjarigen onder hen waren gespecialiseerd in de voorbereidende handelingen, maar meden de geslachtsdaad.

2. Gehuwde vrouwen die het met medeweten van hun man deden die hij niet genoeg verdiende.

3. Vrouwen die door een selecte groep mannen werden onderhouden, de maintenées.

4. ‘Vrouwen die zich niet wenschen te doen inschrijven voor de geneeskundige visitaties en die op straat de mannen met listige middelen tot zich lokken, zich te harent of in een rendez-vous aan regelmatige coitus overgeven, doch die bij het zien van de politie-beambten zich ordentelijk gedragen of verdwijnen.’

5. Minderjarigen die met medeweten van hun ouders of voogd, met mannen, veelal zeelieden, samenleven, op door haar gehuurde kamers en die bij afwezigheid dezer mannen gelegenheid geven tot geslachtsgemeenschap aan anderen.’

Veel vrouwen meldden zich niet bij de politie maar werden op heterdaad betrapt. Dat gold bijvoorbeeld voor Anna Petronella Bante. Zij was een van de weinige geregistreerde vrouwen die getrouwd was, en wel met Friedrich Wilhem Somner, met wie zij eerder in Amsterdam was gaan wonen. Na het stuk lopen van haar huwelijk in 1855 vertrok zij naar Rotterdam. Zij had op 2 april 1856 een vergunning als tapster aangevraagd. Hoofdcommissaris Janssens gaf echter het advies die vergunning niet te verlenen. De politie had de vrouw in de peiling gehouden en wist dat ze als prostituee had gewerkt. Ze was echter al zonder vergunning met tappen begonnen en bezorgde de buurt veel overlast. Zij werd gearresteerd en bekende dat ze stiekem als prostituee werkte. Na haar bekentenis werd zij medisch onderzocht maar bleek gezond te zijn.

Zonder dat de werkgevers dat wisten klusten dienstboden soms erbij als prostituee. Uit bronnen blijkt dat de politie dienstboden schaduwde die verdacht werden van clandestiene prostitutie. [VI]Seidler, 2011 De politie wilde weten waar de vrouwen heengingen en hoe ze gekleed gingen. Dit schaduwen door de politie leverde overigens weinig op.

Sietske Altink

Klik hier voor meer informatie over de bronnen

Lees meer over de reglementering, de vrouwen en het gesol met het medisch toezicht

 

Noten   [ + ]

I. Bossenbroek en Kompagnie, 1998
II. Werff, 1996
III. Visscher, 2000
IV. Bergh, W., 1878 voetnoot p. 102
V. Brusse, 1921
VI. Seidler, 2011